Wetsvoorstel
11-03-2004

Sabine de Bethune - Mia De Schamphelaere - Hugo Vandenberghe

Wetsvoorstel houdende regeling inzake het verzamelen, het bewaren en het verstrekken van gegevens bij de donatie van gameten (3-559)

--------------------------------------------------------------------------------

TOELICHTING

--------------------------------------------------------------------------------

Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 31 juli 2000 in de Senaat werd ingediend (stuk Senaat, nr. 2-540/1 ­ 1999/2000).

Een kind heeft, voor zover mogelijk, het recht zijn of haar ouders te kennen en door hen verzorgd te worden. Dit recht is neergelegd in artikel 7 van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Het voorliggend wetsvoorstel vooronderstelt een recht van het kind op kennis omtrent de afstamming. Dit persoonlijkheidsrecht is echter geen absoluut recht. Tegenover dit recht staat het recht van de donor en van de moeder (en juridische vader) van het kind op bescherming van hun privé-leven. Vraag is in de eerste plaats welk recht voorrang heeft. Verder kunnen er nog andere « algemene » belangen zwaarder wegen dan het « recht » van het kind op kennis van zijn afstamming. Hieronder kan ondermeer vallen, het risico van een teruglopend aantal donoren, hetgeen tot langere wachttijden leidt, en een mogelijke ontwijking naar het buitenland. Erger is dat het risico niet denkbeeldig wordt dat kunstmatige inseminaties buiten de centra voor reproductieve geneeskunde zouden plaatsvinden, wat omwille van het algemeen belang inzake de volksgezondheid absoluut moet worden uitgesloten.

Het voorliggend wetsvoorstel wil een middenweg bieden waarbij de (conflicterende) belangen worden verzoend. Centraal staat daarbij het belang van het kind.

De vraag naar wat het belang of welzijn van het kind is, is tegelijkertijd een kwaliteitsvraag. Het betreft niet de vraag welk soort ouderschap nu het beste is : het biologische (genetische) ouderschap, het juridische ouderschap of het sociale ouderschap ? Dit neemt niet weg dat er een (wettelijk) verschil is tussen deze vormen van ouderschap. Er moet een differentiëring zijn, maar doorheen deze discussie mag het kind niet gebagatelliseerd worden op grond van zijn verwekkingstatus. Bij de al dan niet opheffing van de anonimiteit van de donor gaat het om het welzijn van het kind.

Hierbij wordt vaak verwezen naar de gevolgen die het voor KID (kunstmatige inseminatie met donormateriaal)-kinderen zou hebben om geen toegang te hebben tot de afstammingsgegevens. Dergelijk onderzoek bestaat niet in België en evenmin in het buitenland, en lijkt ook niet van start te zullen gaan.

Het zou immers geen antwoord kunnen geven op de vraag naar de gevolgen voor kinderen die niet ingelicht zijn over de verwekking door kunstmatige inseminatie met donormateriaal.

Professionele hulpverleners argumenteren dat KID-kinderen vooral uit zijn op een antwoord naar de waarom-vraag van hun verwekkingstatus, en in veel mindere mate naar de identiteit van de donor.

Een van de klassieke argumenten tegen de opheffing van de anonimiteit van de donor is het voorkomen van ongewenste relaties tussen donor en kind enerzijds en tussen donor en receptor anderzijds. Daarom is de huidige regeling wat men noemt een « procedure van de onzichtbare donor », waarbij anonimiteit, het onthouden van verdere informatie tegenover de donor over de aanwending van zijn gameten en de loutere betaling van een onkostenvergoeding de drie kernbegrippen zijn. Op het ogenblik van de donatie draagt de donor zijn beslissingsrecht over aan het centrum voor reproductieve geneeskunde.

Voor een goed werkend systeem van kunstmatige inseminatie met donorgameten is het aantal donoren van groot belang. Voorstanders van het volledige behoud van de anonimiteit stellen dat de opheffing dit zou hypothekeren.

