Wetsvoorstel
20-08-2003

Sabine de Bethune

wetsvoorstel tot aanvulling van het Burgerlijk Wetboek met bepalingen inzake het zorgouderschap (3-167)

(Ingediend door mevrouw Sabine de Bethune)

--------------------------------------------------------------------------------

TOELICHTING

--------------------------------------------------------------------------------

Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 22 april 2002 in de Senaat werd ingediend (stuk Senaat, nr. 2-1110/1 ­ 2001/2002).

ALGEMEEN
Situering

Wetenschappelijke projecties leren dat het aantal huishoudens in Vlaanderen de komende vijftien jaar gestaag zal aangroeien. De gezinsverdunning houdt aan. Er komen meer kleinere gezinnen. De huishoudenomvang daalt van 2,59 personen in 1991 naar 2,27 in 2016. Van de 400 000 bijkomende huishoudens zouden er 350 000 singels zijn. Het aantal alleenstaanden met kinderen stijgt met 60 000. De gehuwden blijven in totaal ongeveer status quo, maar er zouden meer kinderloze koppels komen.

Het probleem met deze cijfers is dat het feitelijk samenleven wordt onderschat. Dit is een gevolg van het feit dat de projecties steunen op de wettelijke woonplaats. Het samenwoningsgedrag van uit elkaar gevallen koppels met kinderen bepaalt de huishoudens waarin heel wat kinderen de komende jaren zullen opgroeien. We weten dat mensen minder makkelijk huwen, sneller uit elkaar gaan en vaker ongehuwd samenleven, dat er meer nieuw samengestelde gezinnen zijn.

Meer kinderen zullen opgroeien in gezinnen met een ouder en een zorgouder ­ vaak de partner van de ouder. Het huwelijk blijft de belangrijkste gezinsvorm waarbinnen kinderen opgroeien ­ en verdient daarom bijkomende ondersteuning ­ maar is niet de enige plaats. Meer nieuw samengestelde gezinnen zullen in de toekomst instaan voor de opvoeding van kinderen. De engagementen van de zorgouder kunnen nogal eens verschillen. Vaak speelt ook de andere wettelijke ouder nog een beperkte rol. De maatschappij is gekenmerkt door een veelheid aan samenlevingsvormen.

In nieuw samengestelde gezinnen zijn relaties tussen kinderen, zorgende ouders en niet-zorgende juridische ouders complex. Biologisch, juridisch en feitelijk ouderschap zitten niet altijd meer bij één en dezelfde persoon.

Het aangepaste kader om de complexe relatie tussen kinderen en zorgouders te ondersteunen bestaat niet in onze wetgeving. Heel wat mensen zorgen voor kinderen (van bijvoorbeeld hun partner), maar kunnen weinig of geen rechten of plichten opnemen jegens die kinderen. Voor kinderen en zorgouders is in die situaties geen zekerheid, ook niet wanneer de nieuwe relaties tussen partners worden beëindigd.

Er moet eerst en vooral zekerheid komen voor kinderen in alle gezinnen en families. Ook in anders samengestelde gezinnen staat het belang van het kind voorop. De nieuwe partner van vader of moeder (hetero of holebi, een grootouder, een pleegouder, ... nemen vaak heel wat opvoedende taken over de kinderen op zich. De nieuw opgebouwde affectieve band tussen de niet-biologische zorgouder en het kind verdient wettelijke bescherming. Voor christen-democraten is de ondersteuning van alle gezinnen en families gemeenschapsvormend. Voor de indieners wordt een verbonden samenleving van onderuit opgebouwd. Zij willen daarom dat een wettelijke regeling bescherming biedt aan de opgebouwde zorgrelaties.

Zorgouderschap : een soepel systeem van gezamenlijk gezag

In Nederland bestaat sinds enige tijd de regeling van het gezamenlijk gezag. Dit statuut laat toe dat een ouder en diens partner samen het gezag over het kind opnemen, voor zover de ouder alléén het gezag over het kind had.

