Wetsvoorstel
20-08-2003

Sabine de Bethune

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 20 van de wet van 7/5/99 op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot het arbeidsproces en de promotiekansen, de toegang tot een zefstandig... (3-147)

(Ingediend door mevrouw Sabine de Bethune)

--------------------------------------------------------------------------------

TOELICHTING

--------------------------------------------------------------------------------

Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 6 oktober 1999 in de Senaat werd ingediend (stuk Senaat, nr. 2-96/1 ­ BZ 1999).

Het beoogt een belangrijke aanvulling van de wet van 7 mei 1999 op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot het arbeidsproces en de promotiekansen, de toegang tot een zelfstandig beroep en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid. Het is de bedoeling deze wet nog meer slagkracht te geven door organisaties die de gelijke behandeling van mannen en vrouwen statutair nastreven, een vorderingsrecht toe te kennen in geval van overtreding van de bepalingen van de wet.

Bij haar initiatief tot deze « wet betreffende de gelijke behandeling op het werk » had minister Miet Smet onder meer het doel voor ogen om het beginsel van de gelijke behandeling in de specifieke omgeving van de arbeidsplaats, in een autonome wet op te nemen. Voordien was de materie een onderdeel van de wet van 4 juli 1978 op de economische heroriëntering (titel V).

In de wet (artikel 20) wordt een procedure voorzien waarbij naast de betrokken individuen, ook organisaties in rechte kunnen optreden bij overtreding van de bepalingen van de wet. Dit vorderingsrecht werd exclusief voorbehouden aan de representatieve organisaties van werknemers, ambtenaren en zelfstandigen. Nochtans bevatte het voorontwerp van wet ook een vorderingsrecht voor organisaties die ijveren voor gelijke kansen voor mannen en vrouwen. Het betreffende artikel werd uiteindelijk niet door de regering behouden. Wellicht was men gevoelig voor de argumenten van de Nationale arbeidsraad die in zijn advies nr. 1240 van 17 juli 1998 van mening wat dat « de bepaling over het vorderingsrecht afbreuk doet aan de rol van de representatieve werknemers- en werkgeversorganisaties (...). De beroepsorganisaties zijn de meest aangewezen organisaties om kennis te nemen van de conflicten die kunnen rijzen in het kader van de arbeidsverhouding, daar ze best op de hoogte zijn van wat zich in de praktijk afspeelt ».

Nochtans pleiten talrijke argumenten in het voordeel van een vorderingsrecht in hoofde van organisaties die ijveren voor gelijke kansen. De Nederlandstalige Vrouwenraad (NVR) heeft deze argumenten op overzichtelijke wijze samengevat :

1) Een vorderingsrecht voor organisaties die de gelijke behandeling van mannen en vrouwen nastreven, is geen novum. Het aanvullende protocol van het Europees Sociaal Handvest van 9 november 1995 kent een vorderingsrecht toe aan niet-gouvernementele organisaties. Zo werd het recht toegekend aan het Europees Centrum van de Internationale Vrouwenraad.

2) Niet alle werknemers zijn aangesloten bij een vakorganisatie. Niet-aangeslotenen kunnen uiteraard wel beroep doen op een advocaat of de sociale inspectie, maar in de praktijk maakt een individuele werknemer zeer weinig gebruik van deze mogelijkheden. De wetgeving over gelijke behandeling is trouwens ook bij advocaten weinig gekend. Sinds de wet van 1978 tot economische heroriëntering van kracht werd, werden er minder dan twintig zaken voor de rechtbanken gebracht.

3) Bij vakbonden kunnen belangenconflicten voorkomen, bijvoorbeeld wanneer de partijen die bij het conflict betrokken zijn tot dezelfde organisatie behoren.

4) Een vorderingsrecht is geen pleitrecht zodat het pleitmonopolie van advocaten niet wordt doorbroken. Een afwijking van dit pleitmonopolie wordt alleen toegestaan door artikel 728, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek dat een pleitrecht instelt voor de gevolmachtigde syndicale afgevaardigden bij de arbeidsrechtbanken. Hier gaat het om het recht om een vordering in te stellen, dus om een rechterlijke uitspraak te bekomen over de gegrondheid van een aanspraak.

5) Vrouwenverenigingen zijn vlot bereikbaar en hebben een lage drempel. Bovendien hebben ze in de loop der jaren een expertise opgebouwd inzake gelijke behandeling.