Er zijn weinig tot geen onderzoeksgegevens voorhanden omtrent de gevolgen van de opheffing van de anonimiteit van de donor voor het kind, ook niet op internationaal vlak. Recente resultaten van bevragingen bij donoren in Nederland tonen aan dat 34 % van de ondervraagde donoren bereid is het donorschap verder te zetten indien de anonimiteit wordt opgeheven; 16 % weet het nog niet. Van de kandidaat-donoren reageert 25 % positief en eveneens 25 % is onbeslist. Donoren die niet langer bereid zijn donor te blijven hebben vaker een vrouwelijke partner en daarmee samenhangend kinderen of een kinderwens.

Ons inziens weegt het feit dat mogelijk kandidaat-donoren afhaken en als gevolg daarvan wensouders langer moeten wachten op donatie niet op tegen het belang van het kind om zijn afstammingsgegevens te kennen. Bovendien is het gebrek aan voldoende donors voor een groot stuk te wijten aan onwetendheid bij het grote publiek of onvoldoende voorlichting en begeleiding van de donoren en wensouders.

Momenteel worden wat spermadonatie in de Belgische universiteiten betreft regelmatig spermadonoren gerekruteerd. De medische bevruchtingstechnieken zijn inmiddels overigens zo ver gevorderd dat het aantal bevruchtingen waarbij gebruik wordt gemaakt van donorsperma sterk is teruggelopen.

Zeker op het vlak van eiceldonatie bestaat geen actief rekruteringsbeleid in de centra voor reproductieve geneeskunde. De wensouders moeten zelf op zoek gaan naar een donor. Indien er geen gevonden wordt in de directe familie- of vriendenkring, stapt men over naar de media en zelfs internet. Dat zou de echte oorzaak zijn van het feit dat in België momenteel circa 1 000 koppels wachten op een eiceldonor. Maar ondanks het feit dat eiceldonatie en spermadonatie volgens een verschillende procedure verlopen, bestaat er geen reden voor een verschillende juridische behandeling.

Een KID-systeem kan ook goed functioneren met minder donoren, hoewel dan met wachtlijsten gewerkt moet worden. Overigens impliceert een goed werkend systeem ook dat de medisch-technische zorgvuldigheidseisen in acht worden genomen. Juist door te werken met een A-donorschap en een B-donorschap, waardoor de afstammingsgegevens niet onverkort toekomen aan het kind, wordt het algemene belang bij een redelijk donorbestand en de bescherming van het privé-leven van de donor erkend.

Het voorliggende wetsvoorstel eerbiedigt ook artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM), dat het recht op het privé-leven betreft. Waar er al een inbreuk zou zijn op het privé-leven van de donor, valt deze onder de uitzondering die artikel 8 toelaatbaar acht, in casu het belang van het kind bij persoonsidentificerende gegevens. Het voorliggende wetsvoorstel beschermt ook het privé-leven van de donor door hem de keuze te laten voor een A-donorschap of een B-donorschap, door ­ indien hij een B-donor is ­ eerst zijn toestemming te vragen voor het verstrekken van de persoonsidentificerende gegevens aan het kind, en door bij zijn weigering, een gemotiveerd oordeel van de rechter te vragen waarbij de belangen van de donor en van het kind worden afgewogen, rekening houdend met alle omstandigheden.

Het is de uitdrukkelijke bedoeling van dit wetsvoorstel dat de afstammingsgegevens bij de donor B die instemt met het verstrekken van de persoonidentificerende gegevens aan het kind worden verstrekt, maar zonder dat dit ook rechten of plichten met zich brengt. Enerzijds bepaalt artikel 318, § 4, van het Burgerlijk Wetboek dat de echtgenoot die heeft ingestemd met de verwekking bij zijn vrouw van een kind met gameten van een derde, zijn vaderschap over dat kind niet meer kan betwisten. De spermadonor is dus nooit de juridische vader. Anderzijds is een vordering tot onderhoudsgeld op grond van de kunstmatige inseminatie zelf onontvankelijk aangezien artikel 338bis van het Burgerlijk Wetboek uitdrukkelijk spreekt van een geslachtsdaad en niet van een medische techniek zoals kunstmatige inseminatie met donormateriaal.

