Wetsvoorstel
02-09-2003

Sabine de Bethune - Mia De Schamphelaere - Erika Thijs

Wetsvoorstel tot bepaling van het statuut van de thuisassisten (3-199)

(Ingediend door mevrouw Mia De Schamphelaere c.s.)

--------------------------------------------------------------------------------

TOELICHTING

--------------------------------------------------------------------------------

Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 31 mei 2000 in de Senaat werd ingediend (stuk Senaat, nr. 2-458/1 ­ 1999/2000).

I. INLEIDING
Dit voorstel heeft tot doel de gezinstaken én de verwachtingen van kandidaat-werknemers voor deze taken een betere maatschappelijke erkenning en omkadering te geven door het uitwerken van een volwaardig statuut voor de « thuisassistent ». Immers, vandaag stelt men vast dat er voor slechts een klein gedeelte van dienstboden of huisbedienden een maatschappelijke erkenning bestaat onder de vorm van een uitgewerkt statuut. Tegelijk wordt met dit voorstel de kostprijs voor de gezinnen verminderd door te voorzien in een fiscale aftrekbaarheid. Er wordt ook in een fiscale compensatie voorzien voor gezinnen die ervoor opteren om zelf in te staan voor de gezinstaken. Bovendien wordt voor de allereerste keer het onderscheid tussen arbeiders (dienstboden) en (huis) bedienden bewust weggelaten en wordt een uniform geïntegreerd statuut voor de thuisassistent uitgewerkt.

In een eerste gedeelte geven wij een summiere beschrijving van de huidige regelgeving. In het tweede gedeelte wordt de hierboven vermelde doelstelling meer concreet ingevuld.

1) Huidige wetgeving

1. Dienstboden en huisbedienden

In de bestaande reglementering kent men « dienstboden » en « huisbedienden ».

Een dienstbode is een werknemer die zich verbindt tegen loon onder het gezag van de werkgever, in hoofdzaak huishoudelijke handenarbeid te verrichten i.v.m. de huishouding van de werkgever of van zijn gezin.

Een huisbediende is een werknemer die zich verbindt tegen loon onder het gezag van de werkgever hoofd- of handenarbeid uit te voeren binnen het onroerend goed (binnenshuis of buiten het huis) voor de privé-behoeften van de werkgever of van diens gezin. Alle dienstboden zijn huisbedienden, maar niet alle huisbedienden zijn dienstboden : bijvoorbeeld gouvernantes, kinderoppas, privé-secretarissen, verplegers, privé-chauffeur, ...

2. Onderworpenheid aan de sociale zekerheid

a) dienstboden

(Voor de dienstboden moet verwezen worden naar artikel 18 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders).

Er moet een onderscheid gemaakt worden naargelang de dienstbode al dan niet inwoont :

­ de tewerkstelling van een inwonende dienstbode is, ongeacht het aantal gepresteerde uren, altijd onderworpen aan RSZ-bijdragen;

­ de tewerkstelling van een niet-inwonende dienstbode is niet aan de RSZ onderworpen indien de dienstboden « geen 4 uren per dag bij eenzelfde werkgever noch 24 uren per week bij een of meerdere werkgevers tewerkgesteld is ».

Bij de beoordeling van de tweede voorwaarde (24 uren per week) mag bovendien slechts rekening gehouden worden met de dagelijkse prestaties bij één werkgever die ten minste 4 uren omvatten.

Voorbeeld :

een dienstbode werkt alleen bij werkgever A volgens onderstaand schema :

Lundi
­
Maandag Mardi
­
Dinsdag Mercredi
­
Woensdag Jeudi
­
Donderdag Vendredi
­
Vrijdag Samedi
­
Zaterdag
8 3 8 3 7 3

Voor wat de onderworpenheid van de sociale zekerheid betreft mag alleen rekening gehouden worden met de prestaties per dag die ten minste 4 uren omvatten. Derhalve mogen slechts de prestaties van maandag, woensdag, en vrijdag in aanmerking genomen worden, dit is in totaal 23 uur. De tewerkstelling is niet aan de sociale zekerheid onderworpen, ook al werkt de dienstbode de facto 32 uren.

