Wetsvoorstel
30-10-2003

Sabine de Bethune - Mia De Schamphelaere - Hugo Vandenberghe - Luc Van den Brande - Stefaan De Clerck - Etienne Schouppe

Voorstel van basiswet gevangeniswezen en rechtspositie van gedetineerden (3-294)

TOELICHTING

--------------------------------------------------------------------------------

Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 17 juli 2001 in de Kamer van volksvertegenwoordigers werd ingediend (stuk Kamer, nr. 50-1365/1).

Het strekt ertoe om een eigentijdse wettelijke kaderregeling in te voeren voor de interne rechtspositie (dit is de rechtspositie tijdens de vrijheidsbeneming « binnen de muren » van de gevangenis) van gedetineerde veroordeelden en gedetineerde verdachten, beklaagden en beschuldigden. Het bepaalt tevens de daarmee samenhangende werkingsbeginselen voor het gevangeniswezen. Deze materies waren tot op heden slechts op uiterst marginale wijze verankerd in parlementaire wetgeving en is ­ anders dan men rechtens zou mogen verwachten ­ bijna uitsluitend een aangelegenheid gebleven van de uitvoerende macht en de penitentiaire administratie.

De in dit wetsvoorstel uitgewerkte regeling is opgesteld naar de geest van de Europese Gevangenisregels, die in 1987 het kader van de Raad van Europa werden aangenomen, en van tal van andere aanbevelingen van de Raad van Europa. Het geeft ook nadere invulling in detentiecontexten van de in België geldende mensenrechtenverdragen.

De voorgestelde wet omvat negen titels. Titel I. Algemene bepalingen; Titel II. Basisbeginselen; Titel III. Gevangenissen (indeling en bestemming, huishoudelijk reglement, plaatsing, overplaatsing, onthaal van gedetineerden en toezicht op de gevangenissen); Titel IV. Detentieplanning; Titel V. Levensvoorwaarden in de gevangenissen (materiële levensvoorwaarden, samenlevingsvoorwaarden, contacten met de buitenwereld, godsdienst en levensbeschouwing, vormingsactiviteiten en vrijetijdsbesteding, arbeid, gezondheidszorg, gezondheidsbescherming en medische expertise, sociale hulp- en dienstverlening, rechtshulpverlening en juridische bijstand); Titel VI. Orde, veiligheid en gebruik van dwang; Titel VII. Tuchtregime; Titel VIII. Afhandeling van klachten en van bezwaar tegen plaatsing of overplaatsing; Titel IX. Opheffingsbepalingen en wijzigingsbepalingen.

Het wetsvoorstel is gekenmerkt door een rechtspositionele benadering, die zelf deel uitmaakt van en inhoudelijk nader uitgewerkt wordt vanuit hedendaagse penologische inzichten. Het wordt gedragen door een aantal basisbeginselen die de gehele uitwerking van de rechtspositieregeling van de gedetineerden dooraderen : legaliteitsbeginsel, schadebeperkingsbeginsel, normaliseringsbeginsel, responsabiliseringsbeginsel en participatiebeginsel.

De teksten van dit wetsvoorstel werden voorbereid door een bij koninklijk besluit van 25 november 1997 opgerichte commissie « Basiswet gevangeniswezen en rechtspositie van gedetineerden », waarvan het eindverslag op 5 juli 2000 aan de commissie voor de justitie van de Kamer van volksvertegenwoordigers ter bespreking werd overhandigd (DOC 50 1076/1).

Het Belgisch penitentiair recht wordt tot op heden gekenmerkt door een gebrek aan afdoende wettelijke basis. Aan de uitvoering van de vrijheidsstraffen en de rechtspositie van de gedetineerden wordt immers voornamelijk door de uitvoerende macht en de penitentiaire administratie inhoud gegeven.

Er is dan ook dringend nood aan een wettelijke regeling van deze materie met een duidelijke bepaling van de rechten en plichten van gedetineerden en van de doelstellingen bij de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen.

Om die redenen werd in de Oriëntatienota « Strafbeleid en Gevangenisbeleid » van juni 1996 van de toenmalige minister van Justitie, Stefaan De Clerck, de redactie van een voorontwerp van beginselenwet gevangeniswezen in het vooruitzicht gesteld.

Het was professor doktor Lieven Dupont die de opdracht kreeg een voorontwerp van beginselenwet gevangeniswezen en tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende sancties op te stellen. Professor doktor Dupont was met zijn tekst klaar in september 1997.

Aansluitend bij het voorstel van professor doktor Dupont werd bij koninklijk besluit van 25 november 1997 de commissie Basiswet gevangeniswezen en rechtspositie van gedetineerden opgericht, onder voorzitterschap van professor doktor Dupont.

Deze commissie had tot taak : ten eerste, het voorontwerp uit te breiden tot de categorie van verdachten, beklaagden en beschuldigden, ten tweede, de consultatie van de betrokken actoren voor te bereiden, te organiseren en uit te voeren en ten derde, de mogelijkheden tot instelling van strafuitvoeringsrechtbanken te onderzoeken.

De commissie rondde haar rapport af op 28 februari 2000.

Op woensdag 5 juli 2000 werden in de Commissie voor de Justitie van de Kamer de eindresultaten van de Commissie « Basiswet gevangenissen en (interne) rechtspositie van gedetineerden » aan de minister van Justitie overhandigd.

Het eindverslag bevatte een algemene memorie van toelichting, inclusief een artikelsgewijze bespreking, het voorontwerp van wet en een conceptnota betreffende de externe rechtspositie van veroordeelde gedetineerden en de instelling van penitentiaire rechtbanken.

De minister gaf dit eindverslag voor behandeling door aan de voorzitter van de commissie voor de Justitie eerder dan het uitgebreide ontwerp eerst nog binnen de schoot van de Regering te bespreken.

Het gezag van het Parlement moet op basis van het hoogstaand advies van de commissie Dupont ten volle kunnen spelen.

Met dit uitgangspunt voor ogen werd het voorontwerp van basiswet gevangenissen en interne rechtspositie van gedetineerden als wetsvoorstel door de verslaggevers van Parys en Decroly uitgewerkt en wordt als dusdanig in zijn geheel ingediend.

Door deze initiatieven is dan ook een eerste stap gezet in een parlementair wetgevingsproces dat er uiteindelijk zal moeten toe leiden dat uitsluitsel wordt gebracht over de rechtspositie van de gedetineerden.

Voor het overige wordt verwezen naar het eindverslag van de commissie « basiswet gevangeniswezen en rechtspositie van gedetineerden », DOC 50 1076/1.

Stefaan DE CLERCK.
Hugo VANDENBERGHE.
Sabine de BETHUNE.
Mia DE SCHAMPHELAERE.