Als reden tot weigering van instemming voor de verstrekking van persoonsidentificerende gegevens kan de B-donor bijvoorbeeld inroepen dat hij niet de natuurlijke vader van het kind is. Hij weet immers zelf niet welke inseminaties hebben plaatsgehad met zijn gameten; enkel het centrum voor reproductieve geneeskunde en het centraal bewaar- en opslagpunt kennen de tijdstippen waarop inseminaties hebben plaatsgevonden. Zij kunnen deze gegevens dan ook meedelen op verzoek van de rechter. Indien het tijdstip van inseminatie en van geboorte te dichtbij of te ver uit elkaar liggen, kan dat voor de donor een indicatie zijn om te stellen dat hij niet de natuurlijke vader is. Een DNA-onderzoek met toestemming van de betrokkenen kan dan meer duidelijkheid geven.

Vanzelfsprekend is de rol van de wensouders cruciaal. Zij kiezen voor een bekende donor (B-donor) of voor het behoud van de anonimiteit (A-donor). Maar ook het al dan niet meedelen aan het kind van zijn verwekkingstatus (met name verwekking door kunstmatige inseminatie met donormateriaal) ligt volledig in hun handen. De indieners van dit wetsvoorstel achten openheid jegens het kind omtrent de wijze van verwekking van groot belang, maar willen deze keuze volledig vrij aan de ouders overlaten en niet in een wettelijke verplichting verankeren. Net zoals bij adoptie impliceert « goed ouderschap » dat het kind ingelicht wordt over de wijze van verwekking. In hoeverre het voorliggende wetsvoorstel van invloed zal zijn op de tendens om vaker openheid te bewerkstelligen is moeilijk te voorspellen. Het is niet ondenkbaar dat het besef dat een kind bij twijfel over zijn afstamming de donorgegevens kan opvragen, de ouders tot openheid stimuleert. Een goede voorlichting en begeleiding van wensouders is daarom belangrijk om deze openheid te stimuleren.

Wij zijn van mening dat het werken met een twee lokettensysteem ­ een (anoniem) A-loket waar wensouders gebruik kunnen maken van sperma van een anonieme donor en een (bekend) B-loket waar wensouders terecht kunnen voor sperma van een donor die in de toekomst bekend zal zijn ­ en het donorpaspoort alsmede een goede voorlichting zowel van de wensouders en toekomstige donoren als van de publieke opinie de gewenste openheid kan verschaffen.

Mogelijke kritiek op deze regeling kan erin bestaan dat het vrijgeven door de donor van zijn anonimiteit steeds een momentopname is. Na verloop van tijd kan hij omwille van bepaalde redenen willen terugkomen op zijn beslissing, hetgeen niet meer mogelijk is. Vandaar dat de kandidaat-donor goed moet worden voorgelicht en begeleid bij het maken van een definitieve keuze.

Kunstmatige inseminatie met donorgameten vergt een bewuste keuze van zowel receptor als donor. Bij de screening van de receptor en haar partner moet daarom uitgebreid aandacht worden besteed aan alle psychosociale aspecten die verbonden zijn aan het niet-biologische ouderschap, zowel voor het donorkind als voor de wensouders. In het bijzonder moeten de voor- en nadelen van eventuele openheid dan wel geheimhouding en van het al dan niet opheffen van de anonimiteit (A- of B-donor) worden besproken.

Vice versa geldt dit ook voor de donor. De kandidaat-donor moet zich bewust zijn van zijn keuze, en hierin voorgelicht en begeleid worden.

Voorlichting over de familierechtelijke aspecten vereist een grote deskundigheid op het vlak van het familierecht, en daarom betrekt het centrum hier idealiter een deskundige bij.

TOELICHTING BIJ DE ARTIKELEN
Artikel 2 omvat de definities.

