Wetsvoorstel
20-08-2003

Sabine de Bethune

Wetsvoorstel tot instelling van het ouderschapsverlof (3-156)

(Ingediend door mevrouw Sabine de Bethune)

--------------------------------------------------------------------------------

TOELICHTING

--------------------------------------------------------------------------------

Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 20 april 2000 in de Senaat werd ingediend (stuk Senaat, nr. 2-418/1 ­ 1999/2000).

1. Ouderschapsverlof : het huidige stelsel
Sinds 1 januari 1998 hebben werknemers uit de privé-sector een recht op ouderschapsverlof van drie maanden per kind dat de leeftijd van vier jaar niet bereikt heeft. Het gaat om een individueel recht van zowel de vader als de moeder, dat niet overdraagbaar is. De maatregel is uitgebouwd ter ondersteuning van de gezinnen, met als bedoeling de combinatie van gezin en arbeid te vergemakkelijken en de gelijkheid tussen mannen en vrouwen te bevorderen.

Daarmee werd uitvoering gegeven aan richtlijn 96/34/EG van de Raad van de Europese Unie inzake ouderschapsverlof, waarbij « aan werknemers, zowel mannen als vrouwen, bij geboorte of adoptie van een kind een individueel recht op ouderschapsverlof wordt toegekend om hen in staat te stellen gedurende ten minste drie maanden tot een door de lidstaten en/of de sociale partners vast te stellen leeftijd van maximaal acht jaar voor hun kind te zorgen ».

In de schoot van de Nationale Arbeidsraad goten de sociale partners deze richtlijn in de CAO nr. 64 van 29 april 1997. Deze overeenkomst voert een recht in op ouderschapsverlof voor een periode van drie maanden. De CAO voorziet ook in de mogelijkheid om, mits akkoord tussen de betrokkenen, de drie maanden verlof op te nemen in gedeeltes of in een deeltijdse arbeidsregeling.

Daarnaast heeft de federale regering, onder impuls van minister Miet Smet, het initiatief genomen om het ouderschapsverlof aantrekkelijker te maken. Zij deed dat door middel van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 waarbij het ouderschapsverlof werd opgenomen in het systeem van de loopbaanonderbreking. Op die manier kan de werknemer een uitkering ontvangen en een aangepaste sociale bescherming genieten tijdens zijn verlof. Deze vergoeding bedraagt sedert oktober 1998, 20 400 frank per maand (voor een voltijdse onderbreking) en 10 200 frank per maand (voor een halftijdse onderbreking). In principe dient de werknemer tijdens zijn afwezigheid steeds te worden vervangen door een volledig uitkeringsgerechtigde werkloze of een daarmee gelijkgestelde persoon. Op de vervangingsplicht bestaan een reeks uitzonderingen.

De werknemer heeft de keuze omtrent de manier waarop hij zijn recht op ouderschapsverlof wenst aan te wenden : op basis van de CAO nr. 64 of het koninklijk besluit van 29 oktober 1997.

Tussen deze twee bepalingen zijn er evenwel een aantal belangrijke verschillen : ouderschapsverlof op basis van CAO nr. 64 wordt niet vergoed ­ en is dus in feite een vorm van onbetaald verlof ­, maar kan, mits akkoord van de werkgever, in gedeelten en/of met een vermindering van arbeidsprestaties worden opgenomen; bij ouderschapsverlof op basis van het koninklijk besluit wordt wél voorzien in een onderbrekingsuitkering, maar het verlof kan enkel voor een aaneengesloten periode van drie maanden (voltijds) of van zes maanden (halftijds) worden opgenomen, en dus niet in gedeelten of met een vermindering van arbeidsprestaties.

We willen hierbij vermelden dat door de Belgische optie om het ouderschapsverlof uit te bouwen tot een individueel (niet overdraagbaar) recht, niet enkel een gezinsvriendelijke, maar ook een roldoorbrekende man/vrouw-maatregel is genomen.

2. Ouderschapsverlof in België : de praktijk
Twee jaar na de invoering van het ouderschapsverlof, kunnen we stellen dat het systeem meer en meer ingeburgerd raakt en dat bij heel wat ouders met jonge kinderen het besef groeit dat zij er recht op hebben. Dit blijkt althans uit de cijfers : waren er in oktober 1998 in totaal 680 mensen die een uitkering voor ouderschapsverlof kregen, dan was dat aantal een jaar later reeds tot 7 217 opgelopen, waarbij 6 852 vrouwen (95 %) en 365 mannen (5 %) (Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, Directie statistieken en publicaties).