Het nadeel van het Nederlandse systeem, dat reeds als voorbeeld diende voor voorstellen in het Belgisch parlement, is dat het een vrij strak regime vormt dat weinig soepelheid biedt. Er is vereist dat een ouder gedurende een relatief lange periode juridisch alleen met het ouderlijk gezag belast was. In de praktijk is aan deze voorwaarde vaak niet voldaan, zelfs wanneer sprake is van een duurzame zorgrelatie tussen het kind en bijvoorbeeld de nieuwe partner van de ouder of een grootouder.

De indieners pleiten voor een soepel systeem, dat resoluut vertrekt vanuit het belang van het kind in de concrete situatie.

De voorwaarde dat een ouder gedurende een lange periode alleen het ouderlijk gezag juridisch uitoefende, wordt niet gesteld. Daartoe werd in het verleden veelal de tussenkomst van de rechter vereist. Dit is in de praktijk vaak een hinderpaal omdat de feitelijke situatie niet altijd overeenkomt met de juridische. Het besef dat de juridische bescherming van de concrete situatie nodig is komt soms later. Bovendien is de voorwaarde van het alleen belast zijn met het ouderlijk gezag te strikt. Vaak behoudt de andere (niet-zorgende) ouder een bepaalde zeggenschap over het kind, bijvoorbeeld als gevolg van een echtscheiding. Dit laatste kan niet beletten dat een zorgouder het kind effectief mee opvoedt en daarom een juridisch statuut wil.

Wanneer de ouders niet samenwonen en één van hen de daadwerkelijke opvoeding van het kind niet langer waarneemt, moet in het belang van het kind een zorgouder rechten en plichten van het ouderlijk gezag over het kind geheel of gedeeltelijk kunnen opnemen. Desgevallend kunnen bepaalde rechten en plichten ook aan de niet-zorgende ouder ontnomen worden. De zorgende ouder en de derde ­ vaak een nieuwe partner van die zorgende ouder ­ kunnen in dat geval gezamenlijk het ouderlijk gezag geheel of gedeeltelijk uitoefenen.

Voorwaarde is dat er een bijzondere affectieve band tussen het kind en de zorgouder bestaat. Dit criterium is reeds opgenomen in de wettelijke regeling van het recht op persoonlijk contact. De indieners wensen zich te richten naar het daar gehanteerde criterium.

Andere voorwaarde is dat beide zorgouders gedurende een onafgebroken periode van twee jaar voorafgaand aan het inleiden van de vordering daadwerkelijk samen zorg hebben gedragen voor het kind. Dit is een feitelijke kwestie, waarbij de zorgrelatie het louter occasionele overstijgt en een duurzaam karakter moet vertonen.

Grootouders en familieleden

Ook bijvoorbeeld grootouders kunnen toetreden tot het statuut. In de praktijk staan zij of andere familieleden in voor de daadwerkelijke opvoeding en verzorging van het kind. In die zin kunnen ook zij zorgouders zijn. De voorgestelde regeling kan ook hier een soepel en aangepast antwoord bieden, zonder dat de nodige waarborgen voor de ouders verloren gaan.

Voogdij en erfenis

De zorgouder kan op dit ogenblik zelf reeds aangewezen worden door de overblijvende ouder als testamentair voogd of als voogd na het openvallen van de voogdij.

In dit verband wensen de indieners de verplichting in te bouwen tot het horen van de zorgouder op het ogenblik van het openvallen van de voogdij, voor zover de zorgouder niet zou zijn aangewezen als voogd door de ouder.

Ook de erfrechtelijke gevolgen van het vooroverlijden van een zorgouder kunnen in het belang van het kind geregeld worden via testament binnen de perken van het beschikbare gedeelte. De indieners achten het niet wenselijk dat terzake wordt ingegrepen op het reservatair erfrecht.