Voorbeeld :

een dienstbode werkt bij twee werkgevers volgens onderstaand uurrooster :

Lundi
­
Maandag Mardi
­
Dinsdag Mercredi
­
Woensdag Jeudi
­
Donderdag Vendredi
­
Vrijdag Samedi
­
Zaterdag
A 8 3 8 3 7 3
B ­ 3 ­ 4 ­ 3

Rekening houdende met de prestaties van ten minste 4 uur bij werkgever A (= 23 uren) en werkgever B (4 uren) wordt de grens van 24 uren breikt. Er dient dus een aangifte aan de sociale zekerheid te gebeuren door de beide werkgevers voor het geheel van het loon en voor alle prestaties.

b) huisbedienden

Voor huisbedienden kan men zich beroepen op artikel 16 van het voormeld koninklijk besluit van 28 november 1969.

« Aan de toepassing van de wet worden onttrokken, de werknemers die occasionele arbeid verrichten, evenals hun werkgever uit hoofde van de tewerkstelling van die werknemers. Wordt beschouwd als arbeid, de arbeid verricht voor de behoeften van het huishouden van de werkgever of van zijn gezin en voor zover die arbeid niet meer bedraagt dan acht uren per week bij één of verschillende werkgevers. »

c) Bemerking

Uit de drempels, vervat in de hierboven aangehaalde artikelen (artikel 18 én artikel 16 van het koninklijk besluit van 28 november 1969), resulteert dat de overgrote meerderheid van de dienstboden en ook een belangrijk aantal huisbedienden niet ressorteren onder de toepassing van de socialezekerheidswetgeving voor loontrekkenden.

De betrokken werknemers die arbeid verrichten in de thuishulp hebben in de meeste gevallen dan ook geen sociaal statuut en bijgevolg ook geen sociale bescherming. Wanneer men aan de arbeid die verricht wordt ten behoeve van de gezinnen een grotere maatschappelijke waardering wil geven, moet in elk geval een minimale sociale bescherming worden uitgewerkt.

3. Vermindering van socialezekerheidsbijdragen ­ koninklijk besluit nr. 483 van 22 december 1986 tot vermindering van de SZ-bijdragen van de werkgevers bij de indienstneming van dienstboden.

De werkgevers-natuurlijke personen die sinds 1 januari 1980 niet onderworpen geweest zijn aan de sociale zekerheid wegens tewerkstelling van dienstboden kunnen een vermindering van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid bekomen. Mogelijks waren ze wel onderworpen uit hoofde van de tewerkstelling van werknemers die geen dienstbode of huisbediende zijn !

De werknemer die als dienstbode of huisbediende in dienst wordt genomen, moet op het ogenblik van de aanwerving minstens 6 maanden :

­ ofwel uitkeringsgerechtigde volledig werkloze zijn;

­ ofwel het bestaansminimum genieten.

Deze voorwaarden zijn vrij streng zodat slechts voor weinig dienstboden of huisbedienden een vermindering van sociale bijdragen zal kunnen toegekend worden (cf. infra).

De werkgever, die in aanmerking komt, wordt vrijgesteld van alle werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid, met uitzondering van de bijdragen voor jaarlijkse vakantie en betaald educatief verlof.

De vermindering wordt toegepast op het volledig loon voor de volledige duur van de arbeidsovereenkomst maar voor slechts één enkele dienstbode of huisbediende. De RSZ-bijdragen-vermindering is niet beperkt in de tijd !

Nochtans, wanneer de arbeidsovereenkomst van die werknemer een einde neemt, wordt de vermindering behouden zo binnen de 3 maanden na het einde van de overeenkomst de werkgever een andere dienstbode of huisbediende aanwerft die aan de voorwaarden voldoet.

Indien de werknemer ontslagen wordt en recht heeft op een vergoeding wegens verbreking van de arbeidsovereenkomst, mag op deze vergoeding geen vermindering van werkgeversbijdragen toegepast worden.