Artikel 3 formuleert het algemeen aanvaarde uitgangspunt dat donatie van gameten enkel kan worden verricht in het kader van een medisch begeleide bevruchting bij onvruchtbaarheid of indien er een ernstig risico op zware erfelijke aandoeningen is.

Krachtens artikel 4 kan donatie uitsluitend plaatsvinden in een centrum voor reproductieve geneeskunde, dat erkend is overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 15 februari 1999 tot vaststelling van de lijst van zorgprogramma's zoals bedoeld in artikel 9ter van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987 en tot aanduiding van de artikelen die op hen van toepassing zijn, van het koninklijk besluit van 15 februari 1999 houdende vaststelling van de normen om erkend te worden en het koninklijk besluit van 15 februari 1999 tot vaststelling van de programmatiecriteria die van toepassing zijn op het zorgprogramma's « reproductieve geneeskunde ».

Artikel 5 bepaalt dat donatie ten voordele van welbepaalde receptoren verboden is. Enige uitzondering hierop is de eventuele donatie van gameten van broers of zusters. Vermoedelijk zal dit zeker zo zijn bij eiceldonatie, waar de receptor zelf op zoek gaat naar een donor.

Wel gebeurt het dat spermabanken spermastalen van een donor apart bewaren voor een bepaald koppel. Het koppel wordt niet eigenaar van de donorgameten maar verwerft wel het exclusieve gebruik ervan.

Het spreekt voor zich dat elke techniek van eugenisme te allen tijde verboden blijft.

Artikel 6 bepaalt dat wie donormateriaal afstaat en degene ten behoeve van wie donormateriaal wordt aangewend met het oog op een medisch begeleide bevruchting voorafgaandelijk hun vrije en geïnformeerde toestemming moeten geven. Dit impliceert dat het centrum voor reproductieve geneeskunde deze personen duidelijk en volledig inlicht over de lichamelijke, psychische, familiale en sociale gevolgen van de donatie of de receptie. Bovendien moeten de donoren en receptoren grondig ingelicht worden over de bepalingen van deze wet.

Ingevolge artikel 7 is de toestemming van de kandidaat-donor voor donatie herroepbaar tot op het ogenblik van de effectieve afscheiding van de gameten.

Ook de Raad van Europa erkent dit recht van de donoren. Er kunnen persoonlijke redenen aan de basis liggen (bijvoorbeeld de donor wil zelf ouder worden), of externe factoren (bijvoorbeeld wijzigende wetgeving inzake anonimiteit).

Het tweesporenbeleid dat door artikel 8 wordt ingevoerd houdt in dat de kandidaat-donor bij de donatie aangeeft of het kind zijn persoonsidentificerende gegevens mag ontvangen. De wensouders op hun beurt bepalen of zij gebruik maken van het sperma van een donor wiens persoonsidentificerende gegevens aan het kind bekend gemaakt kunnen worden dan wel van een donor die te allen tijde anoniem wenst te blijven.

De artikelen 9 en 10 betreffen de vergoeding bij donatie van gameten.

Afstand van organen of weefsels mag niet met een winstoogmerk geschieden, ongeacht de partijen tussen dewelke hij plaatsheeft. De Koning kan echter wel regels vaststellen om een vergoeding toe te kennen aan de donor (cf. wet van 13 juni 1986 betreffende het wegnemen en transplanteren van organen, Belgisch Staatsblad van 14 februari 1987, gewijzigd bij wet van 17 februari 1987). Aangezien deze wet uitdrukkelijk niet van toepassing is op het gebruik van eicellen en sperma, wordt een gelijkaardige regeling ingeschreven in voorliggend wetsvoorstel.

Deze vergoeding dekt zowel de kosten als de inkomstenderving die het rechtstreekse gevolg zijn van de donatie.

De artikelen 11 en 13 regelen het verzamelen en bewaren van gegevens in het kader van een registratieprocedure.

