Wetsvoorstel
20-08-2003

Sabine de Bethune

Voorstel van resolutie betreffende een allesomvattende geÔntegreerd beleidsplan van de federale regering betreffende de rechten van het kind (3-150)

(Ingediend door mevrouw Sabine de Bethune)

--------------------------------------------------------------------------------

TOELICHTING

--------------------------------------------------------------------------------

Dit voorstel van resolutie neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 25 oktober 1999 in de Senaat werd ingediend (stuk Senaat, nr. 2-121/1 ≠ 1999-2000).

Sabine de BETHUNE.

--------------------------------------------------------------------------------

VOORSTEL VAN RESOLUTIE

--------------------------------------------------------------------------------

De Senaat,

1. Overwegende dat de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties op 20 november 1989 bij unanimiteit het Verdrag inzake de rechten van het kind aannam. Dat het Verdrag inmiddels is uitgegroeid tot een nagenoeg universeel aanvaarde internationale wettekst. Dat, op enkele uitzonderingen na, het Verdrag door alle Staten werd aangenomen. Dat dit een unicum is vermits nooit tevoren in de geschiedenis een mensenrechtenverdrag zo snel door zoveel landen werd geratificeerd. Dat het betekent dat de internationale gemeenschap de bepalingen van het Kinderrechtenverdrag aanvaardt als minimale ethische standaard die gerespecteerd moet worden in de omgang met kinderen.

Overwegende dat het Verdrag inzake de rechten van het kind als een historische mijlpaal wordt beschouwd. Dat het de bekroning vormt van het moeizaam ijveren om het respect voor kinderen af te dwingen in de vorm van een internationaal verdrag. Dat kinderen in het Verdrag worden erkend, niet louter als ę nog-niet Ľ-volwassenen, maar als evenwaardige mensen met eigen zin- en betekenisverlening. Dat het Verdrag inhoudelijk en formeel een belangrijke stap betekent naar een volwaardig statuut voor het kind.

Overwegende dat het Verdrag inzake de rechten van het kind wordt gekenmerkt door zijn benadering van het kind als een geheel. Dat het Verdrag in 54 artikelen alle rechten van het kind opsomt. Dat het Verdrag, door alle rechten van het kind samen te brengen, uitdrukkelijk een comprehensief instrument wil zijn, waarin geen enkel recht voorrang heeft op een ander, maar alle rechten integendeel even belangrijk zijn en onderling van elkaar afhankelijk.

Overwegende dat de offensieve aanwending van het Verdrag een ander belangrijk kenmerk is van het Verdrag. Dat het Verdrag op diverse plaatsen wijst op de plicht van de Staten om de rechten van het kind te bevorderen. Dat een groter respect creŽren voor kinderen en zodoende hun levensomstandigheden verbeteren, door het Verdrag wordt omschreven als een permanente opgave. Dat het Verdrag een krachtige inspiratiebron en een doeltreffend instrument wil zijn om te bouwen aan een samenleving die kindvriendelijker is. Dat hierbij gewezen dient te worden op het stimulerende en ondersteunende karakter van het Verdrag.

Dat het Verdrag voorziet in mechanismen om Staten te begeleiden en te ondersteunen bij het nemen van de nodige maatregelen om zich naar de bepalingen van het Verdrag te conformeren.

Overwegende dat de verplichting die op elke ratificerende Staat rust om werk te maken van de rechten van het kind, onder meer wordt sterk gemaakt door artikel 44 van het Verdrag. Dat volgens dit artikel de Staten die partij zijn bij het Verdrag om de vijf jaar ≠ de eerste maal twee jaar na de ratificatie of toetreding ≠ aan het Comitť voor de Rechten van het Kind in GenŤve een verslag moeten uitbrengen over de maatregelen die genomen werden om de rechten in de praktijk om te zetten.

2. Overwegende dat het Verdrag inzake de rechten van het kind in BelgiŽ van kracht is sinds 15 januari 1992. Dat de ratificatie van de verdragstekst door het Belgisch Parlement gepaard ging met heel wat enthousiasme en allerlei sensibiliseringsactiviteiten.

Overwegende dat de Belgische regering, overeenkomstig artikel 44 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, op 12 juli 1994 zijn eerste rapport heeft ingediend ę over de door BelgiŽ genomen maatregelen die uitvoering geven aan de in het verdrag erkende rechten alsmede over de vooruitgang die is geboekt ten aanzien van het genot van die rechten Ľ.