De werkgever moet in zijn aangifte aan de RSZ de juiste identiteit van de werknemer vermelden en aan de hand van een attest van de RVA (C63) of het OCMW bewijzen dat deze aan de voorwaarden voldoet.

Opmerking :

­ De normale bijdragen van dienstboden zijn :
werkgever : 23,91 % (+ 9,98 %) 33,85 %
werknemer : 13,07 %

De vermindering voor dienstboden bedraagt : 17,87 %; rest : 15,98 %.

­ De vermindering voor een huisbediende niet-dienstbode bedraagt : 32,35 % (de normale bijdragen voor huisbediende zijn 38,39 % + 9,98 % = 48,37 %).

rest : 48,37 % - 32,35 % = 16,02 % als het een arbeider betreft.

rest : 32,39 %- 32,35 % = 0,04 % als het een bediende betreft (de werkgever staat zelf in voor de betaling van het vakantiegeld).

4. Fiscale aftrek bij de aanwerving van huispersoneel

De wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen (Belgisch Staatsblad 20 augustus 1986) voorziet in de mogelijkheid om de aan een huisbediende betaalde of toegekende bezoldigingen onder bepaalde voorwaarden en binnen zekere grenzen van de gezamenlijke netto-inkomsten af te trekken (artikel 13, 1º en 3º).

De voorwaarden zijn als volgt bepaald :

­ In principe komen alle natuurlijke personen in aanmerking die aan de personenbelasting of aan de belasting der niet-verblijfhouders onderworpen zijn. Bovendien moet de belastingplichtige zich bij de RSZ laten inschrijven als werkgever van huispersoneel; de inschrijving moet de eerste in die hoedanigheid zijn sinds 1 januari 1980.

­ Het personeelslid dat in dienst wordt genomen, moet een huisbediende (of dienstbode) zijn : de huisbediende moet bij zijn indienstneming sedert ten minste 6 maanden ofwel uitkeringsgerechtigde volledig werkloze zijn, ofwel het voordeel genieten van een beslissing tot toekenning van het bestaansminimum.

De voorwaarden zijn in dit verband identiek aan die welke voorzien zijn wat de vermindering van sociale bijdragen voor dienstboden of huisbedienden betreft. Slechts een beperkt aantal thuishelpers geven dan ook in hoofde van de werkgever recht op een fiscale aftrek.

­ Slechts de bezoldiging die betrekking heeft op één huisbediende (of dienstbode) komt in aanmerking; bovendien moet de bezoldiging ten minste 110 000 frank per belastbaar tijdperk bedragen en aan de RSZ onderworpen zijn.

Wij hebben hoger reeds aangegeven dat een zeer beperkt aantal dienstboden en ook een klein aantal huisbedienden aan de sociale zekerheid onderworpen is.

­ De aftrek wordt voor ieder belastbaar tijdperk beperkt tot 50 % van de eerste 440 000 frank loonkost (werkgevers- en werknemersbijdragen voor de RSZ inbegrepen).

­ Opmerking :

Het recht op aftrek blijft behouden na de beëinbdigige van de arbeidsovereenkomst van een huisbediende, indien de werkgever binnen een termijn van drie maanden een andere huisbediende in dienst neemt die eveneens aan de gestelde voorwaarden voldoet. De inschrijving als werkgever bij de RSZ kan in de tussenperiode geschrapt zijn; bij hernieuwing hoeft zij niet meer de eerste in die hoedanigheid te zijn sinds 1 januari 1980.

5. Evaluatie huidige wetgeving

Uit de kwartaalgegevens 1999 van de RSZ blijkt dat het aantal begunstigden voor koninklijk besluit nr. 483 inderdaad eerder beperkt is tot ongeveer 180.

2) Het statuut van de thuisassistent
De bestaande mogelijkheden inzake de invulling van gezinstaken houden onvoldoende rekening met de wensen en verwachtingen van de kandidaat-werknemers (zij willen immers ook rechten opbouwen in de sociale zekerheid) enerzijds, én met de vraag van de gezinnen naar betaalbare en maatschappelijk aanvaarde huishoudhulp, anderzijds.