Een enquête over zorgarbeid, in het voorjaar van 1999 uitgevoerd door de KAV bij haar kernleden, bevestigt deze trend (Het gaat beter als we de zorg verdelen ­ Rapport Zorgarbeid, een onderzoek bij KAV-kernleden, september 1999, 59 blz.). Bij een grote meerderheid van de respondenten (78 %) was de vraag te horen naar meer flexibiliteit op maat van het gezin. Recht op deeltijdse arbeid en verlenging van ouderschapsverlof behoorden tot de top-vijf van de aangehaalde maatregelen om betaalde arbeid aan te passen aan de gezinsnoden. Hiermee zetten de bestuursleden meteen ook de toon : indien ouders opteren om tijdelijk zelf geheel of gedeeltelijk de zorg van hun kinderen op te nemen, dan moet dit kunnen.

In een andere enquête, in april 1998 uitgevoerd door de Bond van grote en jonge gezinnen bij vijfduizend ouders met een kind van drie tot vier maanden, werd gepeild naar de motieven voor het al dan niet opnemen van het ouderschapsverlof (Ons gezin is een duobaan, Ouderschapsverlof ­ een onderzoek bij ouders met jonge kinderen, Europees cofinancieringsproject van de Bond van grote en van jonge gezinnen « Lanceren van een gezinsdialoog over taalverdeling », uitgevoerd met de financiële steun van minister Miet Smet, september 1998, 81 blz.).

We vermelden hierbij dat deze enquête slechts enkele maanden na het in voege treden van het ouderschapsverlof werd uitgevoerd en dat de ouderschapsvergoeding op dat moment varieerde van 12 066 frank (voor gezinnen met één kind) tot 14 363 frank (bij drie kinderen of meer).

Van de 568 respondenten die voor ouderschapsverlof in aanmerking kwamen, hadden er 30 (5 %) het verlof ook daadwerkelijk opgenomen. Hierbij waren er slechts drie mannen. Als hoofdmotief voor het nemen van ouderschapsverlof werd de opvang van de kinderen aangeduid (76 %). Andere redenen waren : een te kort bevallingsverlof (24 %), het feit dat het verlof een recht is (21 %) en problemen met het vinden van (betaalbare) kinderopvang (9 %).

Naar de toekomst toe zeiden 36 % van de respondenten dat ze nog gebruik wensen te maken van ouderschapsverlof. Vooral vrouwen denken eraan ooit ouderschapsverlof te zullen opnemen (44 % van de vrouwen); bij mannen ziet een kleine meerderheid (20 %) het nemen van ouderschapsverlof als een reële mogelijkheid.

Ook hier blijkt de opvoeding van de kinderen de belangrijkste reden te zijn (genoemd door 66 % van de respondenten). Vooral het aspect « tijd » wordt als een belangrijke factor ervaren (in alle rust kinderen kunnen opvoeden, meer tijd maken voor het gezin, meer tijd voor zichzelf), alsook het belang dat ouders spelen bij de opvoeding (pedagogische argumenten). Bij respondenten die (nog) geen gebruik hadden gemaakt van ouderschapsverlof bleken vooral financiële overwegingen (37 %) te spelen. Maar ook redenen die verbonden zijn met de functie of het bedrijf (25 %) zijn belangrijke belemmerende factoren. Zo verklaarden respondenten geen ouderschapsverlof te nemen omdat hun functie het niet toelaat (teveel verantwoordelijkheid), omdat de vervanging problematisch zou zijn (kosten-baten voor het opleiden van een nieuwe werkkracht), of omdat men negatieve gevolgen vreest zodra men terug is (onder andere weinig promotiekansen).

Financiële redenen en motieven verbonden met de functie of het bedrijf werden veel meer door mannen genoemd dan door vrouwen. Vrouwen bleken, meer dan mannen, gekozen te hebben voor een andere oplossing (loopbaanonderbreking, deeltijdse arbeid, vermindering van arbeidsuren, ...). Dit bevestigt dat het vooral de vrouwen zijn die het probleem van de combinatie van gezin en arbeid oplossen.

