Wetsvoorstel
20-08-2003

Sabine de Bethune

Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en het Gerechtelijk Wetboek, wat het gebruik van de naam van de echtgenoot betreft (3-152)

(Ingediend door mevrouw Sabine de Bethune)

--------------------------------------------------------------------------------

TOELICHTING

--------------------------------------------------------------------------------

Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 8 november 1999 in de Senaat werd ingediend (stuk Senaat, nr. 2-141/1 ­ 1999/2000).

Tijdens het huwelijk behouden beide echtgenoten de naam die ze hebben op grond van hun afstamming.

Volgens een aloude gewoonte ­ bevestigd door de rechtspraak ­ heeft elke echtgenoot het recht de naam van de andere echtgenoot te gebruiken. In de beroepsbetrekkingen wordt dit gebruik geregeld door artikel 216, § 2, van het Burgerlijk Wetboek.

Overigens dragen de kinderen die voortkomen uit het huwelijk krachtens artikel 335 van het Burgerlijk Wetboek de naam van de vader.

Bij echtscheiding vervallen de aanspraken op de familienaam van de andere echtgenoot, alhoewel hierover geen wettelijke regeling bestaat. In de praktijk bestaan er evenwel twee uitzonderingen.

Zo wordt in de rechtspraak en rechtsleer aangenomen dat de echtgenoten elkaar kunnen machtigen om ook na echtscheiding elkaars naam bij de beroepsuitoefening te gebruiken (Pintens, W., Naam, APR-reeks, Story, Gent, 1981, nr. 112). Volgens de rechtspraak en rechtsleer mag ook de ex-echtgenoot die onder de naam van zijn gewezen echtgenoot een zekere bekendheid heeft verworen als kunstenaar en daarop een intellectueel recht heeft verkregen, die naam verder gebruiken (Ballon, G.L., « Ik gaf mijzelf (g)een naam. Over anoniem en pseudoniem optreden in de openbaarheid », TPR, 1981, 567, nr. 8 en 538, nr. 15). Deze uitzonderingen worden strikt toegepast. Zo werd aan een uit de echt gescheiden vrouw het verbod opgelegd nog verder de naam van haar voormalige echtgenoot te gebruiken op straffe van een dwangsom bij iedere overtreding van het verbod (rechtbank van Brussel, 27 januari 1982, R.W., 1983-1984, blz. 2970).

In de praktijk zijn het (bijna) uitsluitend vrouwen die tijdens het huwelijk de naam van hun echtgenoot gebruiken.

Deze gewoonte is de jongste decennia gevoelig afgenomen. Dit heeft hoofdzakelijk te maken met het feit dat de zelfstandigheid van de partners in het huwelijk is toegenomen en dat steeds meer vrouwen deelnemen aan het economisch, sociaal en cultureel leven. Jonge gehuwde vrouwen kiezen er steeds meer voor om onder hun eigen familienaam door het leven te gaan.

Toch moeten we vaststellen dat nog heel wat gehuwde vrouwen in het burgerlijk en het beroepsleven de familienaam van hun echtgenoot gebruiken. Ofwel behoren zij tot een generatie waar dit de sociale norm was, ofwel hebben zij uitdrukkelijk gekozen om de familienaam van hun echtgenoot en dus ook van hun kinderen als « gezinsnaam » te gebruiken.

Zij vinden het vooral praktisch dat zij met betrekking tot de kinderen en de contacten met school, sportverenigingen, ... dezelfde naam als hun kinderen kunnen gebruiken.

Een echtscheiding heeft ingrijpende gevolgen voor de vrouwen die de naam van hun man gebruiken. Zij hebben zich immers met deze naam geïdentificeerd. Vele vrouwen blijken in hun omgeving niet of amper gekend te zijn onder hun eigen naam. Na de scheiding worden zij verplicht om een naam te dragen waarmee niemand uit hun omgeving vertrouwd is.

Tevens verliest de vrouw ten gevolge van de echtscheiding de zichtbare identificatieband met haar kinderen, terwijl deze band blijft voortduren voor de man die uit de echt gescheiden is. Het feit dat door de echtscheiding enkel moeders het recht verliezen om dezelfde naam te dragen als hun kinderen is een discriminatie in de zin van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Ook bij de kinderen geeft dit plotse verschil tussen hun naam en de naam van hun moeder aanleiding tot verwikkelingen in hun persoonlijk en familiaal leven.

Het probleem van de zichtbare identificeerbaarheid van de moeder met haar kinderen zou opgelost kunnen worden door de wetgeving betreffende de naam van het kind te wijzigen, door bijvoorbeeld als norm te stellen dat het kind een dubbele naam draagt waarbij de familienaam van de moeder aan die van de vader zou worden toegevoegd.

De indiener van dit voorstel is voorstander van een dergelijke regeling, maar is zich ervan bewust dat dit een ruim maatschappelijk debat vergt; bovendien zou dit geen oplossing bieden voor tal van problemen die zich thans reeds voordoen.