--------------------------------------------------------------------------------

INHOUD
Titel I
Algemene bepalingen
Titel II
Basisbeginselen
Hoofdstuk I
Algemene basisbeginselen
Hoofdstuk II
Basisbeginselen van toepassing op specfieke categorieën van gedetineerden
Afdeling I. ­ Veroordeelden
Afdeling II. ­ Verdachten
Titel III
Gevangenissen
Hoofdstuk I
Indeling en bestemming
Hoofdstuk II
Huishoudelijk reglement
Hoofdstuk III
Plaatsing, overplaatsing en onthaal
Hoofdstuk IV
Toezicht
Afdeling I. ­ Algemene bepalingen
Afdeling II. ­ Centrale Toezichtsraad voor het gevageniswezen
Afdeling III. ­ Commissies voor toezicht
Hoofdstuk V
Toegang tot de gevangenissen
Titel IV
Detentieplanning
Hoofdstuk I
Onderzoek naar personen en de levenssituatie van de veroordeelde
Hoofdstuk II
Individueel detentieplan
Titel V
Levenswoordwaarden in de gevangenis
Hoofdstuk I
Materiële levensvoorwaarden
Hoofdstuk II
Samenlevingsvoorwaarden
Afdeling I. ­ Algemeen
Afdeling II. ­ Gemeenschapsregime
Afdeling III. ­ Regime van beperkte gemeenschap
Afdeling IV. ­ Bijzondere bepaling voor verdachten
Hoofdstuk III
Contacten met de buitenwereld
Afdeling I. ­ Algemeen beginsel
Afdeling II. ­ Briefwisseling
Afdeling III. ­ Bezoeken
Afdeling IV. ­ Gebruik van de telefoon
Afdeling V. ­ Contacten met de media
Afdeling VI. ­ Modulering van het regime van verdachten in functie van de noodwendigheid van het onderzoek
Hoofdstuk IV
Godsdienst en levensbeschouwing
Hoofdstuk V
Vormingsactiviteiten en vrijetijdsbesteding
Hoofdstuk VI
Arbeid
Afdeling I. ­ Algemene bepalingen
Afdeling II. ­ Inkomsten uit arbeid
Hoofdstuk VII
Gezondheidszorg, gezondheidsbescherming en medische expertise
Afdeling I. ­ Gezondheidszorg
Afdeling II. ­ Gezondheidsbescherming
Afdeling III. ­ Medische expertise
Hoofdstuk VIII
Sociale hulp- en dienstverlening
Hoofdstuk IX
Rechtshulpverlening en juridische bijstand
Titel VI
Orde, veiligheid en gebruik van dwang
Hoofdstuk I
Algemene beginselen
Hoofdstuk II
Algemene gedragsvoorschriften
Hoofdstuk III
Controle en veiligheidsmaatregelen
Afdeling I. ­ Controlemaatregelen
Afdeling II. ­ Bijzondere veiligheidsmaatregelen
Afdeling III. ­ Plaatsing in een individueel bijzonder veiligheidsregime
Hoofdstuk IV
Maatregelen van rechtstreekse dwang
Titel VII
Tuchtregime
Hoofdstuk I
Algemene bepalingen
Hoofdstuk II
Tuchtrechtelijke inbreuken
Hoofdstuk III
Tuchtsancties
Afdeling I. ­ Algemene tuchtsancties
Afdeling II. ­ Bijzondere tuchtsancties
Afdeling III. ­ Opsluiting in een strafcel
Afdeling IV. ­ Afzondering op de eigen cel
Hoofdstuk IV
De toemeting van tuchtsancties
Hoofdstuk V
De tuchtprocedure
Titel VIII
Afhandeling van klachten en van bezwaar tegen plaatsing of overplaatsing
Hoofdstuk I
Beklag
Hoofdstuk II
Hoger beroep tegen de uitspraak van de Beklagcommissie
Hoofdstuk III
Bezwaar tegen plaatsing of overplatsing en beroep tegen de beslissing op bezwaarschrift
Titel IX
Opheffingsbepalingen en wijzigingsbepalingen
Hoofdstuk I
Opheffingsbepalingen
Hoofdstuk II
Bepalingen tot wijziging van het Strafwetboek
Hoofdstuk III
Bepalingen tot wijziging van het Wetboek van strafvordering
Hoofdstuk IV
Bepalingen tot wijziging van de wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling en tot wijziging van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen de abnormalen en de gewoontemisdadigers, vervangen door de wet van 1 juli 1964
Hoofdstuk V
Slotbepaling

--------------------------------------------------------------------------------

TITEL 1
Algemene bepalingen
Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Deze wet heeft betrekking op de uitvoering van veroordelingen tot vrijheidsstraffen die in kracht van gewijsde zijn gegaan en op de uitvoering van vrijheidsbenemende maatregelen.

Art. 3

Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :

1º Minister : de minister van Justitie;

2º vrijheidsstraf : opsluiting, hechtenis, gevangenisstraf, militaire gevangenisstraf, vervangende gevangenisstraf en de internering van ter beschikking van de regering gestelde recidivisten, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten, gelast door de minister van Justitie op grond van artikel 25bis van de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten, ingevoegd bij artikel 1 van de wet van 17 juli 1990 en gewijzigd bij artikel 16, § 5 van de wet van 5 maart 1998;

3º vrijheidsbenemende maatregel : de vrijheidsbeneming op grond van een titel gebaseerd op de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis met uitsluiting van titel I, hoofdstuk I « De aanhouding » en hoofdstuk II « Het bevel tot medebrenging »;

4º gedetineerde : persoon ten aanzien van wie de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of van een vrijheidsbenemende maatregel geheel of gedeeltelijk plaatsvindt in een gevangenis;

5º veroordeelde : gedetineerde ten aanzien van wie een veroordeling tot een vrijheidsstraf werd uitgesproken die in kracht van gewijsde is gegaan;

6º verdachte : gedetineerde die het voorwerp uitmaakt van een strafrechtelijke vervolging en ten aanzien van wie geen veroordeling werd uitgesproken die in kracht van gewijsde is gegaan, zowel de verdachte die nog niet naar het vonnisgerecht werd verwezen, als de beklaagde en de beschuldigde;

7º orde : een toestand waarin de gedragsregels worden nageleefd die noodzakelijk zijn voor het tot stand brengen of de handhaving van een menswaardig samenlevingsklimaat in de gevangenis;

8º veiligheid : interne en externe veiligheid;

9º interne veiligheid : een toestand waarbij in de gevangenis de fysieke integriteit van personen gevrijwaard wordt en waarin roerende of onroerende goederen geen gevaar lopen van wederrechtelijke beschadiging, vernieling of ontvreemding;

10º externe veiligheid : toestand waarbij de samenleving beschermd wordt door middel van de verzekerde bewaring van gedetineerden en door het voorkomen van misdrijven die zouden gepleegd kunnen worden vanuit de gevangenis;

11º penitentiaire administratie : openbaar bestuur belast met de uitvoering van veroordelingen tot vrijheidsstraffen en van vrijheidsbenemende maatregelen waarvan de bevoegde overheid de uitvoering heeft gevorderd;

12º directeur-generaal : ambtenaar verantwoordelijk voor het algemeen bestuur van de penitentiaire administratie;

13º directeur : ambtenaar belast met het lokaal bestuur van één of meer gevangenissen.

14º gevangenis : een door de Koning aangewezen inrichting bestemd voor de tenuitvoerlegging van veroordelingen tot een vrijheidsstraf en van vrijheidsbenemende maatregelen;

15º strafinrichting : een door de Koning specifiek aangewezen gevangenis bestemd voor de tenuitvoerlegging van veroordelingen tot een vrijheidsstraf;

16º arresthuis : een door de Koning specifiek aangewezen gevangenis bestemd voor de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende maatregelen;

17º afdeling : een onderdeel van een gevangenis met een bijzondere bestemming.

TITEL II
Basisbeginselen
HOOFDSTUK I
Algemene basisbeginselen
Art. 4

Behoudens de door of krachtens de wet bepaalde uitzonderingen wordt een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel ten uitvoer gelegd door de insluiting in een gevangenis van de persoon ten aanzien waarvan deze straf of maatregel is uitgesproken.

Art. 5

§ 1. De vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel wordt ten uitvoer gelegd in psychosociale, fysieke en materiële omstandigheden die de waardigheid van de mens eerbiedigen, die het behoud of de groei van het zelfrespect van de gedetineerde mogelijk maken en die hem aanspreken op zijn individuele en sociale verantwoordelijkheid.

§ 2. Bij de uitvoering van de vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt er zorg voor gedragen dat de interne en externe veiligheid wordt gevrijwaard.

Art. 6

§ 1. De gedetineerde wordt aan geen andere beperkingen van zijn politieke, burgerlijke, sociale, economische of culturele rechten onderworpen dan deze die uit de strafrechtelijke veroordeling of uit de vrijheidsbenemende maatregel voortvloeien, deze die onlosmakelijk met de vrijheidsbeneming verbonden zijn en deze die door of krachtens de wet worden bepaald.

§ 2. Bij de uitvoering van de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel dient detentieschade zoveel mogelijk voorkomen te worden.

Art. 7

In elke gevangenis wordt een klimaat van overleg nagestreefd en wordt een overlegorgaan ingesteld teneinde de gedetineerden in de gelegenheid te stellen inspraak te hebben in aangelegenheden van gemeenschappelijk belang die voor hun medewerking in aanmerking komen.

HOOFDSTUK II
Basisbeginselen van toepassing op specifieke categorieën van gedetineerden
AFDELING I
Veroordeelden
Art. 8

§ 1. Het strafkarakter van de vrijheidsstraf bestaat in het geheel of gedeeltelijk verlies van de vrijheid van komen en gaan en de daarmee onlosmakelijk verbonden vrijheidsbeperkingen.

§ 2. De tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf wordt dienstbaar gemaakt aan het herstel van het door het misdrijf aan de slachtoffers aangedaan onrecht, aan de rehabilitatie van de veroordeelde en aan de tijdige en geïndividualiseerde voorbereiding van zijn reïntegratie in de vrije samenleving.

§ 3. De veroordeelde wordt in de gelegenheid gesteld constructief mee te werken aan de realisering van het individueel detentieplan, bedoeld in Titel IV, Hoofdstuk II, dat wordt opgesteld in het perspectief van een schadebeperkende, op herstel en op reïntegratie gerichte en veilige uitvoering van de vrijheidsstraf.

AFDELING II
Verdachten
Art. 9

§ 1. Verdachten worden geacht onschuldig te zijn zolang zij niet veroordeeld zijn door een veroordeling die in kracht van gewijsde is gegaan.

