Wetsvoorstel
29-08-2003

Sabine de Bethune - Mia De Schamphelaere - Erika Thijs

Wetsvoorstel tot instelling van een Noord-Zuid-nota over de uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking en tot wijziging van artikel 10 van de gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit (3-187)

(Ingediend door mevrouw Sabine de Bethune c.s.)

--------------------------------------------------------------------------------

TOELICHTING

--------------------------------------------------------------------------------

Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 26 november 2002 in de Senaat werd ingediend (stuk Senaat, nr. 2-1365/1 ­ 2002/2003).

1. Internationale historiek
Dit voorstel komt tegemoet aan een jaren oud engagement waarbij de leden van het ontwikkelingscomité van de OESO er zich toe verbonden hadden om 0,7 % van het BNP te reserveren voor ontwikkelingshulp. Tot op heden bleef het evenwel bij een vrijblijvend engagement. Zo hebben binnen de Europese Unie alleen Nederland, Denemarken en Zweden in 2000 de kaap van de 0,7 % van hun BBP voor ontwikkelingshulp bereikt. Nochtans is iedereen zich bewust van de noodzaak van een substantiële verhoging van het budget voor ontwikkelingssamenwerking. Uit een enquête in opdracht van de Europese Commissie in 1998 bleek dat 76 % van de Europese bevolking vindt dat de voortzetting van de ontwikkelingshulp belangrijk tot zeer belangrijk is. Meer dan 51 % was zelfs voorstander van een verhoging van de overheidshulp van hun land. In werkelijkheid stelt men evenwel vast dat de hulpbereidheid van de westerse landen, ook ten aanzien van de landen waarvan het beleid goede punten krijgt, afneemt. Uit cijfers van de Afrikaanse ontwikkelingsindicatoren 2002 van de Wereldbank blijkt dat sub-Sahara Afrika in 1999 nog voor 12,3 miljard dollar hulp kreeg, tegen de 18,1 miljard dollar in 1994.

In 1996 publiceerde de OESO een rapport waarbij zeven internationale ontwikkelingsdoelstellingen werden geformuleerd, die uiterlijk tegen 2015 verwezenlijkt moeten zijn. In september 2000 werden deze doelstellingen in de Millenniumverklaring van de VN opnieuw verwoord. De Millenniumverklaring roept de landen op zich aan acht (de zeven van de OESO plus een nieuwe) beloften te houden.

Deze acht millenniumdoelstellingen zijn :

· tegengaan van extreme armoede en honger;

· basisonderwijs voor alle kinderen;

· gelijkheid tussen mannen en vrouwen stimuleren;

· de kindersterfte in ontwikkelingslanden met tweederde terugdringen;

· de moedersterfte in ontwikkelingslanden met driekwart terugdringen;

· de verspreiding van HIV/AIDS, malaria, tbc en andere ziekten stoppen;

· streven naar duurzame ontwikkeling;

· streven naar een wereldwijd partnerschap voor ontwikkeling.

Volgens het zogenaamde Zedillo-rapport, dat is samengesteld door elf deskundigen uit verschillende landen, is jaarlijks ongeveer 50 miljard dollar extra nodig om deze Millenniumdoelstellingen tegen uiterlijk 2015 te realiseren. Dit betekent een verdubbeling van het huidige internationale ontwikkelingsbudget.

Teneinde deze doelstellingen te verwezenlijken werd in maart 2002 in Monterrey een VN-Top « Financing for Development » gehouden. Op deze VN-top waaraan ook de Wereldbank en het IMF deelnamen, zouden afspraken over nieuwe vormen van ontwikkelingsfinanciering gemaakt worden. De top eindigde evenwel in mineur aangezien er geen bindende afspraken rond de 0,7 %-norm werden gemaakt; het resultaat bleef beperkt tot een oproep aan de rijke landen om zich aan de norm van de 0,7 % te houden. Ook in het dossier van de schuldkwijtschelding kwam er geen opening terwijl het debat rond nieuwe bronnen voor ontwikkelingssamenwerking niet echt op gang kwam.

