Wetsvoorstel
20-08-2003

Sabine de Bethune

Wetsvoorstel tot invoeging van een artikel 371bis in het Burgerlijk Wetboek (3-149)

(Ingediend door mevrouw Sabine de Bethune)

--------------------------------------------------------------------------------

TOELICHTING

--------------------------------------------------------------------------------

Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 6 oktober 1999 in de Senaat werd ingediend (stuk Senaat, nr. 2-98/1 ­ BZ 1999).

1. Inleiding

Geweld tegen kinderen wordt algemeen als onaanvaardbaar beschouwd. Daarbij gaat de aandacht meestal naar geweld gepleegd door criminelen en « vreemden ». Nochtans komt geweld op kinderen het meest voor binnen het gezin. Nogal dikwijls manifesteert dit geweld zich in de vorm van een « straf » van de ouders wegens het ongewenst gedrag van hun kinderen. Vele ouders zien hier helemaal geen kwaad in en beschouwen het zo nu en dan geven van een tik of een pak slaag als een ouderlijk prerogatief, dat hoort bij een goede opvoeding en een middel is om kinderen de nodige tucht en discipline bij te brengen.

Meer en meer waarschuwen deskundigen echter voor de gevolgen van het gebruik van geweld op de ontwikkeling, de persoonlijkheid en het gedrag van de kinderen die er het slachtoffer van zijn en van de volwassenen die er in hun jeugd het slachtoffer van waren. Zij zien een verband tussen het veelvuldig vookomen van geweld in onze samenleving en het gebruik van geweld bij de opvoeding.

Wij menen daarom dat het noodzakelijk is het geweld bij zijn wortels aan te pakken. Met ons voorstel beogen wij de uitbanning van alle vormen van fysieke bestraffing en andere vernederende behandelingen. Het is daarbij niet onze bedoeling een repressief beleid uit te bouwen ten nadele van ouders en opvoeders. Wél wensen wij volwassenen aan te moedigen om geweldloos met kinderen om te gaan, met respect voor het kind en zijn integriteit.

2. Geweld bij de opvoeding en de gevolgen ervan
Onder fysieke bestraffing van kinderen dient te worden verstaan iedere vorm van bestraffing waarbij gebruik wordt gemaakt van fysiek geweld met de bedoeling pijn of lichamelijk ongemak te veroorzaken.

Geweld op kinderen kan echter eveneens plaatsvinden onder de vorm van psychisch geweld, zoals het vernederend behandelen van kinderen, het beledigen van kinderen en het op andere manieren emotioneel misbruiken van kinderen.

Uit talrijke wetenschappelijke studies blijkt dat het gebruik van geweld bij de opvoeding, en in het bijzonder het fysiek bestraffen van kinderen, zo wijdverspreid is dat het als het ware deel uitmaakt van het opgroeien van kinderen in de meeste landen van de wereld.

Cijfers voor België halen we uit een onderzoek dat in 1988, in opdracht van mevrouw Smet, de toenmalige staatssecretaris voor Leefmilieu en Maatschappelijke Emancipatie, werd uitgevoerd door professor dr. R. Bruynooghe van het Limburgs Universitair Centrum. Het onderzoek had betrekking op de mate waarin volwassen vrouwen in de loop van hun leven geweld hebben ondervonden. Er werd ook gepeild naar ervaringen van geweld tijdens de kinderjaren. Er kwam aan het licht dat 58 % van de ondervraagde vrouwen ooit werd geconfronteerd met één of andere vorm van geweld. Van alle dadermeldingen bij fysiek geweld ging het in 65 % van de meldingen om een ouder. Wat de prevalentie van geweld bij kinderen jonger dan 16 jaar betreft, verklaarde 56 % van de ondervraagde vrouwen geen geweld te hebben meegemaakt, 9 % maakte uitsluitend seksueel geweld mee, 26 % uitsluitend fysiek geweld, terwijl 9 % zowel fysiek als seksueel geweld meemaakte. Typisch voor fysiek geweld is de jonge leeftijd van het slachtoffer : 41 % van de vrouwen kreeg hiermee reeds als kleuter te maken, 21 % tussen 6 en 12 jaar. Wat de ernst van het fysiek geweld betreft bleken ouders verantwoordelijk te zijn voor het grootste gedeelte van het minder ernstig fysiek geweld. Ze werden echter zo vaak vermeld als fysieke geweldplegers dat ze ook een grote rol spelen bij de matige en zeer ernstige vormen van geweld.