64 % van de respondenten gaven aan ook in de toekomst (waarschijnlijk) geen beroep te zullen doen op ouderschapsverlof. De aangevoerde redenen stemmen overeen met de redenen waarom de respondenten ouderschapsverlof niet in overweging hebben genomen. Hierbij scoort opnieuw de financiële overweging het hoogst (38 %). 51 % van de respondenten verklaarden wél ouderschapsverlof te zullen nemen indien de financiële nadelen verkleinen.

3. Ouderschapsverlof in Europa
De meeste Europese lidstaten hebben, ter uitvoering van de Europese richtlijn, het recht op ouderschapsverlof opgenomen in hun nationale wetgeving. De wijze waarop dit is gebeurd verschilt van land tot land.

De duur van het verlof varieert van drie maanden (het minimum) (waaronder België en Griekenland), zes maanden (Denemarken, Italië en Nederland), achttien maanden (Zweden), twee jaar (Duitsland, Portugal en Oostenrijk) tot drie jaar (waaronder Spanje, Frankrijk en Finland).

De meeste landen voorzien in een vergoeding, hetzij een forfaitair bedrag, hetzij een inkomensgebonden vergoeding, hetzij een combinatie van beide. Enkel België, Denemarken, Griekenland en Nederland beschikken over een individueel recht. In de andere lidstaten gaat het om een gezinsrecht, dat wil zeggen dat het recht op ouderschapsverlof toegekend wordt aan het gezin en dat het gezin kan beslissen wie het verlof opneemt. Sommige lidstaten voorzien in een extra-stimulans voor vaders.

Van alle lidstaten van de Europese Unie hebben de Scandinavische landen het meest uitgebreide systeem (in termen van financiële regeling en flexibiliteit). Dit zijn dan ook de landen waar mannen het meest actief deelnemen aan het systeem.

Zweden voerde het ouderschapsverlof al in 1974 in. De modaliteiten van het verlof werden meermaals aangepast, waaronder een langere duur (van 180 tot 450 dagen) en een voordeliger salariscompensatieregeling (tot 90 %). Het Zweedse systeem voorziet één maand van het verlof exclusief voor de moeder en één maand exclusief voor de vader. De overige maanden zijn wisselbaar tussen vader en moeder.

Buiten de Europese Unie neemt vooral Noorwegen het voortouw. Daar kunnen ouders sedert 1993 kiezen tussen 42 weken volledig betaald ouderschapsverlof of 52 weken met een vergoeding van 80 %. Van die 42 of 52 weken zijn er vier uitdrukkelijk voor de vader gereserveerd (een zogenaamd « vaderschapsquotum) : als deze de vier weken niet opneemt, worden ze afgetrokken van het totale aantal weken waarop het gezin recht heeft. De resultaten bleven niet uit : in 1995 maakte 70 % van de vaders van de regeling gebruik (na een voorzichtig begin van 4 % in 1993).

4. De krachtlijnen van het wetsvoorstel
Dit voorstel kadert in een breder streven van CD&V ­ gesteund door een ruim maatschappelijk draagvlak ­ om gezinnen met kinderen de nodige ondersteuning te bieden en hen in staat te stellen om een verantwoorde keuze te maken op het vlak van de combinatie van gezin en arbeid.

De arbeidsdruk en de stress die voortvloeien uit het steeds moeilijker combineren van werk en privé-leven is immers het grootst bij gezinnen met kinderen.

Wij zijn van oordeel dat het ouderschapsverlof de aangewezen maatregel is om gezinnen in staat te stellen op een evenwichtige manier te kiezen voor het combinatiemodel. Het belang ­ en de aantrekkingskracht ­ van het ouderschapsverlof ligt precies in het feit dat deze maatregel ouders toelaat om tijd te besteden aan opvoedings- en zorgtaken binnen het gezin, terwijl de band met hun arbeidssituatie behouden blijft en hun kansen op de arbeidsmarkt worden gevrijwaard. Vooral voor vrouwen betekent dit een beperking van het risico op vervreemding van het arbeidsgebeuren, terwijl mannen via deze maatregel kunnen worden gestimuleerd om gezinsverantwoordelijkheden op te nemen.