Dat in een eerste hoofdstuk de maatregelen worden vermeld die werden genomen om de Belgische wetgeving en het Belgische beleid aan te passen aan de bepalingen van het verdrag. Dat op federaal niveau, luidens het rapport, ę in de wetgeving en in de rechtspraak een ontwikkeling kan worden vastgesteld, die ertoe strekt de vereisten van het Verdrag in acht te nemen, enerzijds wat betreft artikel 12 (eerbiediging van de mening van het kind), anderzijds wat betreft de wetgeving op de kinderarbeid Ľ (Eerste Belgisch rapport betreffende het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind, paragraaf 3).

Dat het tweede hoofdstuk betrekking heeft op reeds bestaande mechanismen en mechanismen die op nationaal of lokaal vlak zullen worden gecreŽerd om de activiteiten ten aanzien van het kind te coŲrdineren en toezicht te houden op de tenuitvoerlegging van het Verdrag. Dat op federaal niveau, luidens het rapport, ę een groep wordt samengesteld die niet alleen toezicht moet houden op de toepassing en de tenuitvoerlegging in BelgiŽ van het Verdrag inzake de rechten van het kind, maar die ook de verschillende initiatieven moet coŲrdineren die inzake de rechten van het kind op federaal, communautair, regionaal en lokaal vlak worden genomen Ľ (Eerste Belgisch rapport betreffende het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind, paragraaf 21).

Dat in het derde en vierde hoofdstuk de maatregelen worden besproken die reeds zijn getroffen of nog moeten worden getroffen teneinde de beginselen en bepalingen van het Verdrag op passende en doeltreffende wijze algemeen bekend te maken, zowel aan volwassenen als aan kinderen (artikel 42 van het Verdrag), enerzijds, en teneinde ervoor te zorgen dat het door BelgiŽ opgestelde verslag onder de gehele bevolking wordt verspreid, anderzijds.

Overwegende dat het Comitť voor de rechten van het kind van de Verenigde Naties op 9 juni 1995 zijn slotbeschouwingen heeft geformuleerd over het eerste Belgisch verslag.

Dat in deze slotbeschouwingen melding wordt gemaakt van de positieve aspecten van het verslag en van de voornaamste redenen tot bezorgdheid van het comitť. Dat aansluitend hierop een aantal voorstellen en aanbevelingen worden geformuleerd.

Dat het comitť onder meer aan BelgiŽ voorstelt ę een permanent mechanisme in te stellen dat wordt belast met de coŲrdinatie en de evaluatie van, alsook het toezicht op het beleid inzake de bescherming van het kind teneinde zich ervan te vergewissen dat het Verdrag zowel op federaal als op lokaal vlak volledig wordt nageleefd en toegepast Ľ (slotbeschouwingen van het comitť, paragraaf 13).

Overwegende dat, ter uitvoering van deze aanbeveling, de Ministerraad op 12 december 1996 heeft beslist tot oprichting van een Nationale Commissie voor de rechten van het kind, die er moet op toezien dat het Verdrag inzake de rechten van het kind wordt uitgevoerd, zowel op federaal, communautair, regionaal en lokaal niveau. Dat de belangrijkste taak van deze commissie erin bestaat : (1) de verslagen voor te bereiden die BelgiŽ om de vijf jaar dient voor te leggen aan het Comitť voor de rechten van het kind van de Verenigde Naties; (2) de coŲrdinatie op nationaal niveau waar te nemen, indien een bepaalde problematiek met betrekking tot het kind en/of de rechten van het kind de samenwerking tussen verschillende departementen, alsook met de niet-gouvernementele organisaties noodzakelijk maakt.

Overwegende dat ook op het vlak van de gemeenschappen initiatieven werden genomen om tegemoet te komen aan de bepalingen van het Verdrag inzake de rechten van het kind en aan de aanbevelingen die op 9 juni 1995 door het Comitť inzake de rechten van het kind werden geformuleerd. Dat meer in het bijzonder dient vermeld dat de Franse Gemeenschap bij een besluit van de Franse gemeenschapsregering van 10 juli 1991 een algemeen afgevaardigde voor de rechten van het kind en hulpverlening aan de jeugd heeft aangewezen. Dat op Vlaams niveau, bij decreet van 15 juli 1997, een kinderrechtencommissariaat werd opgericht, met aan het hoofd een kinderrechtencommissaris, benoemd door het Vlaams Parlement.