De maatschappelijke erkenning van de taken die in een gezin moeten uitgevoerd worden kan onder meer tot uiting komen door een vermindering van de socialezekerheidsbijdragen en een fiscale aftrek toe te staan aan de gezinnen die een thuisassistent in dienst nemen. Voor de gezinnen die zelf de gezinstaken op zich nemen, kan er een specifieke fiscale regeling worden toegekend onder de vorm van een verhoging van de belastingvrijstelling voor personen ten laste. Aldus worden alle gezinnen op voet van gelijkheid behandeld. Voor de thuisassistent zelf wordt een sociaal statuut uitgewerkt. Daarnaast is het door hen verdiend inkomen ook een belastbaar inkomen.

De twee hierboven omschreven doelstellingen, namelijk enerzijds rekening houden met de gerechtvaardigde verwachtingen van de kandidaat-thuisassistenten en anderzijds de erkenning van de in de gezinnen bestaande maar op vandaag in een onvoldoende mate beantwoorde vraag naar betaalbare hulp bij de gezinstaken, kunnen als volgt gerealiseerd worden :

1. De in de socialezekerheidsreglementering voorziene bijzondere regelingen voor dienstboden en huisbedienden (artikelen 16 en 18 van het koninklijk besluit van 28 november 1969) worden geïntegreerd met het koninklijk besluit nr. 483 van 22 december 1986 : er bestaat nog slechts één enkel stelsel, dit van de thuisassistent.

2. Dit statuut heeft de volgende specifieke kenmerken :

1º er is te allen tijde een aangifte aan de RSZ verplicht en dit ook voor arbeidsprestaties met een eerder geringe omvang. De vrije hoge drempels (zie hoger) die in de huidige reglementering zijn opgenomen, verdwijnen. Hierdoor vallen nagenoeg alle thuisassistenten onder de toepassing van de sociale-zekerheidsregeling voor loontrekkenden.

2º de bijdragen aan de RSZ zijn beperkt tot de deeltakken waarvoor met toepassing van het koninklijk besluit nr. 483 socialezekerheidsbijdragen dienen betaald te worden en dit zonder dat de betrokken thuisassistent 6 maanden werkloos is of het bestaansminimum geniet. Als voorwaarde wordt gesteld dat er in het gezin personen ten laste (kinderen of andere personen ten laste, zoals bijvoorbeeld ascendenten) zijn.

De vermindering van sociale bijdragen geldt ook voor de door de bevoegde overheden erkende intermediaire structuur (zie verder).

Dit houdt in dat voor alle thuisassistenten de in realiteit te betalen socialezekerheidsbijdragen beperkt zijn tot 15,98 % in het geval het vakantiegeld via de RJV betaald wordt.

Wanneer het hoofdzakelijk gaat over intellectuele arbeid wordt het vakantiegeld door de werkgever betaald.

Er wordt voorgesteld de verschuldigde socialezekerheidsbijdrage te heffen op een forfaitair dagloon van 750 frank per dag. Dit bedrag stemt ongeveer overeen met drie uren arbeid per dag. Elke werkgever waarvoor prestaties worden verricht dient deze sociale bijdrage via zijn kwartaalaangifte te betalen.

3º Door het feit dat er socialezekerheidsbijdragen betaald worden, zullen aan de thuisassistent bepaalde socialezekerheidsrechten kunnen toegekend worden en wordt hun arbeid maatschappelijk erkend.

De kandidaat-thuisassistenten die in deze regeling stappen, kunnen rechten opbouwen in de volgende deeltakken van de sociale zekerheid :

­ rust- en overlevingspensioen voor werknemers (een pensioen dat berekend wordt op het forfaitair dagloon);

­ ziekte-uitkering (gebaseerd op het forfaitair dagloon) en dit na het respecteren van de voorziene wachttijd;

­ werkloosheid na het vervullen van de geldende wachttijd;

­ inzake jaarlijkse vakantie wordt in rechten voorzien gebaseerd op het in het vakantiedienstjaar of het vakantiejaar toegekende forfaitair dagloon. Dit vakantiegeld wordt betaald door de werkgever of door de Rijksdienst voor jaarlijkse vakantie.