Uit een onderzoek dat in 1997 in Nederland werd uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Justitie blijkt dat ongeveer 45 % van de Nederlandse bevolking ooit te maken heeft gehad met intrafamiliaal geweld. Het betreft hier geen incidentieel, maar terugkerend geweld. De meeste slachtoffers werden op de leeftijd tussen 10 en 25 jaar slachtoffer van huiselijk geweld. Dit geldt met name voor lichamelijke en geestelijke vormen van huiselijk geweld.

In 1995 werden de resultaten bekendgemaakt van een op grote schaal in Groot-Brittannië uitgevoerde enquête. Hieruit blijkt dat bijna één op zes kinderen ooit het slachtoffer is geweest van « zware » fysieke bestraffing, terwijl de meerderheid (97 %) ooit is geslagen, van wie 77 % gedurende het jaar voorafgaand aan de enquête. Meer dan één derde van de vierjarigen werd meer dan eens per week geslagen en drie vierden van de eenjarigen waren geslagen in het jaar voorafgaand aan de enquête.

In 1985 bracht een enquête, uitgevoerd bij 3 232 Amerikaanse families met kinderen onder 18 jaar, aan het licht dat 89 % van de ouders hun driejarig kind had geslagen gedurende het jaar voorafgaand aan de enquête, terwijl één derde van de vijftien- tot zeventienjarigen was geslagen.

Uit een enquête, uitgevoerd in 1992 in Roemenië, bleek dat 84 % van de ondervraagde ouders het slaan van hun kinderen als een normale opvoedingsmethode beschouwt; 96 % vond dit helemaal niet vernederend voor de kinderen.

Deze onderzoeksgegevens tonen overduidelijk aan dat het gebruik van fysieke bestraffing van kinderen bij de opvoeding op grote schaal en bij alle lagen van de bevolking voorkomt.

Daartegenover staat dat deskundigen reeds jaren waarschuwen voor de nadelige effecten van het gebruik van geweld bij de opvoeding, en in het bijzonder van het fysiek bestraffen van kinderen.

Van alle onderzoeken die op dit domein werden uitgevoerd, is er geen enkel dat enig positief effect van dergelijke methodes heeft aangetoond. Legio zijn echter de bewijzen van de schadelijke gevolgen. Gewaarschuwd wordt ondermeer voor :

­ het risico op lichamelijke letsels;

­ de zinloosheid en ongeschiktheid van fysieke straffen als opvoedingsmethode, waardoor een groot gevaar bestaat voor escalatie van het gebruikte geweld naarmate het kind ouder wordt (een « kleine tik » op een peuter van één jaar escaleert tot een « flink pak slaag » op hetzelfde kind als vierjarige) en de weg naar extreme vormen van kindermishandeling en zelfs kindermoord open ligt;

­ de psychologische schade van het gebruik van fysiek geweld en van andere vernederende behandelingen, ondermeer gebrek aan zelfrespect en zelfvertrouwen bij de slachtoffers, zowel als kind als volwassene, een verminderd vermogen tot het leggen van relaties met anderen, ontwikkelings- en cognitieve stoornissen, onaangepast sociaal gedrag, enz. Dit blijkt bijvoorbeeld duidelijk uit het in 1997 in Nederland uitgevoerde onderzoek naar huiselijk geweld. Ruim een kwart van de slachtoffers zei minder zelfvertrouwen te hebben als gevolg van het geweld (26 %). Eén op vijf slachtoffers heeft last van angstgevoelens gekregen (19 %). Eén op de tien slachtoffers heeft problemen gekregen met intimiteit en/of seksualiteit. Uit dit onderzoek blijkt voorts dat slachtoffers van huiselijk geweld zich aanmerkelijk vaker onveilig voelen dan niet-slachtoffers. Ook hebben zij vaker gezondheidsklachten, meer last van gevoelens van minderwaardigheid en hebben zij minder sociale contacten dan niet-slachtoffers. Deze gevolgen zijn niet alleen merkbaar ten tijde van het geweld, maar ook daarna;

­ het feit dat geweld leidt tot geweld : kinderen die het slachtoffer zijn van gewelddadig optreden van hun ouders krijgen al vlug de indruk of de boodschap dat geweld een geoorloofd en gepast antwoord is op ongewenst gedrag of in conflictsituaties en zullen niet aarzelen om, in dergelijke situaties, op hun beurt geweld te gebruiken. Onderzoek heeft uitgewezen dat deze kinderen, meer dan andere kinderen, gewelddadig zijn ten aanzien van hun broers en zussen, zich agressief gedragen op school, anti-sociaal gedrag vertonen tijdens hun adolescentie, en als volwassene meer criminele handelingen zullen stellen en op hun beurt vlugger zullen overgaan tot het gebruik van geweld op hun eigen kinderen en/of hun partner.