Naar onze mening zijn er geen praktische bezwaren tegen deze centrale registratie. De wetgeving tot bescherming van het privé-leven en de wetgeving inzake medische geheimhouding spelen hier ten volle. Ook artikel 10 van het Verdrag over de rechten van de mens en de biogeneeskunde (Raad van Europa) waarborgt het recht op het privé-leven bij de behandeling van gezondheidsinformatie.

Momenteel bestaat er onduidelijkheid over de praktijk inzake het opslaan van donorgegevens. Uit zorgvuldigheidsoverwegingen en meer bepaald uit overwegingen van volksgezondheid is het aan te bevelen dat deze gegevens zo eenvoudig mogelijk achterhaald kunnen worden. Niet alleen in het belang van de betrokkenen maar ook om een betere kwaliteitsbewaking van de betrokken medische activiteit mogelijk te maken.

Artikel 12 geeft een opsomming van de drie categorieën gegevens die verzameld en bewaard worden :

­ de medische gegevens die van belang kunnen zijn voor een gezonde ontwikkeling van het kind;

­ de fysieke kenmerken, de opleiding en het beroep van de donor, evenals gegevens omtrent de sociale achtergrond en de persoonlijkheid van de donor;

­ de geslachtsnaam, voornamen, geboortedatum en woonplaats van de donor.

Krachtens artikel 14 kan de Koning nadere regels vastleggen inzake het verzamelen en bewaren van donorgegevens in het centrale opslagpunt.

De artikelen 15 en 16 regelen het verstrekken van de gegevens van de donor.

De algemene geheimhouding geldt voor iedereen die uit hoofde van zijn beroep kennis draagt van een medisch begeleide bevruchting.

Het aanwenden van medische gegevens van de donor wordt strikt gereglementeerd in artikel 16. Het verstrekken is uitsluitend toegestaan aan andere centra voor reproductieve geneeskunde en aan centra voor menselijke erfelijkheid. De huisarts die het kind behandelt kan deze medische gegevens verkrijgen op voorwaarde dat de gezondheid van het kind dit vereist. Het feit of wordt meegedeeld dat het kind verwekt is door kunstmatige inseminatie hangt ook hier af van de ouders.

De niet-persoonsidentificerende gegevens worden verstrekt op verzoek van het kind vanaf de leeftijd van twaalf jaar, waarbij de procedure via de ouders verloopt indien het kind nog niet de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt.

Het verstrekken van niet-persoonsidentificerende gegevens wijzigt in se niets aan de rol van de donor. Indien het vrijgeven van deze informatie het kind kan helpen met het invullen van het eerste hoofdstuk van zijn levensverhaal, dan is het aan te bevelen die informatie zo vlug mogelijk door te geven. Zulk een donorprofiel kan een goed hulpmiddel zijn voor het kind.

Het is de bedoeling dat de ouders van het kind zelf deze informatie kunnen opvragen tot het kind twaalf jaar is.

Ingevolge artikel 17 kunnen de persoonsidentificerende gegevens van de donor B op verzoek van het kind dat de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, worden verstrekt, mits schriftelijke toestemming van de donor B.

Het gaat hierbij immers uiteindelijk over kwetsbare belangen. Aan de ene kant is er de B-donor, die misschien zelf een gezin heeft. Aan de andere kant is er het kind dat zijn afstammingsgegevens wil kennen.

Is het drama dat het KID-kind te horen krijgt dat de donor toestemming weigert of dat het KID-kind te horen krijgt dat de donor onvindbaar is, niet veel groter dan het gegeven dat de afstammingsgegevens nooit bekend zullen worden, omdat ze er niet zijn ?

Er wordt in dit artikel uitgegaan van een naast elkaar zetten in het concrete geval van de belangen van de B-donor bij niet-verstrekking en die van het kind bij verstrekking van persoonsidentificerende gegevens. De belangen van het kind kunnen in het concrete geval en rekening houdend met alle omstandigheden ­ waaronder de belangen van de ouders ­ zo zwaar doorwegen dat de belangen van de donor moeten wijken. Het kind moet echter zijn belangen kunnen staven. Dat kan bijvoorbeeld door verklaringen van een psycholoog of psychiater.

