Wetsvoorstel
20-08-2003

Sabine de Bethune

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 205 van het Gerechtelijk Wetboek teneinde het ambt van werkend of plaatsvervangend rechter in handelszaken open te stellen voor meewerkende echtgenoten (3-151)

(Ingediend door mevrouw Sabine de Bethune)

--------------------------------------------------------------------------------

TOELICHTING

--------------------------------------------------------------------------------

Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 25 oktober 1999 in de Senaat werd ingediend (stuk Senaat, nr. 2-123/1 ­ 1999-2000).

Artikel 205 van het Gerechtelijk Wetboek legt de voorwaarden vast waaraan moet worden voldaan om tot werkend of plaatsvervangend rechter in handelszaken te kunnen worden benoemd.

Overeenkomstig dit artikel moet een kandidaat-rechter in handelszaken ten volle dertig jaar oud zijn en gedurende ten minste vijf jaar met ere handel hebben gedreven of deelgenomen hebben aan het beheer van een handelsvennootschap waarvan de hoofdvestiging zich in België bevindt of aan het bestuur van een representatieve professionele of interprofessionele organisatie uit de handel of de nijverheid.

Hoewel over het aantal vrouwelijke, respectievelijk mannelijke rechters in handelszaken geen precieze statistische gegevens voorhanden zijn, kan toch met zekerheid worden gesteld dat de groep vrouwelijke rechters in handelszaken slechts een kleine minderheid vormt.

Bij wijze van voorbeeld verwijzen we naar de situatie bij de rechtbank van koophandel van Kortrijk, waar slechts 3 vrouwen zitting hebben als rechter in handelszaken, op een totaal van 28 (10,7 %).

Die vaststelling dat vrouwen ondervertegenwoordigd zijn in de functie van rechter in handelszaken is niet enkel strijdig met het gelijkekansenbeginsel van vrouwen en mannen, maar staat ook in schril contrast met het toenemende belang van de vrouw in het economisch leven.

De jongste jaren is er een duidelijke aangroei van de vrouwelijke beroepsbevolking merkbaar. Uit statistieken blijkt dat met name het vrouwelijk ondernemerschap in de lift zit : in 1993 waren er bijvoorbeeld 203 690 vrouwelijke zelfstandigen, hetzij 27 % van de totale zelfstandige beroepsbevolking of bijna 30 000 meer dan in 1987.

Een andere groep beroepsactieve vrouwen die in het zelfstandig ondernemen een onmiskenbare bijdrage leveren tot het succes van de ondernemingen waarin zij actief zijn, zijn de meewerkende echtgenotes.

De meewerkende echtgeno(o)t(e) kan worden omschreven als de persoon die intensief, regelmatig en effectief bijstand verleent aan zijn/haar zelfstandige huwelijkspartner bij de uitoefening van diens beroepswerkzaamheid.

In ons rechtsbestel vinden we de meewerkende echtgeno(o)t(e) terug in de wet van 14 december 1989 inzake het sociaal statuut der zelfstandigen, die de meewerkende echtgeno(o)t(e) toestaat een beroep te doen op vrijwillige onderwerping, beperkt tot het stelsel van de ziekte- en invaliditeitsverzekering, sector uitkeringen, en in artikel 86 van het Wetboek van inkomstenbelastingen, dat het mogelijk maakt aan de meewerkende echtgeno(o)t(e) een « meewerkinkomen » toe te kennen.

Waar er geen discussie bestaat over de notie « meewerkende echtgeno(o)t(e) », is er wel onduidelijkheid over het precieze aantal meewerkende echtgenoten in België.

Aangezien meewerkende echtgenoten niet verplicht zijn een afzonderlijke inschrijving te nemen, maar bescherming genieten uit hoofde van het sociaal statuut van hun partner, komen zij als zodanig niet voor in de statistieken van de sociale zekerheidsstelsels.

Een uitzondering hierop vormt de mogelijkheid van meewerkende echtgenoten om zich vrijwillig te verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid : in 1995 bleken 4 669 meewerkende echtgenoten van deze vrijwillige onderwerping gebruik gemaakt te hebben, waarvan 4 294 vrouwen en 375 mannen.

Op basis van de fiscale aangiften komen we tot een veel hoger aantal meewerkende echtgenoten. Zo blijkt dat in 1995 in ongeveer 180 000 belastingaangiften van de mogelijkheid gebruik werd gemaakt om, conform artikel 86 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, een meewerkinkomen over te dragen aan « de echtgenoot die de andere echtgenoot in de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid werkelijk helpt ».

Deze cijfers geven in elk geval aan dat het aantal meewerkende echtgenoten aanzienlijk is. Bovendien wordt geschat dat deze groep voor 98 % uit vrouwen bestaat; in de praktijk blijkt het inderdaad in de grote meerderheid van de gevallen de man te zijn die in een gezinsbedrijf titularis is van de beroepstitel (zelfstandige, handelaar, landbouwer) en is het zijn vrouw die hem als meewerkende echtgenote bijstaat.

Uit de dagdagelijkse realiteit blijkt dat deze meewerkende echtgenotes een belangrijke plaats innemen in het bedrijf van hun partners en dat een meerderheid zich daadwerkelijk heeft ontwikkeld tot mede-ondernemer.