3. Nood aan een wetgevend ingrijpen
Het mag duidelijk zijn dat, gelet op de onmiskenbare schadelijke effecten, het gebruik van geweld bij de opvoeding van kinderen ongepast en onaanvaardbaar is en derhalve dient te worden verboden.

Strikt juridisch valt het gebruik van geweld ten aanzien van kinderen bij de opvoeding onder het algemeen strafrecht : kinderen genieten, althans theoretisch, dezelfde bescherming tegen geweld als volwassenen. De praktijk toont echter aan dat sommige kinderen frequent het slachtoffer zijn van gewelddadige handelingen, uitgevoerd in familiale kring, door hun ouders of opvoeders. Voor hen is dit daadwerkelijk de « dagdagelijkse » praktijk. Meer nog, in vele gevallen wordt dit geweld door de ouders gelegitimeerd « in hun eigen belang ».

We kunnen dan ook niet anders dan vaststellen dat kinderen de enige mensen zijn die door de samenleving niet worden beschermd tegen interpersoonlijk geweld.

Wij zijn dan ook van oordeel dat een wetgevend ingrijpen geboden is dat elke vorm van geweld bij de opvoeding van kinderen verbiedt en dat respect voor het kind en voor diens integriteit centraal stelt in de omgang met kinderen.

Dit wetgevend initiatief wil uitdrukking geven aan het feit dat het kind een zelfstandig individu is, dat recht heeft op eerbied voor zijn persoon en voor zijn rechten als mens. Derhalve dient het kind dezelfde bescherming te genieten tegen fysieke bestraffing of tegen andere vormen van geweld als de bescherming die wij, volwassenen, voor onszelf als volstrekt normaal en gerechtvaardigd beschouwen.

We onderschrijven hierbij de visie van de Nationale commissie tegen seksuele uitbuiting van kinderen, waar deze het volgende stelt :

« Geweldloos omgaan met kinderen kan niet beperkt blijven tot een vrijblijvende bezigheid of een persoonlijke opvoedingsstijl van enkelingen. Geweldloos omgaan met kinderen moet een norm worden die we als samenleving zullen nastreven niet alleen omdat vandaag nog teveel kinderen het slachtoffer worden van geweld maar minstens evenzeer opdat kinderen en hun integriteit ten volle en ten allen tijde zouden gerespecteerd worden. » (Kinderen stellen ons vragen, eindrapport van de Nationale commissie tegen seksuele uitbuiting van kinderen, 23 oktober 1997, blz. 11).

« Als we als beschaafde samenleving kinderen inderdaad « au sérieux » willen nemen (de aanneming van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind zou daarvan toch een dwingende uitdrukking moeten zijn) dan lijkt het ten zeerste aangewezen om geweld tegen kinderen niet langer te tolereren. Geweld tegen en respect voor kinderen kunnen nooit samengaan. Als één van de kenmerken van een naar beschaving strevende samenleving de afwezigheid van geweld is, dan kan er ook geen enkele reden zijn die geweld tegen kinderen zou kunnen rechtvaardigen. » (eindrapport, blz. 12).

4. De internationale context
Zowel het UNO-verdrag inzake de rechten van het kind, als andere mensenrechtenverdragen en verscheidene internationale organisaties stellen op ondubbelzinnige wijze dat het recht op integriteit van het kind een absoluut karakter heeft, dat noch door cultuur, noch door religie, noch door traditie, noch door materiële omstandigheden kan worden beperkt.

Artikel 19 van het UNO-verdrag inzake de rechten van het kind luidt als volgt : « De Staten die partij zijn, nemen alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen en maatregelen op sociaal en opvoedkundig gebied om het kind te beschermen tegen alle vormen van lichamelijk of geestelijk geweld, letsel of misbruik, verwaarlozing of nalatige behandeling, mishandeling of exploitatie, met inbegrip van seksueel misbruik, zo lang het kind onder de hoede is van de ouder(s), wettige voogd(en) of iemand anders die de zorg voor het kind heeft. »

Andere artikelen verplichten de Staten die partij zijn te « verzekeren dat de wijze van handhaving van de discipline op scholen verenigbaar is met de menselijke waardigheid van het kind en in overeenstemming met dit Verdrag » (artikel 28,2) en te « waarborgen dat geen enkel kind wordt onderworpen aan foltering of aan een andere wrede, onmenselijke of onterechte behandeling of bestraffing » (artikel 37, a).

Het UNO-Comité van de rechten van het kind, het orgaan dat belast is met de interpretatie van het verdrag en met het toezicht op de naleving ervan, beklemtoonde reeds verschillende malen, naar aanleiding van de rapporten van de Staten die partij zijn bij het verdrag, dat het maatschappelijke en juridisch aanvaarden van fysieke bestraffing, thuis of in instellingen, niet verenigbaar is met (de naleving van) het verdrag.