De persoonsgegevens van een donor A zijn te allen tijde geheim en kunnen onder geen beding worden verstrekt.

Mia DE SCHAMPHELAERE.

--------------------------------------------------------------------------------

WETSVOORSTEL

--------------------------------------------------------------------------------

HOOFDSTUK 1
Algemeen
Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

HOOFDSTUK II
Definities
Art. 2

Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :

1º « medisch begeleide bevruchting » : de technieken voor de behandeling van menselijke onvruchtbaarheid, waarbij zowel menselijke gameten als embryo's worden behandeld;

2º « gameten » : zaadcellen respectievelijk eicellen;

3º « embryo » : de bevruchte menselijke eicel in haar eerste ontwikkelingsstadia, met name de eerste veertien dagen na de bevruchting, periode van invriezing niet inbegrepen;

4º « donatie » : het afstand doen van gameten of een embryo door een persoon of twee personen, donor(en) genaamd, met het oog op de aanwending van deze gameten door een man en/of een vrouw van een ander koppel, in het kader van een medisch begeleide bevruchting;

5º « donor » : de persoon die gameten of embryo's heeft afgestaan voor kunstmatige donorbevruchting;

6º « donor A » : donor die te allen tijde anoniem wil blijven;

7º « donor B » : donor wiens persoonsidentificerende gegevens verstrekt mogen worden;

8º « receptor » : de persoon ten behoeve van wie gameten of embryo's werden afgestaan voor een kunstmatige donorbevruchting;

9º « centra voor reproductieve geneeskunde » : centra die erkend zijn overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 15 februari 1999 tot vaststelling van de lijst van zorgprogramma's zoals bedoeld in artikel 9ter van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987 en tot aanduiding van de artikelen die op hen van toepassing zijn, van het koninklijk besluit van 15 februari 1999 houdende vaststelling van de normen waaraan de zorgprogramma's « reproductieve geneeskunde » moeten voldoen om erkend te worden en het koninklijk besluit van 15 februari 1999 tot vaststelling van de programmatiecriteria die van toepassing zijn op het zorgprogramma's « reproductieve geneeskunde ».

HOOFDSTUK III
Donatie van gameten
Art. 3

Onverminderd hetgeen bepaald is in artikel 6 kan donatie van gameten alleen worden verricht ten voordele van een derde koppel van wie hetzij één van beide hetzij beide partners onvruchtbaar zijn en de methoden ter behandeling van de onvruchtbaarheid met de eigen gameten tot geen enkel resultaat leiden of niet aangewezen zijn, of indien er een ernstig risico is op een zware erfelijke aandoening.

Art. 4

Donatie kan uitsluitend plaatsvinden in een centrum voor reproductieve geneeskunde.

Art. 5

Donatie ten voordele van welbepaalde receptoren is verboden, tenzij het gameten betreft van bloedverwanten van de tweede graad (broers/zussen).

Donatie kan niet worden aangewend om bepaalde karakteristieken bij het geplande kind te verkrijgen.

Art. 6

De personen ten behoeve van wie donorgameten of embryo's worden aangewend met het oog op een medisch begeleide bevruchting geven voorafgaandelijk hun vrije, geïnformeerde en schriftelijke toestemming. Hiertoe dienen zij voorafgaandelijk alle noodzakelijke informatie gekregen te hebben met betrekking tot :

1º de bepalingen van deze wet;

2º de richtlijnen die gehanteerd worden in het betrokken universitair ziekenhuis met betrekking tot de bewaring, het beheer en de verstrekking van de donorgegevens.

Art. 7

De toestemming tot donatie moet vrij en bewust worden gegeven. Zij is herroepbaar tot op het moment van effectieve afscheiding van de gameten.

Art. 8

De donor bepaalt op het ogenblik van de donatie of hij als een donor A of een donor B wil beschouwd worden.