In dit verband is het wel raadzaam voor zorgrelaties verminderde tarieven qua successie toe te passen. Hiertoe werd in het Vlaams parlement een voorstel van decreet ingediend (stuk nr. 793/1).

Verstoorde verstandhouding

Een scheidingsregeling wordt in de wet ingeschreven. Bepaalde verbintenissen lopen door nadat partners uiteengaan. De rechter kan op ieder ogenblik in het belang van het kind ingrijpen.

Indien de verstandhouding tussen beide zorgouders ernstig verstoord is, kan de rechter maatregelen nemen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag.

De andere dan de ouder is verplicht naar evenredigheid met de eigen middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, de opvoeding en de opleiding van het kind. Indien de opleiding niet is voltooid, loopt de verplichting door na de meerderjarigheid van het kind.

De juridische regeling van het zorgouderschap is een geschikt antwoord op nieuwe evoluties binnen onze Vlaamse families. Het biedt zekerheid, creëert duurzaamheid en maatschappelijke verbondenheid en brengt respect op voor opgenomen verantwoordelijkheid ongeacht de samenstelling van het gezin. Aan de fundamentele regeling van ouderlijke afstamming wordt niet geraakt, noch worden de nodige waarborgen voor de oorspronkelijke ouders opgegeven.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Artikel 2

De basisartikelen van de nieuwe regeling worden ingevoegd in het Burgerlijk Wetboek via een nieuwe titel IXbis, met als opschrift « Het zorgouderschap ».

De toepasbaarheid van de regeling rond het zorgouderschap is voor de ouder van het kind aan de voorwaarde gekoppeld dat de ouders niet samenwonen, en dat één van hen de daadwerkelijke opvoeding van het kind niet langer waarneemt. Dit is uiteraard een feitenkwestie. Dit houdt in dat de ouder zich niet langer dagelijks of regelmatig met de opvoeding van het kind inlaat. Het occasioneel opnemen van bepaalde opvoedkundige taken valt hier niet onder.

De rechten en plichten van het ouderlijk gezag over het kind worden gezamenlijk geheel of gedeeltelijk toegekend aan de ouder en een andere dan de ouder. De rechter beschikt hier over een ruime appreciatiemarge, waardoor de voorgestelde regeling voldoende soepel is om de geschikte oplossing te treffen voor de concrete situatie. Het is bijgevolg niet ondenkbaar dat de ouder die zich niet langer bekommert om de dagelijkse opvoeding van het kind, in meer of mindere mate mee het ouderlijk gezag blijft uitoefenen, zo dit in het belang van het kind is.

Als voorwaarde voor de zorgouder (en de ouder die zich wel nog daadwerkelijk om de opvoeding van het kind bekommert) wordt gesteld dat hij of zij een bijzondere affectieve band heeft met het kind en gedurende een onafgebroken periode van twee jaar voorafgaand aan het inleiden van de vordering daadwerkelijk zorg heeft gedragen voor het kind samen met een ouder.

Het criterium van de bijzondere affectieve band is hetzelfde als bedoeld in artikel 375bis van het Burgerlijk Wetboek.

Het samen daadwerkelijk zorg dragen voor het kind vereist dat een ouder en de zorgouder (andere dan de ouder) zich dagelijks of regelmatig met de opvoeding van het kind inlaten. Bovendien dienen zij dit samen te doen. Dit zal in de praktijk betekenen dat veelal sprake is van de vorming van een nieuw gezin. Ook hier zal het occasioneel opnemen van bepaalde opvoedkundige taken niet volstaan.

Het is belangrijk erop te wijzen dat het belang van het kind voor de rechter de uiteindelijke toetssteen is.

Het verzoek tot het toepassen van de regeling moet uitgaan van een ouder en een andere dan die ouder. Deze formulering is bewust breed gekozen, opdat ook bijvoorbeeld grootouders zouden kunnen in aanmerking komen.