Het ouderschapsverlof wil aldus uitdrukkelijk de gelijkheid tussen vrouwen en mannen bevorderen zowel op de arbeidsmarkt als bij de verdeling van de gezins- en zorgtaken. Daarom willen wij met dit voorstel het ouderschapsverlof verder uitbouwen tot een aantrekkelijk en geheel eigen stelsel voor gezinnen met kinderen. Ook vanuit gezinsorganisaties, zoals de Bond van grote en jonge gezinnen (zie Memorandum aan de federale regering, volksvertegenwoordigers en senatoren, juni 1999, blz. 16), politieke vrouwenorganisaties, zoals de CD&V-werkgroep Vrouw en maatschappij (zie De toekomst is vrouwelijk, Actieplan wetgevende verkiezingen 1999, blz. 26), vrouwenbewegingen, zoals KAV (zie Het gaat beter als we de zorg verdelen, september 1999, blz. 43-44), als vanuit de Raad van de gelijke kansen voor mannen en vrouwen (zie advies nr. 21 van 12 maart 1999 omtrent ouderschapsverlof) wordt hiervoor gepleit.

Ons voorstel bevat de volgende krachtlijnen met het oog op een verruiming en een verbetering van het ouderschapsverlof :

1. de vergoeding voor het ouderschapsverlof wordt verhoogd tot het gewaarborgd gemiddeld minimummaandinkomen;

2. de duur van het ouderschapsverlof wordt opgetrokken tot één jaar per kind voor beide ouders samen;

3. er wordt een extra stimulans ingebouwd voor zorgende vaders;

4. de vervangingsplicht wordt afgeschaft;

5. het ouderschapsverlof kan in gedeelten opgenomen worden;

6. het ouderschapsverlof kan worden opgenomen tot het kind maximum acht jaar is.

1. De vergoeding voor het ouderschapsverlof wordt verhoogd

De vergoeding voor het ouderschapsverlof moet worden verhoogd tot een bedrag dat minimaal overeenkomt met het gewaarborgd gemiddeld minimummaandinkomen voor een werknemer van minstens 21 jaar die voltijdse arbeidsprestaties levert. Momenteel bedraagt dit minimummaandinkomen 44 208 frank.

Ook al werd de vergoeding voor het ouderschapsverlof in oktober 1998 opgetrokken tot 20 400 frank, toch blijft dit bedrag onvoldoende voor vele werknemers. Vooral alleenstaanden maken weinig of geen gebruik van ouderschapsverlof omdat zij dit financieel niet aankunnen. Een verhoging van de vergoeding achten wij noodzakelijk om te verhinderen dat het ouderschapsverlof enkel wordt opgenomen door gezinnen die zich de gevoelige daling van het gezinsinkomen wel kunnen veroorloven. Bovendien kan het een bijkomende stimulans zijn (vooral voor mannen) om in het systeem te stappen.

In deze zin kan de vergoeding voor het ouderschapsverlof beschouwd worden als een soort « opvoedingsbonus » die de echte keuzevrijheid van ouders waarborgt om al dan niet de opvoeding van kinderen te combineren met een beroepsloopbaan.

2. De duur van het ouderschapsverlof wordt opgetrokken en er wordt een extra stimulans ingebouwd voor zorgende vaders

In Europees perspectief bekeken, is de duur van het ouderschapsverlof in België relatief kort. Ons land heeft geopteerd voor een duur van drie maanden, dit is de termijn die als minimum werd opgegeven in de richtlijn over ouderschapsverlof van de Raad van de Europese Unie. De meeste Europese landen voorzien in een (veel) langere termijn. Daartegenover staat dat in België het stelsel van loopbaanonderbreking werd ingevoerd, dat aan werknemers de mogelijkheid biedt om hun beroepsactiviteit gedurende een bepaalde tijd geheel of gedeeltelijk te schorsen om nadien hun vroegere betrekking in de onderneming weer op te nemen.

Hoewel de rechten op loopbaanonderbreking aanzienlijk werden uitgebreid, bestaat er nog geen absoluut recht op loopbaanonderbreking omwille van gezinsredenen.

Daarom pleiten wij voor een verhoging van de duur van het ouderschapsverlof.

Wij willen hierbij voortbouwen op de huidige regeling die aan ouders het recht geeft op drie maanden ouderschapsverlof voor eenzelfde kind. Het gaat om een onoverdraagbaar, persoonlijk recht : indien één van de ouders die drie maanden niet opneemt, gaan deze verloren voor het gezin.