De receptor bepaalt voorafgaandelijk aan de aanwending van donorgameten of -embryo's voor een medisch begeleide bevruchting of hij gebruik wil maken van door een donor A of een donor B afgestane gameten.

HOOFDSTUK IV
Vergoeding van de donor
Art. 9

Donatie mag niet met enig winstoogmerk geschieden, ongeacht de partijen tussen welke zij plaats
heeft.

Art. 10

Onverminderd de bepaling van artikel 9 van deze wet stelt de Koning de regelen vast om een vergoeding aan de donor toe te kennen. Deze vergoeding dekt zowel de onkosten als de inkomstenderving die het rechtstreeks gevolg zijn van de donatie.

HOOFDSTUK V
Het verzamelen, het bewaren en het verstrekken van gegevens bij de donatie van gameten en embryo's
AFDELING 1
Verzamelen en bewaren van donorgegevens bij kunstmatige inseminatie
Art. 11

Onverminderd de toepassing van de wet van 8 december 1992 betreffende de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, en inzonderheid artikel 7, verzamelt het centrum voor reproductieve geneeskunde de hierna bepaalde gegevens van elke donor en stelt ze ter beschikking van een centraal opslag- en bewaarpunt.

Art. 12

De in artikel 11 bedoelde gegevens omvatten :

1º de medische gegevens die van belang kunnen zijn voor een gezonde ontwikkeling van het kind;

2º de fysieke kenmerken, de opleiding en het beroep van de donor, evenals gegevens omtrent de sociale achtergrond en de persoonlijkheid van de donor;

3º de familienaam, voornamen, geboortedatum en woonplaats van de donor.

Art. 13

De in artikel 12 vermelde gegevens worden bewaard in een centraal opslag- en verzamelpunt gedurende tachtig jaar na de dag van ontvangst.

Art. 14

De Koning stelt nadere regels vast aangaande het verzamelen en het bewaren van donorgegevens in een centraal opslag- en bewaarpunt.

AFDELING 2
Verstrekken van gegevens
Art. 15

Eenieder die uit hoofde van zijn beroep kennis draagt van medisch begeleide bevruchting is ertoe gehouden dit feit, evenals de identiteit van de donor geheim te houden. In geen geval mag de identiteit van de donor en van de receptor worden meegedeeld aan derden.

Art. 16

§ 1. De in artikel 12, 1º, vermelde medische gegevens van donoren worden verstrekt :

­ aan de andere centra voor reproductieve geneeskunde en de centra voor menselijke erfelijkheid;

­ aan de huisarts van de persoon die verwekt is ten gevolge van medisch begeleide bevruchting met donorgameten, voor zover de gezondheid van de betrokkene het vereist.

§ 2. De overige niet-persoonsidentificerende gegevens van de donor, vermeld in artikel 12, 2º, worden op verzoek van het kind van twaalf jaar of ouder dat weet of vermoedt dat het via medisch begeleide bevruchting met donorgameten is verwekt, aan hem of haar verstrekt.

Als het kind nog niet de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, worden de gegevens via de ouders aan het kind verstrekt.

Art. 17

§ 1. De persoonidentificerende gegevens van de donor B, vermeld in artikel 12, 3º, worden op verzoek van het kind dat de volle leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, verstrekt, indien de donor vooraf schriftelijk met deze verstrekking instemt.

Als de donor B niet instemt met deze verstrekking of indien de instemming moet geacht worden te zijn geweigerd, kan de rechter oordelen om de gegevens toch te verstrekken na een gemotiveerde afweging van de belangen van het kind bij verstrekking en van de donor bij niet-verstrekking, alle omstandigheden in acht genomen.

Tegen een beslissing tot verstrekking kan in beroep gegaan worden.

§ 2. De persoonsidentificerende gegevens van een donor A kunnen onder geen enkel beding worden verstrekt.

9 maart 2004.

Mia DE SCHAMPHELAERE
Hugo VANDENBERGHE
Sabine de BETHUNE



Terug naar het overzicht