Overwegende dat de dramatische gebeurtenissen van 1996 geleid hebben tot een exponentiŽle toename van de belangstelling voor de rechten van het kind. Dat met name vanuit de publieke verontwaardiging en het belangrijk signaal dat de bevolking heeft gegeven tijdens de ę Witte Mars Ľ van 20 oktober 1996 heel wat initiatieven zijn ontstaan.

Dat ťťn van dergelijke beleidsinitiatieven de oprichting was, ingevolge een beslissing van de federale Ministerraad van 15 november 1996, van de interministeriŽle Conferentie voor de bescherming van de rechten van het Kind, waarvan het voorzitterschap berust bij de eerste minister. Dat deze conferentie de gelegenheid biedt aan de diverse overheden om samen ideeŽn uit te wisselen en een aanzet te geven tot het voeren van een gezamenlijk beleid. Dat deze conferentie tevens het beleid van de federale regering en van de gemeenschappen beter op elkaar moet afstemmen. Dat men, behoudens het actieplan dat deze interministeriŽle conferentie heeft opgesteld naar aanleiding van de voorstellen van de Nationale Commissie tegen seksuele uitbuiting van kinderen, vanuit de samenleving weinig zicht heeft op de concrete werkzaamheden en de agenda van deze conferentie. Dat uit het antwoord van de eerste minister op een schriftelijke parlementaire vraag van senator de Bethune van 9 juni 1998 (nr. 1126/1) kan vernomen worden dat de interministeriŽle conferentie, sedert haar oprichting, vier maal is samengekomen en dat ze enkele thema's heeft vastgelegd die zij door de Nationale Commissie voor de rechten van het kind nauwer wenst onderzocht te zien in het kader van de toepassing van het UNO-Verdrag inzake de rechten van het kind.

Dat dit antwoord ook leert dat de interminsteriŽle conferentie zelf enkele thema's heeft aangesneden, zoals adoptie, seksuele uitbuiting van kinderen, de uitwerking van een statistisch hulpmiddel dat een samenhangende aanpak van het beleid mogelijk maakt, hulp aan en bescherming van de jeugd, recht op persoonlijke contacten voor de kinderen, enz.

Dat een ander initiatief de oprichting was, bij koninklijk besluit van 10 juli 1997, van het Europees Centrum voor vermiste en misbruikte kinderen, ook ę Child Focus Ľ genoemd. Dat dit centrum jaarlijks een subsidie ontvangt die uitgetrokken wordt op de begroting van de Diensten van de eerste minister.

Dat ook de oprichting dient vermeld, bij beslissing van de federale Ministerraad van 30 augustus 1997, van de Nationale Commissie tegen Seksuele Uitbuiting van Kinderen. Dat deze commissie, die was samengesteld uit zes onafhankelijke experten, de opdracht had het fenomeen van seksuele uitbuiting van kinderen beter te leren kennen, het gevoerde beleid op het vlak van seksuele uitbuiting van kinderen te evalueren en voorstellen te formuleren voor de vastgestelde problemen. Dat de commissie op 23 oktober 1997 haar eindrapport heeft voorgesteld, na een groot aantal betrokkenen te hebben geraadpleegd. Dat de voorstellen in dit rapport als grondslag hebben gediend voor het actieprogramma dat op 17 december 1997 door de interministeriŽle conferentie voor de bescherming van de rechten van het kind werd goedgekeurd.

Overwegende dat ook heel wat organisaties die zich inzetten voor de rechten van het kind de handen in elkaar hebben geslagen om een breed forum te bieden voor iedereen die wil werken rond de bescherming van de rechten van het kind. Dat dit onder meer blijkt door de oprichting in 1997 van de Kinderrechtencoalitie Vlaanderen, bestaande uit een waaier van organisaties, waaronder Unicef, de kinder- en jongerentelefoon, de BGJG, de kinderrechtswinkels, DCI Vlaanderen.

3. Overwegende dat het welzijn van kinderen al onze aandacht vraagt. Dat het duidelijk is dat er de jongste jaren op federaal niveau sprake is van een toegenomen belangstelling voor de rechten van het kind en dat hieruit een aantal lovenswaardige, structurele initiatieven zijn voortgekomen.