Het is wellicht aangewezen om alleen voor die deeltakken in de sociale zekerheid, die voorzien in een vervangingsinkomen, rechten te openen. Wat kinderbijslagen betreft en ook voor gezondheidszorgen zullen in de meeste gevallen reeds prestaties toegekend worden via het gezin waarvan de kandidaat-dienstbode of -huisbediende deel uitmaakt.

4º Het aan de thuisassistent uitgekeerde loon en de betaalde RSZ-bijdragen zijn fiscaal aftrekbaar in de personenbelasting en dit overeenkomstig de voorwaarden in artikel 13, 1º en 3º, van de wet van 4 augustus 1986 (Belgisch Staatsblad van 20 augustus 1986). Er wordt evenwel geen voorwaarde gesteld inzake het werkloos zijn van de thuisassistent.

De fiscale aftrekbaarheid geldt alleen voor gezinnen met personen ten laste (kinderen of andere personen ten laste, zoals bijvoorbeeld ascendenten).

Ook wordt de voorwaarde weggelaten dat bezoldiging per belastbaar tijdperk ten minste 110 000 frank moet bedragen. De voorwaarde wordt wel behouden dat slechts 50 % van de loonkost fiscaal aftrekbaar is maar zonder plafondbedrag.

De fiscale aftrekbaarheid dient in elk geval het niveau te bereiken dat voorzien is in het kader van de PWA-regeling. De fiscale aftrekbaarheid van (een gedeelte van) de door het gezin gedragen loonkost heeft tot doel de gezinstaken maatschappelijk te erkennen en ook betaalbaar te houden.

Bovendien wordt voor de gezinnen die zelf instaan voor de gezinstaken ook een fiscale compensatie toegekend.

Deze compensatie wordt concreet ingevuld onder de vorm van een verdubbeling van de belastingvrije som voor personen ten laste voor gezinnen waar geen thuisassistent is aangenomen en waar één van de partners of de alleenstaande ouder als hoofdzakelijke dagtaak het vervullen van de gezinstaken op zich neemt.

5º Het inkomen dat verdiend wordt door de individuele thuisassistent is belastbaar en wordt aan de belastingadministratie aangegeven. In ruil hiervoor wordt aan de thuisassistent een maatschappelijke erkenning gegeven.

6º De regeling staat ook open voor kandidaat-thuishelpers die officieel niet omschreven zijn als werkzoekende of werkloze. Deze regeling richt zich ook tot personen die een herintreding op de arbeidsmarkt wensen, op werklozen die geschorst zijn op basis van artikel 80 van de werkloosheidsreglementering en op al wie in deze regeling wenst te stappen.

7º De hierboven aangehaalde bijzondere socialezekerheidsregeling en de fiscale aftrekbaarheid zou ook moeten gelden in het geval een intermediaire structuur de thuisassistenten in dienst neemt en ze ter beschikking stelt van de gezinnen.

In dit geval wordt de sociale en fiscale administratie volledig ten laste genomen door deze door de gemeenschappen erkende diensten.

Er dient in dit geval wel een aanpassing aangebracht te worden aan de wet van 24 juli 1987 inzake de terbeschikkingstelling van personeel ten behoeve van derden om te voorkomen dat het individuele gezin als werkgever beschouwd wordt in de sociale en de fiscale reglementering.

Het door de erkende dienst opgestelde betalingsbericht vormt de basis voor de fiscale aftrekbaarheid voor het individuele gezin. De door deze diensten aan de gezinnen aangerekende tarieven dienen rekening te houden met de vermindering van sociale bijdragen en met de draagkracht van de individuele gezinnen.

8º Het in deze regeling omschreven sociaal en fiscaal regime biedt voordelen voor alle betrokken actoren :

­ De gezinnen kunnen gebruik maken van een betaalbaar aanbod van hulp voor gezinstaken waarbij de te voeren administratie, wanneer gebruik gemaakt wordt van de diensten van de erkende intermediaire structuren, door een derde organisatie wordt overgenomen.

De gelijkheid tussen de gezinnen blijft gerespecteerd omwille van het feit dat ook een fiscale compensatie wordt toegekend aan de gezinnen die zelf instaan voor het vervullen van de noodzakelijke gezinstaken.