Ook België werd in 1995 door het Comité van de rechten van het kind « aangemoedigd » zijn « wetgeving te herzien teneinde lijfstraffen in het gezin te verbieden ». (Toelichting bij het Eerste Belgisch rapport betreffende het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind, Slotbeschouwingen van het Comité, blz. 171, § 15).

In een officieel rapport van 13 oktober 1994 stelde het Comité van de rechten van het kind : « Weinig aspecten van de wet waren zó belangrijk voor de kinderen zelf. In landen waar de wetgeving uitdrukkelijk voorziet in een verbod van fysieke bestraffing, kregen kinderen een duidelijke boodschap. Het verbod had geen toevloed van klachten tot gevolg, maar heeft wel geleid tot de opvoeding van ouders. Het maakte een eind aan iedere onduidelijkheid over fysieke bestraffing, alsook aan iedere discussie over het al dan niet excessief karakter van geweld. »

In verscheidene aanbevelingen toonde ook de Raad van Europa zijn bezorgdheid omtrent het voorkomen van geweld en fysieke bestraffing binnen het gezin.

Een aanbeveling van 1985, aangenomen door het Comité van ministers, betreffende maatregelen ter beperking van gezinsgeweld, stelde dat « de lidstaten hun wetgeving met betrekking tot het recht om kinderen te bestraffen moeten herzien met het oog op het beperken of verbieden van fysieke bestraffing, zelfs al leidt een schending van dit verbod niet noodzakelijk tot een strafrechtelijke veroordeling » (R85/4).

Een aanbeveling van 1990 betreffende sociale maatregelen met betrekking tot gezinsgeweld, beklemtoonde « de algemene veroordeling van fysieke bestraffing en andere vormen van vernederende behandeling bij de opvoeding van kinderen, alsook de nood aan een geweldloze samenleving » (R90/2).

En in een aanbeveling van 1993 betreffende de medico-sociale aspecten van kindermishandeling, werden de lidstaten verzocht om « het geweld binnen de samenleving en de toevlucht tot geweld bij de opvoeding van kinderen tot een minimum te herleiden » (R93/2).

Vermelden we tenslotte ook het Europees Verdrag inzake de rechten van de mens, dat in artikel 3 stelt dat niemand het slachtoffer mag zijn van foltering, onmenselijke of vernederende behandeling of van bestraffing. In verscheidene zaken veroordeelden zowel het Europees Hof voor de rechten van de mens als de Europese Commissie voor de rechten van de mens het gebruik van geweld bij de opvoeding van kinderen.

5. Het voorbeeld van andere landen
Als eerste land ter wereld, verbood Zweden in 1979 iedere vorm van geweld bij de opvoeding van kinderen. Dit gebeurde door de opname in het Burgerlijk Wetboek van een bepaling die zorg en respect centraal stelt bij de opvoeding van het kind en die iedere vorm van geweld afwijst.

Dit leidde niet tot een toevloed van vervolgingen van ouders (in de 12 daaropvolgende jaren was er slechts één veroordeling van een ouder vanwege fysieke bestraffing van zijn kind), maar had wél een drastische wijziging in attitude met betrekking tot het gebruik van geweld bij de opvoeding van kinderen tot gevolg. Uit opiniepeilingen in 1994 bleek 11 % van de ondervraagde Zweedse volwassenen het gebruik van fysieke bestraffing goed te keuren, terwijl dit in 1965 nog bij 53 % van de ondervraagden het geval was. Daarenboven bleek het aantal jongeren dat verklaarde te zijn geslagen veel lager te liggen dan in Groot-Brittannië of in andere landen waar de wetgeving niet was gewijzigd.

Daarna was het de beurt aan Finland (1983), Denemarken (1986), Noorwegen (1987), Oostenrijk (1989) en Cyprus (1994) om het gebruik van geweld bij de opvoeding van kinderen wettelijk te verbieden.

Tal van andere landen bereiden momenteel een hervorming van de wetgeving in deze zin voor.

Sabine de BETHUNE.

--------------------------------------------------------------------------------

WETSVOORSTEL

--------------------------------------------------------------------------------

Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In het Burgerlijk Wetboek wordt een artikel 371bis ingevoegd, luidende :

« Art. 371bis. ­ Een kind heeft recht op verzorging, veiligheid en een goede opvoeding. Het moet worden behandeld met respect voor zijn persoon en zijn eigenheid en het mag niet worden onderworpen aan vernederende behandelingen, of andere vormen van fysisch of psychisch geweld. »

Sabine de BETHUNE.

21 juli 2003.



Terug naar het overzicht