In ons voorstel blijven de drie maanden ouderschapsverlof in hoofde van elk van beide ouders behouden. Deze worden aangevuld met een bijkomende vijf maanden ouderschapsverlof, die vrij kunnen worden opgenomen door de vader of door de moeder. Indien beide ouders minimum drie maanden ouderschapsverlof opnemen, heeft het gezin bovendien recht op een maand extra verlof, dat vrij kan worden opgenomen door de vader of door de moeder.

Bijgevolg kunnen beide ouders samen twaalf maanden ouderschapsverlof opnemen, op voorwaarde evenwel dat elk van beide ouders gebruik maakt van zijn onoverdraagbaar recht op drie maanden ouderschapsverlof.

Deze maatregel moet gezien worden als een uitdrukkelijke stimulans naar mannen toe : hiermee willen we hen aanzetten tot het opnemen van zorgarbeid voor kinderen. Vandaar ons voorstel om de duur van het ouderschapsverlof weliswaar uit te breiden, wat ten goede komt aan het hele gezin, maar om daarbij de nadruk te leggen op de zorgplicht van vaders. Wij willen hierdoor een mentaliteitswijziging teweeg brengen, waarbij het voor vaders normaal wordt om verlof op te nemen voor de opvoeding van het kind.

In ons voorstel voorzien we ook in de mogelijkheid om het ouderschapsverlof open te stellen voor werknemers die niet de ouder zijn van het kind, maar die effectief instaan voor de opvoeding van het kind. We denken hierbij concreet aan de feitelijke opvoedingssituatie in bijvoorbeeld nieuw samengestelde gezinnen of andere samenlevingsvormen.

3. Wij pleiten ook voor de afschaffing van de vervangingsplicht.

Om recht te hebben op een uitkering dient de werknemer die ouderschapsverlof opneemt tijdens de duur van de onderbreking in principe te worden vervangen door een volledig uitkeringsgerechtigde werkloze of daarmee gelijkgestelde persoon. Deze vervanging is niet verplicht wanneer het een werknemer betreft van een kleine en middelgrote onderneming met minder dan tien werknemers of wanneer de werkgever op objectieve wijze aan het bevoegde werkloosheidsbureau van de RVA kan aantonen dat er geen enkele vervanger beschikbaar is voor de werknemer.

Het gebeurt echter dikwijls dat werknemers, die hun recht op ouderschapsverlof wensen uit te oefenen, van hun werkgever te horen krijgen dat zij niet kunnen vervangen worden, veelal omdat er geen vervangers te vinden zijn. Vaak leidt dit ertoe dat de werknemer uiteindelijk beslist om het ouderschapsverlof dan toch maar niet op te nemen. Wij zijn van oordeel dat, vermits ouderschapsverlof een recht is, werknemers optimaal gebruik moeten kunnen maken van hun recht. Daarom willen wij afstappen van de vervangingsplicht. Dit neemt niet weg dat het de werkgever vooralsnog vrij staat om de werknemer te vervangen. Direct of indirect zullen dan ook kansen aan werklozen geboden worden, zodat terugverdieneffecten verwacht mogen worden. Om de organisatorische problemen te compenseren die in sterkere mate kunnen voorkomen bij kleine en middelgrote ondernemingen, wordt er evenwel in voorzien dat bij een vervanging van de werknemer die ouderschapsverlof neemt, kleine en middelgrote ondernemingen aanspraak kunnen maken op een vermindering van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid die verschuldigd zijn voor deze vervanging.

4. Het ouderschapsverlof moet in gedeelten kunnen opgenomen worden

Werknemers moeten de mogelijkheid hebben om het ouderschapsverlof ofwel volledig, ofwel in ononderbroken periodes van minimaal één maand op te nemen, met behoud van het recht op een vergoeding. Hierbij hebben ze de keuze tussen een volledige schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst of het halftijds verderzetten van de arbeidsprestaties. Het kunnen opnemen van het ouderschapsverlof in gedeelten is om verschillende redenen belangrijk. Het biedt het voordeel dat de continuïteit van en de band met het werk meer wordt gewaarborgd dan wanneer men gedurende langere tijd afwezig is. Vermits het vooralsnog vooral vrouwen zijn die ouderschapsverlof opnemen, zou dit vooral hen ten goede komen. We denken dat de mogelijkheid om het ouderschapsverlof in gedeelten op te nemen ook drempelverlagend kan werken, in het bijzonder voor mannen.