§ 2. Bij de omgang met verdachten moet elke schijn vermeden worden dat hun vrijheidsbeneming het karakter heeft van straf.

Art. 10

Behoudens wanneer zij met het oog op de deelname aan gemeenschappelijk georganiseerde activiteiten met het tegendeel instemmen, worden verdachten in verzekerde bewaring gehouden, gescheiden van de veroordeelden.

Art. 11

Onverminderd de eisen voor hun verzekerde bewaring, dient aan de verdachten de nodige faciliteiten gegeven te worden om hun rechten van verdediging zo goed mogelijk te behartigen in de rechtsprocedure waarin zij betrokken zijn.

Art. 12

§ 1. Bij de uitvoering van de vrijheidsbenemende maatregel wordt er zorg voor gedragen, door een daartoe aangepast bejegeningsregime, de verdachte zoveel mogelijk te behoeden voor de schadelijke effecten van de vrijheidsbeneming.

§ 2. Behoudens de rechten die hen door deze wet worden toegekend, worden aan verdachten alle faciliteiten verleend die verenigbaar zijn met de orde en de veiligheid, en met de beperkingen opgelegd door het strafprocesrecht.

TITEL III
Gevangenissen
HOOFDSTUK I
Indeling en bestemming
Art. 13

De Koning deelt de gevangenissen in volgens hun bestemming. Hij kan de gevangenissen indelen volgens andere criteria dan volgens hun bestemming.

Art. 14

§ 1. De Koning bepaalt de bestemming van de gevangenissen. Hij kan één of meerdere delen van een gevangenis aanwijzen als een afdeling met een bijzondere bestemming.

§ 2. Onverminderd andere aan gevangenissen te geven bestemmingen, wijst de Koning gevangenissen of afdelingen van gevangenissen aan die specifiek bestemd zijn voor de onderbrenging van :

1º verdachten;

2º vrouwelijke gedetineerden;

3º gedetineerden die samen met hun nog niet leerplichtig kind in de gevangenis worden opgenomen;

4º veroordeelden tot criminele straffen of tot een correctionele straf van tenminste vijf jaar of tot één of meerdere correctionele straffen die gezamenlijk tenminste de duur van vijf jaar bereiken;

5º gedetineerden die, gelet op hun leeftijd, hun lichamelijke of geestelijke gezondheidstoestand, een bijzondere opvang behoeven;

6º veroordeelden die worden toegelaten tot een bijzondere modaliteit van strafuitvoering.

Art. 15

§ 1. De Koning bepaalt de maximale bezettingscapaciteit van elke gevangenis of afdeling ervan.

Bij het vaststellen van de maximumcapaciteit wordt rekening gehouden, naargelang de bestemming van de gevangenis of van de afdeling, met de behoeften aan verblijfsruimtes, zoals bedoeld in artikel 41.

§ 2. De door de Koning bepaalde maximumcapaciteit van een strafinrichting of van een afdeling mag niet overschreden worden.

Wanneer niet gewaarborgd kan worden dat de uitvoering van de vrijheidsstraffen plaatsvindt met eerbiediging van het bepaalde in § 1, kan, wanneer redenen van openbare veiligheid zich daar niet tegen verzetten, op grond van daartoe specifiek door het College van Procureurs-generaal uitgewerkte criteria, beslist worden dat vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbaar totaal maximaal één jaar bedraagt en waarvan de uitvoering nog niet is aangevangen, niet worden uitgevoerd dan wel plaatsvinden onder een andere bijzondere modaliteit van strafuitvoering dan insluiting.

De minister brengt, in voorkomend geval, jaarlijks verslag uit aan de Senaat en de Kamer van Volksvertegenwoordigers over bij toepassing van het vorig lid genomen uitzonderingsmaatregelen, met toelichting van de omstandigheden die daartoe aanleiding hebben gegeven en met verantwoording van de criteria op grond waarvan deze maatregelen werden genomen.

HOOFDSTUK II
Huishoudelijk reglement
Art. 16

§ 1. In iedere gevangenis wordt door de directeur een huishoudelijk reglement opgesteld in aanvulling op de bij of krachtens deze wet gestelde regels.

§ 2. De huishoudelijke reglementen van de gevangenissen worden opgesteld overeenkomstig de desbetreffend door de minister gegeven instructies en conform het door hem vastgestelde model.

§ 3. De huishoudelijke reglementen worden ter goedkeuring aan de minister voorgelegd.

§ 4. Een exemplaar van het huishoudelijk reglement wordt ter beschikking gesteld van de gedetineerden.

HOOFDSTUK III
Plaatsing, overplaatsing en onthaal
Art. 17

De gedetineerden worden geplaatst in een gevangenis of afdeling dan wel overgeplaatst naar een gevangenis of afdeling, rekening houdend met de bestemming ervan zoals bepaald in artikel 14, en voor de veroordeelden mede rekening houdend met de individuele detentieplanning.

Art. 18

§ 1. Onverminderd andersluidende wettelijke bepalingen wordt over de plaatsing of overplaatsing van gedetineerden beslist door ambtenaren van de penitentiaire administratie die daartoe door de directeur-generaal worden aangewezen.

§ 2. Tegen een beslissing tot plaatsing of overplaatsing door de in § 1 bedoelde ambtenaren kan een bezwaar worden ingediend, zoals bepaald in titel VIII, hoofdstuk III.

§ 3. De Koning stelt de nadere regels voor de plaatsing en de overplaatsing van gedetineerden.

Art. 19

§ 1. De Koning stelt de regels vast voor het onthaal van de gedetineerde in de gevangenis of in een afdeling ervan.

§ 2. De in § 1 bedoelde regels dienen minimaal te waarborgen dat de gedetineerde bij zijn onthaal, in een voor hem verstaanbare taal, geïnformeerd wordt over zijn rechten en plichten, over de in de gevangenis of afdeling geldende regels, over de rol van het personeel en over de aldaar bestaande of van daaruit toegankelijke mogelijkheden van medische, juridische, psychosociale, familiale hulpverlening, van morele, levensbeschouwelijke of godsdienstige ondersteuning en van maatschappelijke hulp- en dienstverlening.

HOOFDSTUK IV
Toezicht
AFDELING I
Algemene bepaling
Art. 20

Onverminderd de door of krachtens de wet bepaalde opdrachten of machtigingen tot inspectie, controle of toezicht door gerechtelijke, administratieve of andere overheden, wordt toezicht gehouden op de gevangenissen en op de bejegening van de gedetineerden, door de centrale toezichtsraad voor het gevangeniswezen en door de Commissies van toezicht.

AFDELING II
Centrale toezichtsraad voor het gevangeniswezen
Art. 21

§ 1. Er wordt voor heel België een centrale toezichtsraad voor het gevangeniswezen opgericht, hierna de centrale raad genoemd.

§ 2. De centrale raad bestaat uit een door de Koning vastgesteld aantal leden, die door Hem worden benoemd en ontslagen en waarvan één lid wordt aangewezen als voorzitter en één lid als ondervoorzitter.

De leden worden benoemd op grond van hun deskundigheid of ervaring met betrekking tot de taken die krachtens de artikelen 22 en 23 aan de centrale raad worden toevertrouwd.

Minstens één lid van de centrale raad is een werkend lid van de zittende magistratuur.

§ 3. Het secretariaat van de centrale raad wordt waargenomen door rijksambtenaren aangewezen door de minister.

§ 4. De centrale raad stelt zijn huishoudelijk reglement op.

Art. 22

De Centrale Raad heeft tot taak :

1º een onafhankelijk toezicht te houden op de gevangenissen, op de bejegening van de gedetineerden en op de naleving van de hen betreffende voorschriften;

2º aan de minister, hetzij ambtshalve, hetzij op zijn verzoek, advies te verlenen over het gevangeniswezen en de uitvoering van vrijheidsstraffen en vrijheidsbenemende maatregelen;

3º de werking van de Commissies van toezicht te coördineren en te ondersteunen;

4º jaarlijks een verslag op te stellen betreffende de gevangenissen en de bejegening van gedetineerden;

5º de overige activiteiten te verrichten die hem door of krachtens de wet worden opgedragen.

Art. 23

§ 1. De centrale raad stelt uit zijn leden een beroepscommissie van drie leden samen, voorgezeten door een werkend lid van de zittende magistratuur.

§ 2. De beroepscommissie is belast met de behandeling van de beroepschriften tegen de uitspraken van de beklagcommissies en van de beroepschriften tegen beslissingen op bezwaarschrift tegen plaatsing of overplaatsing, zoals bepaald in titel VIII, hoofdstukken II en III.