6) Ook in andere Belgische wetgeving heeft het vorderingsrecht voor belangengroepen zijn intrede gedaan, onder meer inzake het ontkennen of minimaliseren van de genocide in de tweede wereldoorlog (1), de bestraffing van bepaalde door racisme en xenofobie ingegeven daden (2) en de hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden (3).

Het meest recente voorbeeld staat in de wet van 24 november 1997 met betrekking tot het aan banden leggen van echtelijk geweld :

« Elke instelling van openbaar nut en elke vereniging die op de datum van de feiten sinds ten minste vijf jaar rechtspersoonlijkheid bezit en volgens haar statuten tot doel heeft geweld tussen partners te voorkomen door de verspreiding van informatie aan alle betrokken doelgroepen en hulp te bieden aan slachtoffers van geweld tussen partners en aan hun gezin, kan met instemming van het slachtoffer in rechte optreden in het geding waartoe de toepassing van artikel 410, derde lid, van het Strafwetboek aanleiding zou geven.

Het slachtoffer mag op ieder ogenblik afzien van de bij het eerste lid van dit artikel bedoelde instemming, wat een einde maakt aan de mogelijkheid van de instelling van openbaar nut of voor de betrokken vereniging om in rechte te blijven optreden in het geschil waartoe de toepassing van artikel 410, derde lid, van het Strafwetboek aanleiding zou geven. » (4)

Het adviescomité voor gelijke kansen voor vrouwen en mannen in de Senaat heeft zich eveneens unaniem uitgesproken voor de invoering van het vorderingsrecht in de wet op de gelijke behandeling. Dit advies kadert in de evaluatie door het Adviescomité van de toepassing van de resoluties van de Wereldvrouwenconferentie van 1995 in Peking (5).

In het licht van alle argument die hiervoor worden opgesomd, stellen wij voor om het vorderingsrecht voor organisaties voor gelijke kansen in de wet betreffende de gelijke behandeling op het werk op te nemen. Artikel 20 somt de organisaties op die op dit ogenblik in rechte kunnen optreden in alle geschillen waartoe de toepassing van de wet aanleiding kan geven.

Het gaat om de verschillende representatieve vakorganisaties van werknemers, overheidspersoneel, administraties en zelfstandigen.

Dit voorstel voegt in een vijfde punt de organisaties en verenigingen toe die de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de statuten ingeschreven hebben. Analoog met de tekst van de wet betreffende het echtelijk geweld geldt de vereiste dat de betrokken organisatie reeds langer dan vijf jaar bestaat. In tegenstelling tot de tekst van die wet stellen we anderzijds voor om niet te vereisen dat de organisatie de toestemming zou moeten verkrijgen van de betrokken werknemer vooraleer de vordering kan ingesteld worden. Het spreekt vanzelf dat de toestemmingsvereiste zeer belangrijk is in een gevoelige materie als conflicten tussen partners. Het betreft dan het privé-leven van de betrokkenen waar organisaties afstand moeten van nemen zodra de betrokkenen zulks te kennen geven. Ons inziens is dit in een arbeidsrelatie minder het geval. Discriminatie tussen werknemers is een zaak die de hele werknemerspopulatie aanbelangt.

In de andere bepalingen van artikel 20 waar verwezen wordt naar het vorderingsrecht van de representatieve vakorganisaties wordt ook geen toestemming vereist.

Sabine de BETHUNE.

--------------------------------------------------------------------------------

WETSVOORSTEL

--------------------------------------------------------------------------------

Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Artikel 20, eerste lid, van de wet van 7 mei 1999 op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot het arbeidsproces en de promotiekansen, de toegang tot een zelfstandig beroep en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid, wordt aangevuld als volgt :

« 5º de organisaties en verenigingen die op de dag van de feiten sedert ten minste vijf jaar rechtspersoonlijkheid bezitten en volgens hun statuten tot doel hebben de gelijke behandeling van mannen en vrouwen te waarborgen ».

21 juli 2003.

Sabine de BETHUNE.

--------------------------------------------------------------------------------

(1) Wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de Tweede Wereldoorlog door het Duitse nationaal-socialistische regime is gepleegd.

(2) Wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme en xenofobie ingegeven daden.

(3) Wet van 17 februari 1997 tot wijziging van de artikelen 30 en 34 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen inzake de hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden.

(4) Artikel 7 van de wet van 24 november 1997 strekkende om het geweld tussen partners tegen te gaan.

(5) Verslag namens het Adviescomité voor gelijke kansen voor vrouwen en mannen, Stuk Senaat, nr. 1-1095/2.



Terug naar het overzicht