Wellicht zullen ze eerder geneigd zijn om ouderschapsverlof op te nemen indien ze niet ­ zoals nu het geval is ­ gedurende drie volle maanden (of halftijds gedurende zes maanden) afwezig zijn. Bovendien kunnen gezinnen met een lager inkomen op die manier het inkomensverlies spreiden in de tijd.

5. Het ouderschapsverlof moet kunnen opgenomen worden tot het kind maximum acht jaar is of gedurende een periode van acht jaar in geval van adoptie

De huidige leeftijdsgrens van vier jaar is te beperkend. De opvangmoeilijkheden voor kinderen nemen vaak toe vanaf de leeftijd van vier jaar. Daarom pleiten wij ervoor om, overeenkomstig de Europese richtlijn inzake ouderschapsverlof, de leeftijdsgrens op te trekken tot acht jaar.

Artikelsgewijze toelichting
Artikel 2

Dit artikel voegt een recht op ouderschapsverlof in in hoofdstuk IV, afdeling V, van de herstelwet van 22 januari 1985. Hierdoor krijgt het ouderschapsverlof een wettelijke basis, waar het voorheen een koninklijk besluit als grondslag had.

Artikel 107ter omschrijft het principe en de modaliteiten van dit recht.

Overeenkomstig de eerste paragraaf komt het recht op ouderschapsverlof in hoofde van de werknemers tot stand naar aanleiding van de geboorte of de adoptie van hun kind. Iedere ouder heeft recht op een ouderschapsverlof van drie maanden, welke onoverdraagbaar zijn. Deze periode kan worden aangevuld met een bijkomende vijf maanden ouderschapsverlof, welke wél overdraagbaar zijn en bijgevolg vrij kunnen worden opgenomen door de vader of door de moeder. Indien beide ouders minimum drie maanden ouderschapsverlof opnemen, komt er bovenop deze vijf maanden nog een extra maand ouderschapsverlof. Van deze twaalf maanden kunnen dus maximaal negen maanden door één en dezelfde ouder worden opgenomen. Het staat de werknemer vrij om het ouderschapsverlof in gedeelten op te nemen, zij het in ononderbroken periodes van minimaal één maand.

Paragraaf twee omschrijft de leeftijdsvoorwaarden met betrekking tot het kind. Het ouderschapsverlof kan opgenomen worden tot het kind de leeftijd van acht jaar heeft bereikt. Voor een kind met een handicap van minstens 66 % wordt die leeftijdsgrens opgetrokken tot twaalf jaar.

Paragraaf drie geeft de Koning de mogelijkheid om het recht op ouderschapsverlof open te stellen voor werknemers die effectief instaan voor de opvoeding van het kind, zonder de ouder te zijn van dit kind.

Overeenkomstig artikel 107quater kan de werknemer in het kader van het recht op ouderschapsverlof hetzij de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst volledig schorsen, hetzij zijn arbeidsprestaties halftijds verder zetten.

Artikel 107quinquies regelt de vergoeding voor het ouderschapsverlof : voor een volledige schorsing van de loopbaan stemt deze minimaal overeen met het bedrag van het gewaarborgd gemiddeld minimuminkomen van een werknemer van minstens 21 jaar die normale voltijdse arbeidsprestaties levert; bij halftijdse arbeidsprestaties ontvangt de werknemer de helft van dit bedrag.

Artikel 107sexies biedt de Koning de mogelijkheid om nadere regelingen en uitvoeringsmogelijkheden te bepalen met betrekking tot het recht op ouderschapsverlof.

Artikel 3

De tweede zin van het eerste lid van artikel 100 van de herstelwet van 22 januari 1985 bevat het algemeen principe dat een werknemer die de uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst volledig schorst moet vervangen worden door een volledig uitkeringsgerechtigde werkloze of daarmee gelijkgestelde persoon, maar voorziet tegelijkertijd in een aantal uitzonderingen op deze regel. Artikel 3 breidt deze uitzonderingen uit voor het geval een beroep wordt gedaan op het recht op ouderschapsverlof.

Artikel 4

De tweede zin van het eerste lid van artikel 102 van de herstelwet van 22 januari 1985 bevat het algemeen principe dat een werknemer die zijn arbeidsprestaties vermindert moet vervangen worden door een volledig uitkeringsgerechtigde werkloze of daarmee gelijkgestelde persoon, maar voorziet tegelijkertijd in een aantal uitzonderingen op die regel.

Artikel 4 breidt deze uitzonderingen uit voor het geval een beroep wordt gedaan op het recht op ouderschapsverlof.