§ 3. Een lid van de centrale raad neemt geen deel aan de behandeling van een beroepschrift indien hij in een andere hoedanigheid dan als lid van de centrale raad bij een zaak van de gedetineerde betrokken is geweest.

Art. 24

§ 1. Voor zover dit voor de uitoefening van de taken omschreven in de artikelen 22 en 23 noodzakelijk is, hebben de leden van de Centrale Raad vrije toegang tot alle plaatsen in de gevangenissen en hebben zij het recht om ter plaatse, behoudens wettelijk bepaalde uitzonderingen, alle op de gevangenis betrekking hebbende boeken en bescheiden in te zien, met inbegrip van het register van de tuchtstraffen, en mits instemming van de gedetineerde van alle stukken die individuele gegevens bevatten van de gedetineerde.

§ 2. Zij hebben het recht zonder controle briefwisseling te voeren met de gedetineerden en zonder toezicht in contact te treden met hen.

Art. 25

§ 1. De Koning stelt nadere regels met betrekking tot de centrale raad.

§ 2. Hij regelt inzonderheid de samenstelling en de benoeming van de leden van de centrale raad, de samenstelling en de aanwijzing van de leden van de beroepscommissie, de werking van de centrale raad en van de beroepscommissie en Hij stelt regels voor de opstelling van het huishoudelijke reglement van de centrale raad.

§ 3. Hij stelt de onverenigbaarheden vast met het lidmaatschap van de centrale raad en de beroepscommissie.

§ 4. Hij regelt de vergoeding van de kosten aan de leden van de centrale raad en Hij kan een vergoeding toekennen voor hun werkzaamheden waarvan hij de regels van toekenning en het bedrag vaststelt.

AFDELING III
Commissies van toezicht
Art. 26

§ 1. Bij iedere gevangenis wordt door de minister een Commissie van toezicht opgericht.

§ 2. Elke Commissie van toezicht bestaat uit een door de minister vastgesteld aantal leden waarvan door hem één lid wordt aangewezen als voorzitter en één lid als ondervoorzitter.

De leden worden door de minister benoemd na de voorzitter van de Commissie van toezicht en de centrale raad daarover gehoord te hebben. De leden worden benoemd op grond van hun deskundigheid of ervaring met betrekking tot de taken die krachtens de artikelen 27 en 28 aan de commissies worden toevertrouwd.

Minstens één lid van de Commissie van toezicht is een werkend lid van de zittende magistratuur.

§ 3. Het secretariaat van de Commissie van toezicht wordt waargenomen door rijksambtenaren aangewezen door de minister.

§ 4. De Commissie van toezicht stelt haar huishoudelijk reglement op dat ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de centrale raad.

Art. 27

De Commissie van toezicht heeft tot taak :

1º een onafhankelijk toezicht te houden op de gevangenis bij dewelke zij is opgericht, op de bejegening van de gedetineerden en op de naleving van de hen betreffende voorschriften;

2º aan de minister en aan de centrale raad, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek, advies en inlichtingen te geven betreffende aangelegenheden in de gevangenis die rechtstreeks of onrechtstreeks met het welzijn van de gedetineerden verband houden en voorstellen te doen die zij gepast acht;

3º te bemiddelen tussen de directeur en de gedetineerden indien haar informeel klachten ter kennis worden gebracht;

4º jaarlijks een verslag betreffende de gevangenis en de bejegening van gedetineerden op te stellen;

5º de overige activiteiten te verrichten die haar bij of krachtens de wet worden opgedragen.

Art. 28

§ 1. De Commissie van toezicht stelt uit haar leden een Beklagcommissie van drie leden samen, voorgezeten door een werkend lid van de zittende magistratuur.

§ 2. De Beklagcommissie is belast met de behandeling van de klaagschriften, zoals bepaald in titel VIII, hoofdstuk I.

§ 3. Een lid van de Beklagcommissie neemt geen deel aan de behandeling van een klaagschrift, indien hij voorafgaand aan de beklagprocedure heeft bemiddeld terzake van de beslissing waarop het klaagschrift betrekking heeft of in een andere hoedanigheid dan als lid van de Commissie van toezicht bij een zaak van de gedetineerde betrokken is geweest.

Art. 29

§ 1. De Commissie van toezicht duidt onder haar leden één of meerdere maandcommissarissen aan die, per beurtrol, in die hoedanigheid minstens eenmaal per week de gevangenis bezoeken, inzonderheid met het oog op de uitoefening van de taken bepaald in artikel 27, 1º en 3º.

§ 2. De maandcommissarissen houden wekelijks een spreekuur behoeve van de gedetineerden.

Art. 30

§ 1. Voor zover dit voor de uitoefening van de taken omschreven in de artikelen 27 en 28 noodzakelijk is, hebben de leden van de Commissie van toezicht vrije toegang tot alle plaatsen in de gevangenis en hebben zij het recht om ter plaatse, behoudens wettelijk bepaalde uitzonderingen, alle op de gevangenis betrekking hebbende boeken en bescheiden in te zien, met inbegrip van het register van de tuchtstraffen en, mits instemming van de gedetineerde, van alle stukken die individuele gegevens bevatten van de gedetineerde.

§ 2. Zij hebben het recht zonder controle briefwisseling te voeren met de gedetineerden en zonder toezicht in contact te treden met hen.

§ 3. Op vraag van de voorzitter van de Commissie van toezicht doet de directeur verslag van de incidenten in de gevangenis.

Art. 31

§ 1. De Koning stelt nadere regels met betrekking tot de Commissies van toezicht.

§ 2. Hij regelt inzonderheid de samenstelling en de benoeming van de leden van de Commissies van toezicht, de samenstelling en de aanwijzing van de leden van de Beklagcommissie, de werking van de Commissies van toezicht en de Beklagcommissies en Hij stelt regels voor de opstelling van het huishoudelijke reglement van de Commissies van toezicht.

§ 3. Hij stelt de onverenigbaarheden met het lidmaatschap van de Commissie van toezicht en de Beklagcommissie vast.

§ 4. Hij regelt de vergoeding van de kosten aan de leden van de Commissie van toezicht en Hij kan een vergoeding toekennen voor hun werkzaamheden waarvan Hij de regels van toekenning en het bedrag vaststelt.

HOOFDSTUK V
Toegang tot de gevangenis
Art. 32

§ 1. De leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat, de Vlaamse Raad, de Raad van de Franse Gemeenschap, de Raad van het Waalse Gewest, de Raad van de Duitstalige Gemeenschap en de Raad van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest hebben toegang tot de gevangenissen door van hun hoedanigheid te doen blijken.

§ 2. Om een bewoonde verblijfsruimte te betreden of om in contact te treden met bepaalde gedetineerden is een bijzondere toelating van de minister vereist.

§ 3. Deze bezoekers worden vergezeld door de directeur of door het personeelslid dat hij aanwijst.

Art. 33

Behoudens andersluidende wettelijke bepalingen stelt de Koning, in aanvulling bij deze wet, de regels vast voor de toegang tot de gevangenissen :

1º voor personen of instanties die met leden van het personeel van de gevangenis gelijk te stellen zijn op grond van hun professionele of statutaire betrokkenheid bij de realisering van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf of de vrijheidsbenemende maatregel;

2º voor personen of instanties die belast zijn met het toezicht of de controle op de gevangenissen of de bejegening van de gedetineerden of met het verlenen van advies daarover aan de minister;

3º voor openbare officieren of ambtenaren die zich in de gevangenis aanmelden voor de uitoefening van hun ambt of het volbrengen van hun opdrachten.

Art. 34

§ 1. Behoudens andersluidende wettelijke bepalingen hebben andere personen geen toegang tot de gevangenissen dan na toelating door de minister.

§ 2. Zij worden vergezeld door de directeur of door het personeelslid dat hij aanwijst.

§ 3. Tenzij zij hiertoe een bijzondere toelating van de minister ontvingen, mogen zij noch in de bewoonde verblijfsruimtes binnentreden, noch in contact komen met de gedetineerden, noch zich in verbinding stellen met andere personeelsleden dan deze die ermee belast werden hen in de gevangenis te begeleiden.

TITEL IV
Detentieplanning
HOOFDSTUK I
Onderzoek naar de persoon en de levenssituatie van de veroordeelde
Art. 35

§ 1. In aansluiting op de insluiting en het onthaal van de veroordeelde wordt een aanvang gemaakt met een onderzoek naar zijn persoon en levenssituatie in functie van het in artikel 38 bedoelde individueel detentieplan.

§ 2. Van het in § 1 bedoelde onderzoek kan worden afgezien wanneer dit gelet op de korte duur van het te ondergane gedeelte van de vrijheidsstraf niet geboden is en de veroordeelde hiermee instemt.