Een onderzoeksrapport, met als titel « De vrouw in het zelfstandig ondernemen », dat eind 1993 werd afgerond na een onderzoek dat in opdracht van de minister voor Gelijke Kansen Miet Smet en onder leiding van professor Jan Degadt werd uitgevoerd door het KMO-Studiecentrum van de KU Brussel, in samenwerking met het Economisch Instituut voor KMO, verschaft ons een duidelijk beeld van de situatie van de meewerkende echtgenotes.

Uit dit rapport blijkt dat zeven van de tien meewerkende echtgenotes meer dan 30 uren per week voor het bedrijf werken, bijna de helft (49 %) zelfs 45 uur of langer.

We kunnen vaststellen dat meewerkende echtgenotes vooral de volgende werkzaamheden voor hun rekening nemen : rekeningen schrijven, kas opmaken en dagelijkse administratie, inclusief voorraadadministratie (82 %), inkoopactiviteiten zoals contacten met leveranciers, samenstellen en bepalen van het assortiment en beursbezoeken (74 %), verkoopactiviteiten zoals contacten met klanten, opdrachtgevers, het opstellen van advertenties en reclamefolders, het berekenen en vaststellen van verkoopprijzen of prijsopgaven (78 %), de boekhouding (60 %), regelen van belangrijke financiële en juridische zaken, invullen van officiële formulieren enz. (42 %), en personeelsaangelegenheden (43 %).

Meewerkende echtgenotes hebben een belangrijke stem in de bedrijfsvoering en het beleid. Ruim de helft tot soms driekwart beslist in belangrijke mate mee over beleid en investeringen. De betrokkenheid is het grootst bij de meest ingrijpende zaken voor het bedrijf, zoals beslissingen over gebouwen, leningen en verandering of uitbreiding van bedrijfsactiviteiten. Ruim de helft (53 %) beschouwt zichzelf als mede-ondernemer.

Met hun werk in het bedrijf leveren meewerkende echtgenotes een aanzienlijke bijdrage tot het gezinsinkomen. Bijna vier op de tien zorgen voor 25 à 50 % van het inkomen en nog eens vier op de tien zelfs voor 50 à 75 %.

Meewerkende echtgenotes zijn dus niet zomaar de grijze schaduw achter een zelfstandige echtgenoot. Integendeel, uit deze studie komen zij naar voor als gemotiveerde vrouwen die actief en met kennis van zaken deelnemen aan de organisatie en dagelijkse leiding van het bedrijf van hun partner en die zich door het opnemen van financieel-administratieve taken hebben ontwikkeld tot mede-ondernemer en ook naar buiten toe als zodanig worden beschouwd.

Desondanks blijkt het de gangbare praktijk te zijn om meewerkende echtgenoten, op basis van de huidige libellering van artikel 205 van het Gerechtelijk Wetboek, niet te benoemen tot werkend of plaatsvervangend rechter in handelszaken. Vermits 98 % van de meewerkende echtgenoten vrouwen zijn, treft deze praktijk in hoofdzaak de meewerkende vrouwen.

Ofschoon vele vrouwen door hun inzet en beroepsactiviteit in het gezinsbedrijf evenveel beroepservaring hebben opgedaan als hun partner en blijk geven van een even onmiskenbaar ondernemerstalent, hebben zij bijgevolg niet de mogelijkheid om deze beroepskennis en beroepservaring te valoriseren als handelsrechter, enkel en alleen omdat men er van uitgaat dat enkel hun echtgenoot handel drijft en dat zij « slechts » meewerkende echtgenote zijn.

De indieners van dit wetsvoorstel menen dat het zowel op economische gronden als op grond van het recht op gelijkheid van vrouwen en mannen noodzakelijk is dat het ambt van werkend of plaatsvervangend rechter in handelszaken wordt opengesteld voor meewerkende echtgenoten en dat artikel 205 van het Gerechtelijk Wetboek in die zin dient te worden aangepast.

TOELICHTING BIJ DE ARTIKELEN
Artikel 2

Dit artikel heeft tot doel het ambt van werkend of plaatsvervangend rechter in handelszaken open te stellen voor de meewerkende echtgeno(o)t(e).

Overeenkomstig dit artikel komen in aanmerking om te worden benoemd tot werkend of plaatsvervangend rechter in handelszaken, de meewerkende echtgenoten die krachtens artikel 86 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen een meewerkinkomen ontvangen of die zich vrijwillig hebben verzekerd tegen arbeidsongeschiktheid met toepassing van de wet van 14 december 1989 betreffende het sociaal statuut der zelfstandigen.

Echtgenoten die niet aan één van deze voorwaarden voldoen, maar het bewijs leveren van hun hoedanigheid van meewerkende echtgeno(o)t(e), kunnen eveneens onder het toepassingsgebied van dit artikel vallen. Dit bewijs kan door alle middelen van recht worden geleverd.

Sabine de BETHUNE.

--------------------------------------------------------------------------------

WETSVOORSTEL

--------------------------------------------------------------------------------

Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

Art. 2

In artikel 205, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij de wet van 17 juli 1997, worden tussen de woorden « handel hebben gedreven, » en de woorden « deelgenomen hebben » de woorden « in eigen naam of als meewerkende echtgeno(o)t(e), » ingevoegd.

21 juli 2003.

Sabine de BETHUNE.



Terug naar het overzicht