­ De thuisassistenten kunnen herintreden op een maatschappelijk erkende arbeidsmarkt en rechten creëren in een aantal deeltakken van de sociale zekerheid, wat hun sociale positie ook een meer stabiele basis geeft.

­ De overheid erkent dat dit systeem aan een bij de gezinnen bestaande behoefte naar betaalbare hulp tegemoet komt en ontvangt een socialezekerheids- en fiscaal inkomen in ruil voor deze maatschappelijke erkenning.

II. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
De artikelen 2, 3 en 4 brengen de nodige aanpassingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten aan. De arbeidsovereenkomst voor dienstboden wordt vervangen door de arbeidsovereenkomst voor de thuisassistent. Het arbeidsrechtelijk statuut van de thuisassistent wordt bepaald bij koninklijk besluit.

Artikel 5 geeft aan dat de arbeid verricht door de thuisassistent kan kaderen in een arbeidsovereenkomst afgesloten met een individuele werkgever-natuurlijke persoon. Het betreft hier dus een arbeidsovereenkomst die gesloten wordt met een individueel gezin.

Er wordt ook in de mogelijkheid voorzien dat thuisassistenten kunnen aangeworven worden door de door de gemeenschappen erkende diensten. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de reeds erkende diensten voor gezins- en bejaardenhulp. Werken met een dergelijke intermediaire structuur biedt als voordeel dat alle sociale en fiscale administratie door deze erkende dienst kan opgevolgd worden.

Teneinde in dit verband geen moeilijkheden te hebben bij toepassing van de wet van 24 juli 1987 inzake de terbeschikkingstelling van werknemers wordt erin voorzien dat het indienstnemen van thuisassistenten bij een erkende intermediaire structuur niet beschouwd wordt als een verboden terbeschikkingstelling. Dit is de bedoeling van artikel 6.

Artikel 7 legt de wettelijke basis om in het koninklijk besluit van 28 november 1969 de nodige aanpassingen voor een aangepast sociaal statuut voor de thuisassistent aan. Hier moet onder meer bepaald worden voor welke deeltakken van de sociale zekerheid er bijdragen verschuldigd zijn. Ook dient hier de forfaitaire berekeningsbasis (750 frank/dag) opgenomen te worden.

Artikel 8 wijzigt de tekst van het koninklijk besluit nr. 483 van 22 december 1986 inzake de vermindering van de werkgeversbijdragen bij de indienstneming van dienstboden.

Zoals reeds gesteld in de toelichting is het de bedoeling dat de vermindering van sociale bijdragen kan toegepast worden voor alle thuisassistenten en dit zonder dat er in dit verband een voorwaarde gesteld is inzake een zekere duur van bijvoorbeeld werkloos zijn, enz.

Hierdoor zullen alle gezinnen, die werkgever zijn van een thuisassistent, een beperkte socialezekerheidsbijdrage betalen voor zover zij personen ten laste (kinderen of anderen, bijvoorbeeld ascendenten) hebben.

Deze vermindering van sociale zekerheidsbijdragen geldt ook voor de intermediaire structuur die thuisassistenten in dienst neemt teneinde hen ter beschikking te stellen van individuele gezinnen.

Artikel 9 heeft tot doel de aan de thuisassistent betaalde bezoldiging en de hierop verschuldigde sociale bijdragen fiscaal aftrekbaar te maken in de personenbelasting en dit voor gezinnen met personen ten laste.

In dit verband wordt geen voorwaarde gesteld inzake het werkloos zijn van de thuisassistent.

Ook wordt de voorwaarde weggelaten dat de bezoldiging per belastbaar tijdperk ten minste 110 000 frank moet bedragen.

De voorwaarde wordt wel behouden dat slechts 50 % van de loonkost fiscaal aftrekbaar is, maar zonder plafondbedrag.

Er geldt alleen een fiscale aftrek in de personenbelasting. Dit wil zeggen dat deze bepalingen slechts gelden voor de individuele gezinnen-werkgever. Ook de sommen die door het gezin betaald zijn aan de hogervermelde intermediaire structuur zijn voor 50 % fiscaal aftrekbaar.