§ 3. Indien het een veroordeelde betreft die reeds een vrijheidsstraf ondergaat, mag het onderzoek beperkt blijven tot aangelegenheden die rechtstreeks van belang zijn voor een zo nodige bijstelling van een reeds bestaand individueel detentieplan.

Art. 36

Het onderzoek naar de persoon en de levenssituatie van de veroordeelde omvat een onderzoek naar de omstandigheden waarvan de kennis noodzakelijk is :

1º voor de individualisering van het door artikel 6, § 2 geformuleerde schadebeperkingsbeginsel;

2º voor de individualisering van de door artikel 8, § 2 bedoelde doelstellingen bij de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf;

3º voor een zo nodig oordeelkundige bijstelling van de beslissing tot plaatsing op grond van gegevens die worden bekomen tijdens het onderzoek bedoeld in 1º en 2º.

Art. 37

Wanneer omstandigheden eigen aan de problematiek van de veroordeelde of aan het misdrijf waarvoor hij veroordeeld werd, een bijzonder onderzoeksprogramma noodzakelijk maken, kan de veroordeelde met het oog op dit onderzoek overgeplaatst worden naar het Penitentiair Onderzoeks- en Klinisch Observatiecentrum, ingesteld bij koninklijk besluit van 19 april 1999.

HOOFDSTUK II
Individueel detentieplan
Art. 38

§ 1. Op basis van het in artikel 35 tot 37 bedoelde onderzoek wordt in overleg en met medewerking van de veroordeelde een individueel detentieplan uitgewerkt.

§ 2. Het detentieplan wordt opgesteld in de strafinrichting of de afdeling waar de veroordeelde geplaatst is of waarnaar hij werd overgeplaatst bij toepassing van titel III, hoofdstuk III.

§ 3. Het individueel detentieplan bevat onder meer :

1º het uittekenen van een detentietraject dat voor de veroordeelde redelijkerwijze in het vooruitzicht gesteld kan worden, rekening houdend met de duur van de uitgesproken straffen, met de criteria voor de toepassing van bijzondere modaliteiten van tenuitvoerlegging en van vervroegde invrijheidstelling of met de datum van de definitieve invrijheidstelling;

2º voorstellen tot de deelname van de veroordeelde aan :

a) op herstel gerichte activiteiten;

b) in het kader van de strafuitvoering beschikbare of beschikbaar te stellen arbeid;

c) onderwijs- of vormingsprogamma's, opleidings- of omscholingsactiviteiten en andere op reïntegratie gerichte activiteiten;

d) psychosociale begeleidingsprogramma's of medische, psychologische behandelingsprogramma's.

3º zo nodig een advies tot overplaatsing aan de bevoegde ambtenaar.

§ 4. Het detentieplan wordt opgenomen in een samenwerkingsprotocol dat ondertekend wordt, enerzijds door de veroordeelde ter bevestiging van zijn instemming met het plan en anderzijds door de directeur ter bevestiging van de bereidheid van de penitentiaire administratie om binnen haar mogelijkheden dit plan te helpen realiseren.

Art. 39

Het individueel detentieplan wordt in de loop van de detentie zoveel als nodig aangevuld, nader geconcretiseerd of bijgestuurd, onder meer in functie van de evolutie van de veroordeelde en van gerechtelijke of administratieve beslissingen die zijn detentietraject beïnvloeden of kunnen beïnvloeden.

Art. 40

De Koning stelt nadere regels vast betreffende de personen of diensten die belast zijn met het opstellen, de bijstelling en de opvolging van het individueel detentieplan.

TITEL V
Levensvoorwaarden in de gevangenis
HOOFDSTUK I
Materiële levensvoorwaarden
Art. 41

§ 1. De gedetineerde heeft in de gevangenis recht op een individuele verblijfsruimte waarover hij minstens tijdens de rusttijden kan beschikken.

§ 2. Het onderbrengen van andere gedetineerden in deze verblijfsruimte is alleen toegelaten wanneer de gedetineerde hulpbehoevend is, wanneer zijn leven of gezondheid in gevaar is, of in het geval bedoeld in § 3.

§ 3. Gedetineerden kunnen afstand doen van hun recht op een individuele verblijfsruimte wanneer van een gezamenlijke onderbrenging geen gevaar voor de orde of de veiligheid te vrezen valt.

§ 4. De gedetineerde heeft het recht zijn verblijfsruimte naar eigen goeddunken in te richten, mits eerbiediging van hetgeen in het belang van de orde of de veiligheid door het huishoudelijk reglement wordt bepaald.

§ 5. De Koning bepaalt de voorwaarden waaraan de verblijfsruimtes en de ruimtes voor gemeenschappelijke activiteiten moeten voldoen inzake gezondheid, brandveiligheid en hygiëne, en stelt daartoe regels onder meer met betrekking tot de omvang, de verlichting, de verluchting, de sanitaire voorzieningen en het onderhoud.

Art. 42

De gedetineerde heeft recht op behoorlijk bereid voedsel, dat in kwaliteit en hoeveelheid voldoet aan de normen van de moderne voedingsleer en hygiëne en waarbij rekening wordt gehouden met zijn leeftijd, zijn gezondheidstoestand en de aard van de door hem gepresteerde arbeid.

Art. 43

§ 1. De gedetineerde heeft het recht om in de gevangenis zijn eigen kledij en schoeisel te dragen, mits deze voldoen aan de normen die door een gedwongen samenleven met anderen gesteld worden op het vlak van de hygiëne, de welvoeglijkheid, de orde of de veiligheid.

Aan gedetineerden die hun eigen kledij en schoeisel niet wensen te dragen, wordt passende kledij en bschoeisel van de gevangenis ter beschikking gesteld.

§ 2. De directeur kan de gedetineerde verplichten door de gevangenis ter beschikking gestelde, behoorlijke kledij of schoeisel te dragen, wanneer eigen kledij en schoeisel van de gedetineerde niet aan de in § 1, eerste lid gestelde normen beantwoorden.

§ 3. De gedetineerde kan verplicht worden tijdens de arbeid of andere activiteiten aangepaste kledij en schoeisel te dragen die hem daartoe ter beschikking worden gesteld.

§ 4. In het huishoudelijk reglement worden de in de gevangenis geldende regels met betrekking tot het dragen en het onderhoud van kledij en schoeisel nader omschreven.

Art. 44

De directeur draagt er zorg voor dat de gedetineerde in staat wordt gesteld zijn uiterlijk en zijn lichamelijke hygiëne behoorlijk te verzorgen.

Art. 45

§ 1. De voorwerpen die de gedetineerde bij zijn insluiting in de gevangenis bij zich draagt, worden overeenkomstig door de Koning vast te stellen regels, waarbij rekening gehouden wordt met het belang van de orde en de veiligheid en de aansprakelijkheid van de directeur, naargelang het geval, en onverminderd andere wettelijke bepalingen, hetzij in zijn bezit gelaten, hetzij voor hem in bewaring genomen onder afgifte van een bewijs van ontvangst, hetzij op zijn verzoek uit de gevangenis verwijderd.

§ 2. De gedetineerde heeft het recht de hem toebehorende voorwerpen waarvan het bezit ingevolge § 1 is toegelaten, in zijn verblijfsruimte onder te brengen dan wel bij zich te hebben, overeenkomstig door het huishoudelijk reglement te bepalen regels.

Art. 46

§ 1. Behoudens andersluidende bepalingen door of krachtens de wet is het bezit door gedetineerden van contant geld in de gevangenis niet toegelaten.

§ 2. De gedetineerde wordt in de gelegenheid gesteld te beschikken over een individuele rekening, overeenkomstig de door de Koning vast te stellen regels.

Art. 47

§ 1. Tenzij hij bij wijze van tuchtsanctie daarvan is ontzegd, heeft een gedetineerde het recht, binnen de door het huishoudelijk reglement bepaalde perken, zich op eigen kosten gebruiks- en verbruiksgoederen aan te schaffen uit een aanbod dat door tussenkomst van een in elke gevangenis in te richten kantinedienst wordt verstrekt en dat zoveel mogelijk tegemoet komt aan de behoeften van de gedetineerden.

§ 2. Goederen die de orde of de veiligheid in gevaar kunnen brengen, worden uit het aanbod geweerd.

HOOFDSTUK II
Samenlevingsvoorwaarden
AFDELING I
Algemeen
Art. 48

§ 1. Behoudens de uitzonderingen bepaald door of krachtens de wet vindt de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf en de vrijheidsbenemende maatregel plaats in een gemeenschapsregime of in een regime van beperkte gemeenschap, tenzij plaatsing in een individueel bijzonder beveiligingsregime noodzakelijk is.