De naam van een persoon als identificatiemiddel en als uitdrukking van verbondenheid met een familie wordt geacht deel uit te maken van zijn of haar privé- en gezinsleven en wordt aldus beschermd door artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EHRM, arrest-Burghartz t./Zwitserland, 22 februari 1994, § 24). Het recht op een privé-leven en een gezinsleven tussen een ouder en zijn of haar kind wordt niet beëindigd bij de echtscheiding van een echtpaar (Velu, J. en Ergec, R., La Convention européenne des droits de l'homme, Brussel, Bruylant, 1990, nr. 671). Ten slotte kan een verschil in behandeling dat uitsluitend gebaseerd is op basis van het geslacht enkel in geval van bijzonder dwingende redenen in overeenstemming zijn met het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EHRM, gecit. arrest en arrest-Schuler-Zgraggen t./Zwitserland, 24 juni 1993, § 67).

Teneinde dit probleem te regelen heeft een aantal landen van de Europese Unie aan de uit de echt gescheiden echtgenoten het recht toegekend om de naam van hun ex-echtgenoot te dragen, overeenkomstig de nationaal geldende gebruiken. Zo is de Nederlandse wetgeving wat betreft het dragen van de naam gebaseerd op het gelijkheidsbeginsel van de vader en de moeder ten opzichte van hun kinderen. Aan de uit de echt gescheiden vrouw die niet hertrouwd is wordt immers het recht toegekend de naam van haar man te voeren en dit recht kan haar niet worden ontnomen, zolang er kinderen uit haar huwelijk in leven zijn (artikel 9 van het nieuwe Nederlandse Burgerlijk Wetboek).

Dit wetsvoorstel beoogt echtgenoten die tijdens het huwelijk de naam van de andere echtgenoot hebben gebruikt het recht te geven om, zo zij dit wensen, deze naam verder te gebruiken. Dit recht houdt de band zichtbaar tussen deze ouder en de kinderen en voorkomt pijnlijke en ongerieflijke identificatieproblemen.

Het voorstel doet geen afbreuk aan de bestaande regeling inzake het gebruik van de naam van de (ex-) echtgenoot in de beroepsbetrekkingen. Tijdens het huwelijk blijft de regeling die vervat is in het huidige artikel 216 van het Burgerlijk Wetboek van kracht. Na de ontbinding van het huwelijk door echtscheiding kunnen de voormalige echtgenoten elkaar machtigen elkaars naam verder te blijven gebruiken overeenkomstig de thans geldende gebruiken.

Het voorstel is niet van toepassing op de wettelijk samenwonenden. De gevolgen van de wettelijke samenwoning zullen immers worden bepaald door artikel 1477 van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd door de wet van 23 november 1998 tot invoering van de wettelijke samenwoning. Artikel 216 van het Burgerlijk Wetboek hoort niet bij de artikelen die van overeenkomstige toepassing werden verklaard op de wettelijke samenwoning.

Sabine de BETHUNE.

--------------------------------------------------------------------------------

WETSVOORSTEL

--------------------------------------------------------------------------------

Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet met uitzondering van artikel 4 dat een aangelegenheid regelt als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

Art. 2

In artikel 216, § 2, van het Burgelijk Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, wordt vóór het eerste lid het volgende lid ingevoegd :

« Iedere echtgenoot heeft het recht de naam van de andere echtgenoot te dragen of op de gebruikelijke wijze aan zijn of haar naam te doen voorafgaan of erop te laten volgen, onverminderd hetgeen hierna bepaald wordt inzake de beroepsbetrekkingen. »

Art. 3

Artikel 305 van hetzelfde wetboek, opgeheven bij de wet van 1 juli 1972, wordt opnieuw opgenomen in de volgende lezing :

« Art. 305. ­ Behalve wat de beroepsbetrekkingen betreft, behoudt iedere echtgenoot na de ontbinding van het huwelijk door echtscheiding het recht de naam van de andere echtgenoot te gebruiken overeenkomstig artikel 216, § 2. De andere echtgenoot kan tegen dit gebruik alleen opkomen als er geen levende afstammelingen zijn en om ernstige redenen, bij de rechtbank van eerste aanleg, en in spoedeisende gevallen bij de voorzitter van die rechtbank. »

Art. 4

In artikel 628, 2º, van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976 en gewijzigd bij de wet van 24 juli 1978, wordt tussen het cijfer « 224, » en het cijfer « 1395 » het cijfer « 305, » ingevoegd.

Art. 5

Deze wet is van toepassing op de echtgenoten, zelfs indien hun huwelijk werd aangegaan vóór de inwerkingtreding van deze wet. Zij is tevens van toepassing op de voormalige echtgenoten, zelfs indien hun echtscheiding werd toegestaan of uitgesproken vóór de inwerkingtreding van deze wet.

21 juli 2003.

Sabine de BETHUNE.



Terug naar het overzicht