2. Europese historiek

De meeste landen van de Europese Unie, met uitzondering van Nederland, Zweden en Denemarken bereiken de vooropgestelde 0,7 %-norm niet. De Europese Unie als geheel kwam in 2000 op 0,33 % van het BBP. Binnen de EU bestaat er evenwel geen formeel mechanisme om te meten of ieder land zich aan de norm van 0,7 % van het BBP houdt. Daarom waren de regeringsleiders op Europese Top van Laken op 14 en 15 december 2001 ingenomen met de verbintenis van de Raad om de middelen en het tijdsschema te bestuderen waarmee ieder van de lidstaten het VN-doel van 0,7 % van het BBP voor officiële ontwikkelingshulp kan bereiken.

In de loop van 2002 heeft de Europese Commissie besloten dat lidstaten minstens 0,33 % van het BBP moeten halen. Indien alle landen dit Europees gemiddelde zouden halen, dan betekent dit automatisch een stijging van het Europees gemiddelde naar 0,39 % van het BBP.

Op de VN-top van Monterrey heeft de Europese Unie een jaarlijkse verhoging van ontwikkelingshulp van tussen de 5,2 en 6,05 miljard euro beloofd tegen 2006.

3. Belgische historiek
Ook België zit nog ver van de 0,7 % van BBP voor ontwikkelingshulp verwijderd.

Economische crisis en sanering van de overheidsfinanciën maakten dat net zoals in de meeste andere lidstaten van de Europese Unie, de uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking beperkt bleven tot circa 0,33 % van het BBP. Bij de verkiezingen van 1999 hebben alle politieke partijen in hun verkiezingsprogramma gepleit voor een geleidelijke of onmiddellijke doch onomkeerbare realisatie van de 0,7 %-norm van het BBP voor ontwikkelingshulp.

In het regeringsprogramma van 1999 staat : « Inzake ontwikkelingssamenwerking opteert de regering voor een geleidelijke en substantiële verhoging van de beschikbare middelen voor internationale samenwerking, een verhoging die moet gepaard gaan met een kwalitatieve verbetering en een grotere doeltreffendheid van de uitgaven. » Hoewel er concreet geen sprake is van het behalen van de 0,7 %-norm, werd in de loop van de voorbije jaren toch meermaals aangekondigd dat België ten laatste in 2010 de 0,7 %-norm zou moeten halen. Zo stelt de eerste minister in de beleidsverklaring van 8 oktober 2002 : « De Belgische ontwikkelingshulp zal in 2003 verder stijgen met 9 %. Als we dit groeipad consequent aanhouden ­ en we gaan dat trouwens wettelijk verankeren ­ bereiken we de 0,7 % van het BBP in 2010. »

De kritiek van de NGO's was evenwel niet mals. Hoewel het positief is dat het budget met 9 % stijgt, toch komt dit volgens hen niet tegemoet aan de beloofde 100 miljoen euro waarmee het budget in 2003 moest stijgen. Dit groeipad voor ontwikkelingssamenwerking dat in 2000 werd afgesproken binnen de regering, wordt in 2002 voor de begroting 2003 reeds onderuitgehaald.

4. Visie van de CD&V
Op het sociaal-economisch congres van 20 en 21 september 2002 in Antwerpen heeft de CD&V een stelling aangenomen die pleit voor de inschrijving van de budgetnorm van 0,7 % voor ontwikkelingshulp als minimumbijdrage in de wet. Voor de christen-democraten geeft de overheid hierdoor een duidelijk signaal dat ze zich werkelijk engageert in het streven naar een rechtvaardige Noord-Zuid-verhouding.

Dit voorstel bouwt overigens voort op het voorstel van resolutie betreffende de verhoging van het budget voor ontwikkelingssamenwerking (stuk Senaat, nr. 2-102/1) van de senatrices Erika Thijs en Mia De Schamphelaere.