Dat het werk evenwel nog niet af is. Dat de vermelde initiatieven nog teveel zijn ingevuld op een defensieve (of reactieve) manier, omdat de rechten van het kind geschonden werden, en te weinig op een offensieve (of proactieve) manier, opdat kinderen en hun rechten meer zouden worden gerespecteerd. Dat dit concreet betekent dat de aandacht voor de rechten van het kind ≠ mede ten gevolge van de gebeurtenissen van 1996 ≠ te eenzijdig beperkt wordt tot het nemen van maatregelen die hoofdzakelijk gericht zijn op de bescherming van kinderen, en minder is gericht op maatregelen die de maatschappelijke positie van kinderen als groep in onze samenleving willen bevorderen.

Dat het actieplan van de interministeriŽle conferentie duidelijk illustreert dat er op federaal niveau heel wat thema's en agendapunten zijn die een grote impact hebben op de leefwereld en het welzijn van kinderen, en waar voor de federale regering een duidelijke opdracht is weggelegd om een beleid te voeren dat rekening houdt met de belangen en de rechten van kinderen.

Verzoekt de federale regering :

Een allesomvattend geÔntegreerd beleidsplan op te stellen dat gericht is op de concrete vertaling en invulling van wat in het UNO-Verdrag inzake de rechten van het kind wordt bepleit;

Stelt dat dit beleidsplan dient te worden opgebouwd rond de volgende aandachtspunten en beleidslijnen :

1. De rechten van het kind dienen uitdrukkelijk te worden ingeschreven in de Grondwet. Door deze grondwettelijke erkenning maakt BelgiŽ duidelijk dat de rechten van het kind essentieel zijn voor de Belgische rechtsorde, en dat het respect voor de rechten van het kind een blijvende opdracht is voor iedere overheid, ongeacht de politieke prioriteiten van de verschillende regeringen.

2. De rechten van het kind dienen een politieke prioriteit te worden. De federale regering dient een beleid te voeren waarin kinderen de aandacht krijgen die ze verdienen en waarin het welzijn van kinderen en het respect voor hun rechten als kind hoog op de politieke en maatschappelijke agenda worden geplaatst. Dit beleid dient uitvoering te geven aan het UNO-Verdrag inzake de rechten van het kind en dient daarbij de belangen van het kind als leidraad te hanteren. Er moet zichtbaarheid aan deze politieke wil worden gegeven door een lid van de federale regering uitdrukkelijk met dit kinderrechtenbeleid te belasten.

3. Als instrumenten van dit proactief beleid zijn de huidige organen, namelijk de nationale commissie voor de rechten van het kind en de interministeriŽle conferentie voor de bescherming van de rechten van het kind, ontoereikend. Op het verticale niveau dient een volwaardige federale dienst voor de rechten van het kind te worden opgericht die de bevoegdheid heeft een specifiek beleid uit te bouwen naar kinderen toe en impulsen te geven aan de verscheidene beleidsinstanties op federaal niveau. Deze dienst dient ook belast te worden met de opmaak van de periodieke verslagen voor het UNO-Comitť inzake de rechten van het kind. Vermits de toepassing en de uitvoering van het UNO-Verdrag inzake de rechten van het kind ook een horizontale materie is, waarbij een opdracht is weggelegd voor alle beleidsdomeinen, dienen alle ministeriŽle departementen, bij de uittekening van de krachtlijnen van hun specifiek beleid, de nodige maatregelen te nemen om dit beleid kindvriendelijker te maken. Hiertoe dienen alle regeringsleden binnen hun departement personen of diensten te belasten met de opvolging van de kindvriendelijke dimensie van het beleid. Voor een geÔntegreerd en allesomvattend beleid naar kinderen toe is het daarnaast noodzakelijk dat overlegorganen worden uitgebouwd, gericht op een betere dialoog en samenwerking, zowel tussen de federale departementen onderling, als tussen de federale overheid en de gemeenschappen. Vandaag bestaat reeds de interministeriŽle conferentie voor de bescherming van de rechten van het kind.

Het is van belang dat de werking van deze conferentie op een concretere en transparentere wijze wordt ingevuld.