§ 2. De Koning bepaalt met betrekking tot elke gevangenis of afdeling het toepasselijk regime.

AFDELING II
Gemeenschapsregime
Art. 49

In een gemeenschapsregime verblijven de gedetineerden, behoudens wanneer zij daarvan vrijgesteld zijn of wanneer zij verplicht of gerechtigd zijn zich in hun eigen verblijfsruimte op te houden, in gemeenschappelijke leef- en werkruimten en nemen zij gemeenschappelijk deel aan in de gevangenis georganiseerde activiteiten.

Art. 50

§ 1. De directeur kan, voor de duur die hij bepaalt, de veroordeelde die een gemeenschapsregime geniet op diens verzoek vrijstellen van een verblijf in gemeenschappelijke leef- en werkruimten of van deelname aan een of meer gemeenschappelijke activiteiten, wanneer hij de ingeroepen gronden voor die vrijstelling als redelijk beschouwt.

§ 2. Gedetineerden kunnen verplicht worden zich in hun verblijfsruimte op te houden tijdens de maaltijden, tijdens de activiteiten waarvan zij vrijgesteld zijn, of waaraan hun deelname facultatief is.

§ 3. Zij verblijven in hun eigen verblijfsruimte tijdens de voor de nachtrust bepaalde tijd en tijdens de andere tijdsperiodes in het huishoudelijk reglement bepaald.

AFDELING III
Regime van beperkte gemeenschap
Art. 51

In een regime van beperkte gemeenschap worden de gedetineerden in de gelegenheid gesteld deel te nemen aan gemeenschappelijke activiteiten. Daarbuiten houden zij zich op in hun individuele verblijfsruimte.

AFDELING IV
Bijzondere bepaling voor verdachten
Art. 52

Behoudens de uitzonderingen bepaald door of krachtens de wet wordt de verdachte te allen tijde in de gelegenheid gesteld om zich in zijn eigen verblijfsruimte af te zonderen van medegedetineerden, onverminderd zijn recht om deel te nemen aan gemeenschappelijke activiteiten.

HOOFDSTUK III
Contacten met de buitenwereld
AFDELING I
Algemeen beginsel
Art. 53

De gedetineerde heeft recht op contacten met de buitenwereld binnen de beperkingen die door of krachtens de wet worden bepaald.

AFDELING II
Briefwisseling
Art. 54

§ 1. Onverminderd andersluidende wettelijke bepalingen heeft de gedetineerde het recht, onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 55 tot 57, een onbeperkt aantal brieven te verzenden en te ontvangen.

§ 2. Voor zover geen andere regeling geldt, is de gedetineerde verplicht zijn brieven te verzenden en te ontvangen door tussenkomst van de directeur.

Art. 55

§ 1. De brieven die aan de gedetineerde worden toegezonden kunnen, voor hun overhandiging, aan de controle van de directeur onderworpen worden.

Deze controle laat niet toe de brief te lezen en heeft uitsluitend betrekking op de aanwezigheid van aan de briefwisseling vreemde voorwerpen of substanties.

Deze controle mag alleen geschieden met het oog op het behoud van de orde of de veiligheid.

§ 2. De directeur heeft de bevoegdheid om de brieven of de bijgesloten voorwerpen en substanties niet te bezorgen aan de gedetineerde, wanneer dit volstrekt noodzakelijk is voor de handhaving van de orde of de veiligheid.

§ 3. Indien de directeur beslist brieven of bijgesloten voorwerpen of substanties niet te bezorgen, wordt de gedetineerde daarvan in kennis gesteld, alsmede van de motieven die aan deze beslissing ten grondslag liggen.

§ 4. De Koning stelt nadere regels vast met betrekking tot de controle van de aan de gedetineerde toegezonden brieven en bijgesloten voorwerpen.

Art. 56

§ 1. De brieven die de gedetineerden verzenden worden vóór hun verzending niet aan de controle van de directeur onderworpen, tenzij wanneer er geïndividualiseerde aanwijzingen bestaan dat nazicht noodzakelijk is in het belang van de orde of de veiligheid.

In voorkomend geval zal de brief, met het oog op nazicht, geopend dienen te worden door de gedetineerde in aanwezigheid van de directeur.

§ 2. In geval van toepassing van § 1 heeft de directeur de bevoegdheid de voor verzending aangeboden brieven niet te verzenden, wanneer dit volstrekt noodzakelijk is voor de handhaving van de orde of de veiligheid.

§ 3. Indien de directeur beslist de brief niet te verzenden, wordt de gedetineerde in kennis gesteld van de motieven die aan de basis liggen van deze beslissing. De brief wordt aan de gedetineerde terugbezorgd tenzij er redenen zijn om de brief ter beschikking te houden van de gerechtelijke overheden.

§ 4. De Koning stelt nadere regels vast met betrekking tot de controle van de uitgaande briefwisseling van de gedetineerde.

Art. 57

§ 1. De briefwisseling tussen de gedetineerde en de advocaat van zijn keuze of tussen de gedetineerde van vreemde nationaliteit en de diplomatieke en consulaire ambtenaren van zijn land, is niet onderworpen aan het toezicht van de directeur zoals bepaald in de artikelen 55 en 56.

§ 2. Indien de directeur evenwel gronden heeft om aan te nemen dat de briefwisseling tussen de advocaat en de gedetineerde geen betrekking heeft op rechtshulpverlening, kan hij de ter verzending aangeboden of toegezonden brieven aan het toezicht onderwerpen van de stafhouder van de orde van advocaten van het gerechtelijk arrondissement waar de gevangenis gelegen is.

Art. 58

§ 1. De brieven afkomstig van of gericht aan de volgende personen of overheden zijn niet onderworpen aan de controle bepaald in de artikelen 55 en 56 :

1º de Koning;

2º de voorzitter van de Senaat, de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Vlaamse Raad, de Raad van de Franse Gemeenschap, de Raad van het Waalse Gewest, de Raad van de Duitstalige Gemeenschap en de Raad van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest;

3º de ministers en staatssecretarissen van de Federale Regering; de ministers en staatssecretarissen van de Gemeenschaps- en Gewestregeringen;

4º de secretaris-generaal van het Ministerie van Justitie, de directeur-generaal, de adviseurs-generaal en de regionale directeurs van het Directoraat-generaal Strafinrichtingen;

5º de directeur van de gevangenis;

6º de voorzitter en de leden van de Centrale Raad;

7º de maandcommissaris, de voorzitter en de leden van de Commissies van Toezicht;

8º de voorzitter van de Hoge Raad voor Penitentiair Beleid;

9º de voorzitter van het Beschermingscomité van het arrondissement waar de gevangenis gelegen is;

10º de voorzitters van het Arbitragehof;

11º de rechterlijke overheden;

12º de eerste voorzitter van de Raad van State, de auditeur-generaal bij de Raad van State, de hoofdgriffier van de Raad van State;

13º de syndicus van de gerechtsdeurwaarders en de voorzitters van de Kamer van Notarissen van het arrondissement waar de gevangenis gelegen is;

14º de voorzitter van het Europees Comité ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing;

15º de ombudsmannen van de federale overheid en de gemeenschappen en gewesten.

Om van deze mogelijkheid gebruik te maken richten de gedetineerden hun brieven aan het adres waar deze personen of overheden hun ambt uitoefenen.

§ 2. De Koning kan deze lijst van personen en overheden aanvullen.

AFDELING III
Bezoek
Art. 59

§ 1. In de gevangenissen wordt dagelijks bezoek ingericht.

§ 2. Behoudens de door of krachtens de wet bepaalde uitzonderingen hebben verdachten het recht om bezoek te ontvangen van personen van buiten de gevangenis gedurende minstens één uur per dag en hebben de veroordeelden dit recht voor een totaal van tenminste zes uren per week.

§ 3. In het huishoudelijk reglement wordt de regeling van het bezoek bepaald, rekening houdend met de aard en de bestemming van de gevangenis en met het bezoekrecht van de andere gedetineerden.

Art. 60

§ 1. Bloed- en aanverwanten in de rechte lijn, de voogd, de echtgenoot, de persoon met wie de gedetineerde een feitelijk gezin vormt, de broers, zusters, ooms en tantes worden toegelaten tot het bezoek aan de gedetineerden na van hun identiteit te hebben doen blijken.

De directeur kan aan deze personen het bezoek enkel voorlopig ontzeggen wanneer er geïndividualiseerde aanwijzingen bestaan dat het bezoek de handhaving van de orde of de veiligheid ernstig in gevaar kan brengen, en wanneer de in artikel 61, § 3 bedoelde wijze van bezoek ontoereikend is om dit gevaar af te wenden.