Artikel 5

Dit artikel voorziet in de gedeeltelijke vrijstelling van de werkgeversbijdragen voor sociale zekerheid ingeval een werkgever van een kleine en middelgrote onderneming met minder dan 10 werknemers een werknemer vervangt die ouderschapsverlof neemt.

Sabine de BETHUNE.

--------------------------------------------------------------------------------

WETSVOORSTEL

--------------------------------------------------------------------------------

Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Hoofdstuk IV, afdeling 5 van de herstelwet houdende sociale bepalingen van 22 januari 1985 wordt aangevuld met een onderafdeling 6, die de artikelen 107ter tot 107sexies bevat, luidende :

« Onderafdeling 6 : Recht op ouderschapsverlof

Art. 107ter. ­ § 1. Naar aanleiding van de geboorte of de adoptie van een kind hebben de werknemers bedoeld in artikel 99, die ouder zijn van een rechtgevend kind, samen recht op een ouderschapsverlof van twaalf maanden per kind.

Dit recht op ouderschapsverlof bestaat uit een niet-overdraagbare periode van drie maanden per kind voor elk van de ouders en uit een overdraagbare periode van vijf maanden per kind, welke wordt aangevuld met een bijkomende maand, indien beide ouders minimum drie maanden ouderschapsverlof opnemen. Dit ouderschapsverlof kan worden opgenomen in ononderbroken periodes van minimaal één maand.

§ 2. Het recht bedoeld in § 1 wordt toegekend :

­ naar aanleiding van de geboorte van een kind uiterlijk tot het kind de leeftijd van acht jaar heeft bereikt;

­ naar aanleiding van de adoptie van een kind, gedurende een periode van acht jaar die loopt vanaf de inschrijving van het kind als deel uitmakend van het gezin in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar de werknemer zijn verblijfplaats heeft.

Wanneer het kind voor ten minste 66 % getroffen is door een vermindering van lichamelijke of geestelijke geschiktheid in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag, wordt het recht op ouderschapsverlof toegekend uiterlijk tot het kind twaalf jaar wordt.

§ 3. De Koning kan andere personen die effectief instaan voor de opvoeding van het in § 2 bedoelde kind gelijkstellen met een ouder bedoeld in § 1 en dit volgens de nadere regelen en voorwaarden die Hij bepaalt.

Art. 107quater. ­ De werknemers bedoeld in artikel 107ter kunnen, in het kader van het recht op ouderschapsverlof voorzien in artikel 107ter, de uitvoering van hun arbeidsovereenkomst volledig schorsen, zoals bedoeld bij artikel 100, of hun arbeidsprestaties halftijds verderzetten, zoals bedoeld bij artikel 102.

Art. 107quinquies. ­ De werknemers die gebruik maken van het recht bedoeld in artikel 107ter hebben recht op een forfaitaire uitkering waarvan het bedrag en de toekenningsvoorwaarden door de Koning worden bepaald.

Het bedrag van de uitkering stemt voor een volledige schorsing van de loopbaan minimaal overeen met het bedrag van het gewaarborgd gemiddeld minimummaandinkomen voorzien in een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten in de Nationale Arbeidsraad voor een werknemer van minstens 21 jaar die normale voltijdse arbeidsprestaties levert. De werknemers die hun arbeidsprestaties halftijds verderzetten ontvangen de helft van dit bedrag.

Art. 107sexies. ­ De Koning kan nadere regelen bepalen met betrekking tot de uitoefening van het recht op ouderschapsverlof. »

Art. 3

Artikel 100, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij wet van 21 december 1994, wordt aangevuld als volgt : « of artikel 107ter ».

Art. 4

Artikel 102, § 1, eerste lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij wet van 26 maart 1999, wordt aangevuld als volgt : « of artikel 107ter ».

Art. 5

Artikel 104bis van dezelfde wet, ingevoegd bij wet van 22 december 1995, wordt aangevuld met het volgende lid :

« Deze vrijstelling geldt ook voor de werkgevers van kleine en middelgrote ondernemingen die minder dan 10 werknemers tewerkstelden op 30 juni van het voorgaand burgerlijk jaar die, in geval van een beroep op artikel 107ter, overgaan tot de vervanging van de werknemer. »

21 juli 2003.

Sabine de BETHUNE.



Terug naar het overzicht