4. De rechten van het kind dienen een budgettaire prioriteit te worden en de nodige financiŽle middelen dienen te worden vrijgemaakt om de rechten van het kind te realiseren. Dit vereist niet alleen dat binnen de federale begroting een apart budget wordt uitgetrokken dat moet toelaten een specifiek beleid te voeren naar kinderen toe, maar ook dat alle ministeriŽle departementen een afzonderlijke post inschrijven in hun begroting voor het nemen van de nodige maatregelen om zich naar de bepalingen van het Verdrag te conformeren.

5. In de geest van artikel 3 van het UNO-Verdrag inzake de rechten van het kind dient elke politieke beslissing of maatregel die het belang van het kind raakt voorafgegaan te worden door een kindereffectrapport. Dit kindereffectrapport moet de effecten bestuderen van de voorgenomen beslissing of maatregel op de rechten van het kind. Het is het instrument bij uitstek om in de besluitvorming maximaal tegemoet te komen aan de bepalingen van het Verdrag en daadwerkelijk rekening te houden met kinderen.

6. Conform de aanbevelingen van het UNO-Comitť voor de rechten van het kind dient een efficiŽnt algemeen systeem te worden uitgewerkt voor de verzameling van gegevens betreffende de rechten van het kind, inzonderheid inzake die groepen van kinderen welke uitermate kwetsbaar zijn. Een goed beleid, dat gericht is op het welzijn van kinderen en het respect voor hun rechten, maakt systematische, wetenschappelijk onderbouwde en geÔntegreerde kennis en de gemakkelijke toegankelijkheid van die kennis noodzakelijk.

7. Op federaal niveau moet een globale kinderrechtennota worden opgemaakt die enerzijds de algemene beleidsprioriteiten formuleert en anderzijds de beleidsdoelstelling naar kinderen toe concretiseert voor elk departement.

8. Er dienen voldoende garanties te worden ingebouwd voor een duurzaam en efficiŽnt overleg met de organisaties die ijveren voor de rechten van het kind. De samenwerking tussen de federale overheid en deze organisaties is van fundamenteel belang voor de uitbouw van een op kinderen geŲrienteerd beleid. In het bijzonder dient ervoor gezorgd dat deze organisaties volledig betrokken worden bij de voorbereiding en de opmaak van de vijfjaarlijkse rapporten die, krachtens artikel 44, ß 1, van het UNO-Verdrag inzake de rechten van het kind, aan het UNO-Comitť inzake de rechen van het kind dienen te worden overgezonden.

9. De beleidsprioriteit naar kinderen toe dient uitgedrukt te worden in de organisatie en de werking van het federale Parlement. Wat betreft de organisatie van het federale Parlement, dient te worden gedacht aan de oprichting, binnen de federale Kamers, van een (sub)commissie voor de rechten van het kind. Daarnaast dienen de wetgevende Kamers bij hun werking tijd en ruimte vrij te maken voor het op regelmatige tijdstippen voeren van parlementaire debatten over de rechten van het kind. Daartoe is het noodzakelijk dat de federale regering jaarlijks, bij voorkeur in de week van 20 november, de dag voor de rechten van het kind, een voortgangsrapport neerlegt bij het federale Parlement, waarin een overzicht wordt gegeven van de maatregelen die werden genomen om de rechten van het kind te realiseren en uitvoering te geven aan het UNO-Verdrag inzake de rechten van het kind. Het is eveneens van belang dat het vijfjaarlijks rapport dat, krachtens artikel 44, ß 1, van het UNO-Verdrag inzake de rechten van het kind dient te worden opgemaakt, voor overhandiging aan het UNO-Comitť inzake de rechten van het kind, wordt voorgelegd aan het federale Parlement.

Tenslotte dient het federale Parlement ook een voorbeeldfunctie te vervullen als kindvriendelijk overheidsorgaan. Jeugdige bezoekers zouden steeds welkom moeten zijn in het Parlement. Een boeiend en speels kinderbezoekersprogramma zou hiertoe een eerste aanzet kunnen zijn. Ook dient gewerkt te worden aan de oprichting van een kinderparlement, in het verlengde van de talrijke kindergemeenteraden die reeds bestaan in ons land.

10. De federale regering dient werk te maken van voorlichting en vorming inzake de rechten van het kind en het UNO-Verdrag inzake de rechten van het kind.

21 juli 2003.

Sabine de BETHUNE.



Terug naar het overzicht