§ 2. Andere bezoekers worden toegelaten tot het bezoek na een voorafgaande toelating van de directeur. Een toelating tot bezoek kan enkel worden geweigerd wanneer de betrokken persoon van geen gerechtvaardigd belang kan doen blijken of wanneer er geïndividualiseerde aanwijzingen bestaan dat het bezoek de handhaving van de orde of de veiligheid in gevaar kan brengen.

§ 3. De voorlopige ontzegging of weigering dient schriftelijk te geschieden en is met redenen omkleed.

Art. 61

§ 1. Het bezoek vindt plaats op de tijdstippen en in de lokalen die bepaald worden in het huishoudelijke reglement van de gevangenis. In dit huishoudelijk reglement worden eveneens de regels vastgesteld met betrekking tot de wijze waarop de gedetineerden en de bezoekers zich dienen te gedragen.

§ 2. De directeur draagt er zorg voor dat het bezoek kan plaatsvinden in omstandigheden die de banden met het affectief milieu in stand houden of bevorderen, inzonderheid wanneer het een bezoek door minderjarigen aan hun ouder betreft.

§ 3. De directeur kan beslissen dat de bezoeken aan een gedetineerde plaatsvinden in een lokaal voorzien van een transparante wand die de bezoekers van de gedetineerde scheidt, in de volgende gevallen :

1º wanneer er ernstige redenen bestaan dat er zich tijdens het bezoek incidenten kunnen voordoen, die de orde of de veiligheid in het gedrang kunnen brengen;

2º op verzoek van de bezoeker;

3º op verzoek van de gedetineerde;

4º in geval van een eerdere niet-naleving van de bezoekregeling door de bezoeker of de gedetineerde, wanneer er redenen bestaan om aan te nemen dat deze inbreuk op de bezoekregeling zich kan herhalen.

Art. 62

§ 1. De directeur kan met het oog op de handhaving van de orde en de veiligheid het aantal personen dat tegelijkertijd tot de gedetineerde wordt toegelaten, beperken.

§ 2. Hij kan het bezoek afhankelijk stellen van de vastlegging van de beeltenis van de bezoeker, van een voorafgaand onderzoek van de door de bezoeker meegebrachte voorwerpen of substanties, van een onderzoek aan de kledij van de bezoeker op aanwezigheid van voorwerpen of substanties die de orde of de veiligheid in het gedrang kunnen brengen, of nog, van de verplichting om zich te onderwerpen aan een metaaldetectie- of drugsdetectiesysteem.

Deze onderzoeken worden uitgevoerd door de door de directeur gemandateerde personeelsleden.

In voorkomend geval kunnen de in het eerste lid bedoelde voorwerpen, in de mate dat het bezit ervan onverenigbaar is met de regels gesteld voor het bezoek, gedurende het bezoek in bewaring genomen worden of ter beschikking gehouden worden van de gerechtelijke overheden.

Art. 63

§ 1. Tijdens het bezoek wordt toezicht uitgeoefend met het oog op de handhaving van de orde of de veiligheid.

§ 2. Bezoek zonder toezicht kan worden toegestaan onder de voorwaarden door de Koning bepaald.

Art. 64

Een bezoek mag voortijdig beëindigd worden wanneer een bezoeker of de gedetineerde handelingen stelt die in strijd zijn met de voor het bezoek geldende regels van het huishoudelijk reglement.

Art. 65

§ 1. Advocaten mogen vrij in verbinding staan met de gedetineerden die op hen een beroep doen of waarvan zij de belangen behartigen, tijdens de uren van de dag die in gemeenschappelijk overleg tussen de directeur en de stafhouder van de Orde der advocaten van het arrondissement waar de gevangenis gelegen is, worden vastgesteld.

Deze regeling wordt opgenomen in het huishoudelijk reglement.

§ 2. Tijdens het gesprek van de advocaat met de gedetineerde kan geen ander dan visueel toezicht uitgeoefend worden.

§ 3. Aan de advocaten die niet in het bezit zijn van een Europese beroepskaart of die niet in één van de Lidstaten van de Europese Unie gevestigd zijn, wordt toegang verleend op grond van een bijzondere machtiging van de minister, na advies van de procureur des Konings en van de stafhouder van de orde der advocaten van het arrondissement waar de gevangenis gelegen is.

AFDELING IV
Gebruik van de telefoon
Art. 66

§ 1. Behoudens de door of krachtens de wet bepaalde uitzonderingen heeft de gedetineerde het recht om op zijn kosten dagelijks te telefoneren met personen van buiten de gevangenis op de tijdstippen en voor een duur, bepaald door het huishoudelijk reglement.

§ 2. Behoudens de wettelijk bepaalde uitzonderingen heeft elke gedetineerde, waarvan de vrijheid pas werd beroofd, het recht op één kosteloos telefoongesprek binnen de landsgrenzen, of buiten de landsgrenzen wanneer er geen diplomatieke of consulaire instantie bestaat in België.

§ 3. De directeur kan de gedetineerde het recht om te telefoneren geheel of gedeeltelijk ontzeggen wanneer er geïndividualiseerde aanwijzingen bestaan dat het telefoongesprek de handhaving van de orde of de veiligheid in gevaar kan brengen. Betreft het een telefoongesprek van de gedetineerde met zijn advocaat dan kan dit verbod slechts worden opgelegd mits instemming van de stafhouder van de Orde der advocaten van het arrondissement waar de gevangenis gelegen is.

De ontzegging van het recht om te telefoneren dient schriftelijk te geschieden en is met redenen omkleed.

§ 4. Onverminderd andersluidende bepalingen bepaalt de Koning met welke personen geen telefoongesprekken zijn toegelaten.

In aanvulling bij de wet stelt de Koning nadere regels vast met betrekking tot het gebruik door de gedetineerde van de telefoon en van de daarmee gelijk te stellen communicatiemiddelen.

AFDELING V
Contacten met de media
Art. 67

§ 1. Op schriftelijke contacten met de media zijn de regels betreffende de briefwisseling van toepassing.

§ 2. Behoudens de door of krachtens de wet bepaalde uitzonderingen kan de directeur, mits voorafgaande machtiging door de minister, de toestemming geven aan een gedetineerde om een gesprek te voeren met een vertegenwoordiger van de media, voor zover dit verenigbaar is met de handhaving van de orde en de veiligheid, met de goede zeden, met de bescherming van de rechten en vrijheden van derden en met het respect voor de slachtoffers van misdrijven.

AFDELING VI
Modulering van het regime van verdachten in functie van de noodwendigheden van het onderzoek
Art. 68

§ 1. De onderzoeksrechter kan, in de gevallen dat er ernstige redenen bestaan om te vrezen dat een verdachte zou pogen bewijzen te laten verdwijnen of zich zou verstaan met derden, bevelen om :

a) een verdachte gescheiden te houden van andere verdachten;

b) het bezoek te verbieden van in het bevel vermelde personen van buiten de inrichting;

c) de briefwisseling te verbieden gericht aan of uitgaande van in het bevel vermelde personen;

d) telefonische contacten te verbieden met in het bevel vermelde personen.

§ 2. De onderzoeksrechter neemt deze beslissing bij een met reden omklede beschikking, die wordt overgeschreven in een daartoe bestemd register in de gevangenis en die door de directeur van de gevangenis wordt betekend aan de verdachte.

De beslissing geldt voor de strikt noodzakelijke duur door de onderzoeksrechter bepaald en uiterlijk tot op het ogenblik dat hij het dossier overzendt aan de procureur des Konings overeenkomstig artikel 127, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering.

§ 3. De beslissing van de onderzoeksrechter tot beperking van bezoek, briefwisseling en telefoongesprekken, laat de rechten van de verdachte op deze contactmogelijkheden met zijn advocaat onverlet, onverminderd de mogelijkheid tot toezicht zoals bepaald in artikel 57, § 2. en het bepaalde in artikel 66, § 3.

De beslissing van de onderzoeksrechter tot beperking van briefwisseling, laat de rechten van de verdachte op briefwisseling met personen met wie hij krachtens artikel 58 zonder controle briefwisseling mag voeren, onverlet.

De onderzoeksrechter kan het bezoek van de personen bedoeld in artikel 60, § 1, eerste lid, enkel beperken indien deze personen in verdenking werden gesteld, onverminderd de beperkingen bepaald in artikel 60, § 1, tweede lid.

§ 4. De verdachte kan een verzoekschrift indienen tot wijziging of opheffing van de door de onderzoeksrechter op basis van § 1 opgelegde maatregelen bij het onderzoeksgerecht dat oordeelt over de voorlopige hechtenis. Het verzoekschrift wordt bij het dossier van de voorlopige hechtenis gevoegd.