Er mag immers geen onderscheid gemaakt worden tussen gezinnen die zelf rechtstreeks een thuisassistent in dienst nemen en gezinnen die gebruik maken van de door de erkende diensten aangeboden thuisassistenten.

Artikel 10 bepaalt dat per gezin slechts het loon van één thuisassistent fiscaal aftrekbaar is.

De voorwaarde dat slechts de bezoldigingen toegekend aan één thuisassistent in aanmerking komen voor fiscale aftrek, geldt niet wanneer gebruik gemaakt wordt van de diensten van een intermediaire structuur omdat hier de wisselingen inzake de persoon van de thuisassistent veel frequenter zullen zijn.

Het is ook mogelijk dat een gezin in de loop van eenzelfde kalenderjaar (inkomstenjaar) achtereenvolgens verschillende thuisassistenten tewerkstelt. Het enige wat door artikel 10 onmogelijk gemaakt wordt, is de aftrek van de bezoldiging voor verscheidene thuisassistenten die op hetzelfde ogenblik prestaties leveren.

Wat de gelijktijdigheid betreft, wordt verwezen naar de betaalperiode van het loon.

Artikel 11 bepaalt dat de gezinnen welke geen vermindering krijgen voor de bezoldiging toegekend of betaald aan een thuisassistent of voor de sommen betaald aan een erkende intermediaire structuur, ook een fiscale compensatie krijgen. Deze compensatie wordt uitgewerkt onder de vorm van een verdubbeling van de belastingvrije som voor personen ten laste (dit wil zeggen kinderen en andere personen ten laste zoals bijvoorbeeld ascendenten).

Als voorwaarde wordt gesteld dat één van de partners of de alleenstaande ouder als hoofdzakelijke dagtaak het vervullen van de gezinstaken op zich neemt. Bij koninklijk besluit dient bepaald te worden hoe in dit verband het bewijs kan geleverd worden.

Mia DE SCHAMPHELAERE.
Sabine de BETHUNE.
Erika THIJS.

--------------------------------------------------------------------------------

WETSVOORSTEL

--------------------------------------------------------------------------------

Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In artikel 1, eerste lid, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten wordt het woord « dienstboden » vervangen door het woord « thuisassistenten ».

Art. 3

Artikel 5 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 17 juli 1985, wordt vervangen als volgt :

« Art. 5. ­ De arbeidsovereenkomst voor de thuisassistent is de overeenkomst waarbij de werknemer, thuisassistent, zich verbindt tegen loon en onder het gezag van een werkgever ­ natuurlijke persoon, hoofd- of handenarbeid te verrichten die verband houdt met de huishouding of het gezin van de werkgever. »

Art. 4

In titel V van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º Artikel 108 wordt als volgt vervangen :

« Art. 108. ­ Het arbeidsrechtelijk statuut van de thuisassistent wordt bepaald bij koninklijk besluit. »

2º Het opschrift van titel V en de artikelen 109 tot 118 worden opgeheven.

Art. 5

De arbeid die verricht wordt door een thuisassistent kan uitgevoerd worden in het kader van een arbeidsovereenkomst voor de thuisassistent, zoals bedoeld in de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten en die gesloten is tussen de betrokken thuisassistent en een individuele werkgever ­ natuurlijke persoon.

Deze arbeid kan ook verricht worden via een door de bevoegde overheid erkende intermediaire structuur waarbij de thuisassistent een arbeidsovereenkomst heeft gesloten met deze dienst.

Deze erkende dienst wordt als werkgever beschouwd.

Art. 6

Artikel 31, § 1, van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, waarvan de huidige tekst het eerste lid zal vormen en gewijzigd bij de wet van 13 februari 1998, wordt aangevuld met een tweede lid, luidende :

« De arbeid die verricht wordt door werknemers verbonden met een arbeidsovereenkomst voor de thuisassistent, zoals bedoeld in artikel 5 van de wet van 3 juli 1978, ten behoeve van gezinnen en dit via een door de bevoegde overheid erkende intermediaire structuur, wordt niet als een verboden terbeschikkingstelling beschouwd. »

Art. 7

De Koning neemt de nodige maatregelen om het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders aan te passen en om een sociaal statuut voor de thuisassistent uit te werken.