De zorgouder neemt via het zorgouderschap minimaal een aantal verplichtingen op zich. Dit vormt een van de essentiële kenmerken van het instituut. De andere dan de ouder is bijgevolg in elk geval verplicht, naar evenredigheid van de eigen middelen, mee te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, de opvoeding en de opleiding van het kind. Indien de opleiding niet is voltooid, loopt de verplichting ook hier na de meerderjarigheid van het kind door. De indieners kiezen hier duidelijk voor een verband van rechten en plichten.

Deze verbintenissen lopen desgevallend door, ook na de verstoring van de verstandhouding tussen de zorgende ouders. Evenwel kan de rechter in het belang van het kind bepaalde maatregelen treffen in het kader van een « scheidingsregeling ».

De bevoegdheid wordt toegekend aan de vrederechter, aangezien die ­ als laagdrempelige buurtrechter ­ op termijn de familierechter bij uitstek moet worden. Dit betekent uiteraard een herschikking van diens bevoegdheden.

Het verzoek wordt ingeleid overeenkomstig de bepalingen van artikel 1034bis en volgende van het Gerechtelijk Wetboek. Er wordt gekozen voor een tegensprekelijk debat. Dit moet de rechten van de ouders van het kind in elk geval veiligstellen.

Artikel 3

De indieners zijn van mening dat de zorgouder bij het openvallen van de voogdij in elk geval moet gehoord worden. Vaak zal de zorgouder mogelijks als testamentair voogd zijn aangewezen, doch niet noodzakelijkerwijze.

Sabine de BETHUNE.

--------------------------------------------------------------------------------

WETSVOORSTEL

--------------------------------------------------------------------------------

Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In boek I van het Burgerlijk Wetboek wordt een titel IXbis ingevoegd, die de artikelen 387ter en 387quater omvat, luidende :

« Titel IXbis. Het zorgouderschap

Art. 387ter. ­ Indien de ouders niet samenwonen en één van hen het kind niet langer daadwerkelijk opvoedt, kan de vrederechter in het belang van het kind op verzoek van een ouder en een andere dan die ouder, de rechten en plichten van het ouderlijk gezag over het kind geheel of gedeeltelijk toekennen aan de ouder en een andere dan de ouder gezamenlijk, op voorwaarde dat er een bijzondere affectieve band bestaat tussen het kind en de andere dan de ouder en de ouder en de andere dan de ouder gedurende een onafgebroken periode van twee jaar voorafgaand aan het inleiden van de vordering daadwerkelijk samen voor het kind zorg hebben gedragen.

Indien een andere dan de ouder op grond van het eerste lid gezamenlijk het ouderlijk gezag over het kind geheel of gedeeltelijk uitoefent, is deze in elk geval verplicht naar evenredigheid van de eigen middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, de opvoeding en de opleiding van het kind. Indien de opleiding niet is voltooid, loopt de verplichting door na de meerderjarigheid van het kind.

Het verzoek bedoeld in het eerste lid wordt ingeleid overeenkomstig de artikelen 1034bis en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.

Art. 387quater. ­ Indien de verstandhouding tussen de ouder en de andere dan de ouder ernstig verstoord is, beveelt de rechter, op verzoek van een van de partijen, de te nemen maatregelen betreffende de uitoefening van het ouderlijk gezag, bedoeld in artikel 387ter. De andere dan de ouder is verplicht naar evenredigheid van de eigen middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, de opvoeding en de opleiding van het kind. Indien de opleiding niet is voltooid, loopt de verplichting door na de meerderjarigheid van het kind. »

Art. 3

In artikel 394 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd door de wet van 29 april 2001, wordt tussen het tweede en het derde lid het volgende lid ingevoegd :

« De vrederechter hoort in elk geval de andere dan de ouder die op grond van artikel 387ter het gezamenlijk ouderlijk gezag over het kind geheel of gedeeltelijk uitoefent, voor zover deze niet als voogd is aangewezen op grond van artikel 392. »

21 juli 2003.

Sabine de BETHUNE.



Terug naar het overzicht