De procedure verloopt overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 21 tot 24 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis. Hoger beroep tegen de beslissing wordt ingesteld overeenkomstig artikel 30 en cassatieberoep overeenkomstig artikel 31 van dezelfde wet.

HOOFDSTUK IV
Godsdienst en levensbeschouwing
Art. 69

§ 1. De gedetineerde heeft het recht om zijn godsdienst of zijn levensbeschouwing individueel en in gemeenschap met anderen te beleven en te belijden, mits inachtneming van de rechten van anderen.

§ 2. Hij heeft recht op godsdienstige, geestelijke of morele bijstand van een daartoe bij de gevangenis aangestelde of tot de gevangenis toegelaten vertegenwoordiger van zijn godsdienst of levensbeschouwing.

Art. 70

§ 1. Overeenkomstig door de Koning vast te stellen regels worden bij de gevangenissen aalmoezeniers en bedienaren van in België erkende erediensten aangesteld, alsmede morele consulenten van door de wet erkende organisaties die morele diensten verlenen op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing.

§ 2. De Koning stelt tevens de regels vast voor de toelating tot de gevangenis, behoudens de gewone bezoektoelating, van niet bij de gevangenis aangestelde bedienaars van in België al dan niet erkende erediensten en morele consulenten en van de aan deze toelating verbonden rechten en plichten.

Art. 71

§ 1. De in artikel 70, § 1, bedoelde personen hebben het recht de gedetineerden die hierom gevraagd hebben te bezoeken in hun eigen verblijfsruimte en met hen niet aan toezicht onderworpen briefwisseling te voeren binnen de gevangenis. Met inachtneming van de veiligheidsvoorschriften ontmoeten zij op verzoek van de gedetineerden en bij voorrang de gedetineerden die zich bevinden in afzondering ingevolge een bijzondere veiligheidsmaatregel, een bijzonder individueel beveiligingsregime of tuchtsanctie.

§ 2. Deze personen beschikken over een bureau dat aangepast is voor het ontvangen van gedetineerden en dat hen toelaat hen te ontmoeten in een vertrouwelijke sfeer.

Art. 72

§ 1. De gedetineerde heeft het recht om zonder beperking, naar eigen keuze deel te nemen aan de uitoefening van de eredienst en aan de daarmee samenhangende gemeenschappelijke activiteiten, evenals aan de bijeenkomsten en activiteiten georganiseerd door de morele consulenten.

§ 2. De gedetineerde brengt zijn intentie tot deelname aan de in § 1 bedoelde activiteiten ter kennis aan de aalmoezenier, aan de bedienaar van de eredienst of aan de morele consulent en wordt tot deze activiteiten toegelaten mits hij zich verbindt tot naleving van voorwaarden van orde, waardigheid en verdraagzaamheid die met deze activiteiten samengaan.

§ 3. De organisatie van de gemeenschappelijke activiteiten in het kader van godsdienst of de niet-confessionele levensbeschouwing kunnen het voorwerp zijn van overleg zoals bepaald in artikel 7. In voorkomend geval worden de aalmoezeniers, de bedienaars van de eredienst en de morele consulenten betrokken bij het overleg.

§ 4. In elke gevangenis wordt voorzien in een passende ruimte, voorbehouden voor de in § 1 bedoelde gemeenschappelijke activiteiten die kaderen in het recht van de gedetineerde om zijn godsdienst of levensbeschouwing vrij te beleven en te belijden.

Art. 73

De Koning stelt, in aanvulling bij deze wet, nadere regels vast tot vrijwaring van het recht van de gedetineerde zoals omschreven in artikel 69, inzonderheid de faciliteiten waarover aalmoezeniers, bedienaren van in België erkende erediensten, morele consulenten en tot de gevangenis toegelaten vertegenwoordigers van niet-erkende erediensten kunnen beschikken tot verwerkelijking van het recht van de gedetineerde op het vrij beleven en belijden van zijn godsdienst en niet-confessionele levensbeschouwing en van het daarmee verbonden recht op godsdienstige, geestelijke en morele ondersteuning.

HOOFDSTUK V
Vormingsactiviteiten en vrijetijdsbesteding
Art. 74

§ 1. De penitentiaire administratie draagt er zorg voor dat aan de gedetineerde een zo ruim mogelijke toegang wordt verleend tot het geheel van vormingsactiviteiten die ter beschikking worden gesteld in het perspectief van zijn persoonlijke ontplooiing, van het zinvol doorbrengen van zijn detentietijd, en van het behoud of de verbetering van vooruitzichten op een geslaagde reïntegratie in de vrije samenleving.

§ 2. Als vormingsactiviteiten in de zin van § 1 worden onder meer beschouwd : onderwijs, alfabetisering, beroepsopleiding of voortgezette beroepsopleiding, sociaal-culturele vorming en sociale vaardigheidstraining, creatieve en culturele activiteiten, lichamelijke opvoeding.

§ 3. De in § 2 bedoelde vormingsactiviteiten vinden in beginsel plaats gedurende de vrije tijd, buiten de overeenkomstig artikel 80, § 2 vastgestelde arbeidstijden, behalve wanneer het gaat om een gedetineerde waarvoor de tijd voor de vormingsactiviteiten met arbeidstijd kan worden gelijkgesteld bij toepassing van artikel 80, § 3.

Art. 75

§ 1. De gedetineerde heeft het recht door bemiddeling van de gevangenis, voor eigen rekening, kranten, tijdschriften en andere publicaties te ontvangen, waarvan de verspreiding niet wettelijk of bij rechterlijke beslissing is verboden.

§ 2. In de gevangenis wordt aan de gedetineerde de mogelijkheid gegeven een beroep te doen op bibliotheekvoorzieningen die de gedetineerden in de gelegenheid stellen, overeenkomstig de in het huishoudelijk reglement bepaalde regels, een keuze van lectuur te maken uit een zo ruim mogelijk aanbod.

§ 3. De directeur kan een gedetineerde alleen dan de kennisneming van bepaalde publicaties of gedeelten van publicaties ontzeggen, wanneer dit voor de handhaving van de orde of de veiligheid volstrekt noodzakelijk is.

In voorkomend geval wordt de beslissing tot ontzegging met reden omkleed en schriftelijk ter kennis gebracht van de gedetineerde.

§ 4. De gedetineerde heeft het recht om radio- en televisieprogramma's te volgen overeenkomstig door het huishoudelijk reglement vast te stellen regels.

Wanneer dit voor de handhaving van de orde of de veiligheid volstrekt noodzakelijk is, kan de directeur het volgen van bepaalde programma's aan gedetineerden ontzeggen. In voorkomend geval wordt de beslissing tot ontzegging met redenen omkleed en schriftelijk ter kennis gebracht van de gedetineerde.

Art. 76

§ 1. De veroordeelde die daartoe bereid en bekwaam is, heeft het recht, conform het individueel detentieplan, en naargelang de wijze van strafuitvoering die op hem van toepassing is binnen, buiten of vanuit de gevangenis, een onvoltooide opleiding af te maken, zich om te scholen of bij te scholen, of een beroepsopleiding of voortgezette opleiding te volgen.

§ 2. Verdachten hebben het recht, voor zover de duur van de detentie dit toelaat en behoudens uitzonderingen door of krachtens de wet, om binnen of vanuit de gevangenis, gelijkaardige activiteiten uit te oefenen.

Art. 77

§ 1. De gedetineerde heeft het recht op lichamelijke oefeningen en sport gedurende ten minste twee uren in de week en recht op een dagelijkse wandeling of een andere recreatieve activiteit van minstens één uur in de buitenlucht.

§ 2. Behoudens de door of krachtens deze wet bepaalde uitzonderingen heeft hij het recht tot deelname aan gemeenschappelijke ontspanningsactiviteiten gedurende de tijdstippen die in het huishoudelijk reglement worden bepaald.

HOOFDSTUK VI
Arbeid
AFDELING I
Algemene bepalingen
Art. 78

De gedetineerde heeft het recht om deel te nemen aan de in de gevangenis beschikbare arbeid.

Art. 79

De penitentiaire administratie draagt er zorg voor dat arbeid beschikbaar gesteld wordt of beschikbaar gesteld kan worden die aan de gedetineerden de mogelijkheid biedt om zinvol hun detentietijd door te brengen, om na hun invrijheidstelling hun geschiktheid tot een bestaansactiviteit te behouden, te bevorderen of te scheppen, om hun detentie te verzachten, om verantwoordelijkheden op te nemen ten aanzien van hun naastbestaanden en om, zo daartoe moge



Terug naar het overzicht