Art. 8

In artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 483 van 22 december 1986 tot vermindering van de socialezekerheidsbijdragen van de werkgevers bij de indienstneming van dienstboden, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º § 2, gewijzigd bij de wet van 7 november 1987, wordt vervangen als volgt :

« In de zin van dit besluit wordt als werkgever beschouwd, de natuurlijke persoon die een thuisassistent in dienst neemt teneinde hoofd- of handenarbeid te verrichten die verband houdt met de huishouding of het gezin van de werkgever en die personen ten laste heeft zoals bepaald in het Wetboek van de inkomstenbelastingen. Ook de door de bevoegde overheden erkende intermediaire structuur, die thuisassistenten in dienst neemt met de bedoeling hen ter beschikking te stellen van individuele gezinnen met het oog op de uitoefening van gezinstaken, wordt voor de toepassing van dit besluit als werkgever beschouwd. »

2º § 3, gewijzigd bij de wet van 13 februari 1998, wordt vervangen als volgt :

« De werknemer bedoeld in § 1 wordt in dienst genomen met een arbeidsovereenkomst voor de thuisassistent teneinde hoofd- of handenarbeid te verrichten die verband houdt met de huishouding of het gezin van de werkgever. »

Art. 9

Het artikel 104, 6º, van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992, wordt vervangen als volgt :

« 6º ­ 50 % van de bezoldigingen toegekend of betaald door een belastingplichtige met personen ten laste aan een thuisassistent, met inbegrip van de op die bezoldigingen verschuldigde wettelijke of reglementaire sociale bijdragen.

Onder bezoldigingen toegekend of betaald aan een thuisassistent worden ook begrepen de door de intermediaire structuur, die erkend is door de bevoegde overheden, afgeleverde en betaalde betalingsattesten voor de aan individuele gezinnen verstrekte diensten door middel van thuisassistenten die in dienst zijn van deze intermediaire structuur. »

Art. 10

Artikel 112 van hetzelfde wetboek, gewijzigd bij de wet van 6 juli 1994, wordt vervangen als volgt :

« Artikel 112 ­ § 1. Voor de aftrek van de in artikel 104, 6º, vermelde bezoldigingen toegekend of betaald aan een thuisassistent, kan per betaalperiode van het loon slechts de bezoldiging toegekend aan één thuisassistent in aanmerking worden genomen. In de loop van hetzelfde inkomstenjaar kunnen wel verscheidene thuisassistenten die achtereenvolgens tewerkgesteld zijn, in aanmerking komen voor de in artikel 104, 6º, bedoelde aftrek.

§ 2. De voorwaarde vermeld in § 1 geldt niet wanneer de tewerkstelling van de thuisassistenten gebeurt via de diensten aangeboden door een door de bevoegde overheid erkende intermediaire structuur. »

Art. 11

Artikel 132 van hetzelfde wetboek, gewijzigd bij de wet van 6 juli 1994, waarvan de huidige tekst § 1 zal vormen, wordt aangevuld met een § 2 luidende :

« § 2. De in de § 1, 1º tot 5º, vermelde toeslag wordt verdubbeld voor de belastingplichtigen die geen vermindering verkrijgen van de bezoldiging toegekend of betaald aan een thuisassistent, voorzien in artikel 104, 6º, en voor zover een van de partners of de alleenstaande ouder als hoofdzakelijke dagtaak het vervullen van de gezinstaken op zich neemt.

De Koning bepaalt hoe in dit geval het bewijs dient geleverd te worden. »

Art. 12

De Koning is belast met de uitvoering van deze wet.

Art. 13

Deze wet treedt in werking op een door de Koning te bepalen datum, en uiterlijk op 1 juli 2004.

21 juli 2003.

Mia DE SCHAMPHELAERE.
Sabine de BETHUNE.
Erika THIJS.



Terug naar het overzicht