Voor de CD&V moet dit engagement niet alleen door de federale overheid worden nagestreefd. Ook de andere beleidsniveaus moeten stapsgewijs 0,7 % van hun budget voor ontwikkelingshulp vrijmaken. Deze doelstelling wordt overigens mede onder impuls van CD&V toegepast in de provincies Limburg, Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen. Ook een aantal gemeenten, waaronder Sint-Katelijne-Waver, hebben de afgelopen jaren in uitvoering van hun beleidsplan de 0,7 %-norm voor ontwikkelingshulp ingevoerd (bron : CD&V vuistregels voor een volwaardig lokaal beleid voor internationale samenwerking).

5. Doel van voorstel
Dit voorstel beoogt een sterkere wettelijke verankering van de 0,7 % van het BBP voor ontwikkelingshulp. Uit het voorgaande blijkt eens te meer dat ontwikkelingssamenwerking absoluut niet gebaat is bij vele loze beloften. Enkel een wettelijke basis die de regering verplicht om binnen een bepaalde termijn 0,7 % van het BBP aan ontwikkelingssamenwerking te spenderen, biedt de nodige garanties dat het aloude engagement uitgevoerd wordt.

Gezien de beloften die de Belgische regering op de top van Monterrey en de op de top van Johannesburg gedaan heeft, aangezien de regering zelf pleit voor een wettelijke verankering, en gelet op het belang van een spoedige verhoging van het wereldbudget inzake ontwikkelingshulp teneinde de Millenniumbeloften te halen in 2015, heeft dit voorstel tot doel via een geleidelijke doch onomkeerbare jaarlijkse verhoging van het budget met 10 %, in 2008 de 0,7 %-norm te halen.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Artikel 2

In dit artikel wordt de regering verplicht om uiterlijk in 2008 ten minste 0,7 % van het BBP aan ontwikkelingssamenwerking te besteden, en dit via jaarlijkse verhogingen van het budget met 10 % procent.

Artikel 3

Dit artikel bepaalt dat de regering jaarlijks een Noord-Zuid-nota opstelt waarin zij uiteenzet hoe de doelstellingen, bepaald in artikel 2, in de begroting van het betreffende jaar worden bereikt.

Het artikel bepaalt voorts dat deze nota wordt opgesteld in overleg met de sector van de ontwikkelingssamenwerking.

Artikel 4

Via dit artikel worden deze strengere verplichtingen ingeschreven in de wetten op de Rijkscomptabiliteit.

Sabine de BETHUNE.
Mia DE SCHAMPHELAERE.
Erika THIJS.

--------------------------------------------------------------------------------

WETSVOORSTEL

--------------------------------------------------------------------------------

Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Met ingang van 2003 worden de totale uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking in de algemene uitgavenbegroting jaarlijks verhoogd met ten minste 10 %. Uiterlijk met ingang van 2008 worden deze uitgaven jaarlijks vastgelegd op minimaal 0,7 % van het bruto binnenlands product.

Art. 3

De regering stelt jaarlijks een Noord-Zuid-nota op waarin zij uiteenzet op welke wijze de doelstellingen vermeld in artikel 2 worden bereikt.

Voor het opstellen van de Noord-Zuid-nota wint de regering het advies in van de Vlaamse Federatie van NGO's voor ontwikkelingssamenwerking (COPROGRAM), de Fédération francophone et germanophone des associations de coopération au développement (ACODEV), het Centre national de coopération au développement (CNCD) en 11.11.11.

Art. 4

Artikel 10, 6º, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, ingevoegd bij de wet van 24 december 2002, wordt vervangen als volgt :

« 6º een Noord-Zuid-nota waaruit blijkt dat uiterlijk in 2008, in de algemene uitgavenbegroting ten minste 0,7 % van het bruto binnenlands product wordt ingeschreven voor ontwikkelingssamenwerking. »

21 juli 2003.

Sabine de BETHUNE.
Mia DE SCHAMPHELAERE.
Erika THIJS.



Terug naar het overzicht