Wetsvoorstel
29-08-2003

Sabine de Bethune - Mia De Schamphelaere - Hugo Vandenberghe

Wetsvoorstel tot wijziging van het kb van 20 juli 1971 houdende instelling van een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid ten voordele van zelfstandigen, om een volwaardig moederschapsverlof voor zelfstandige vrouwen en meewerkende ... (3-186)

(Ingediend door mevrouw Sabine de Bethune c.s.)

--------------------------------------------------------------------------------

DÉVELOPPEMENTS

--------------------------------------------------------------------------------

Dit wetsvoorstel neemt de tekst over van een voorstel dat reeds op 11 oktober 2002 in de Senaat werd ingediend (stuk Senaat, nr. 2-1301/1 ­ 2002/2003).

Het beoogt een verbetering van de wettelijke regeling betreffende het moederschapsverlof en de moederschapsbescherming voor zelfstandige vrouwen en meewerkende echtgenotes, in het kader van een gezinsvriendelijke arbeidsorganisatie.

1. Huidige situatie
Moederschapsrust voor zelfstandige vrouwen en meewerkende echtgenotes

Zelfstandige vrouwen en meewerkende echtgenotes hebben momenteel recht op een moederschapverlof van drie weken, op basis van een vermoeden van arbeidsongeschiktheid, vanaf de dag van de bevalling met een eenmalige vergoeding van 943,14 euro.

Zelfstandige vrouwen hebben recht op deze uitkering door hun verplichte aansluiting bij een sociaal verzekeringsfonds. Hiervoor betalen zij een driemaandelijkse bijdrage die een percentage van de beroepsinkomsten bedraagt. Betalen voor arbeidsongeschiktheid, waaronder moederschaprust (cf. koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid ten voordele van zelfstandigen), zijn zelfstandigen volgens deze bijdragen verzekerd voor kinderbijslag, pensioen en gezondheidszorgen (grote risico's).

Meewerkende echtgenotes zijn in feite personen ten laste en genieten slechts een sociale bescherming voor kinderbijslag, overlevingspensioen en gezondheidszorg via afgeleide rechten. Zij kunnen daarnaast wel sinds 1 januari 1990 een vrije verzekering tegen arbeidsongeschiktheid aangaan waardoor zij eveneens recht hebben op een uitkering wegens moederschaprust of in andere gevallen van arbeidsongeschiktheid (dagvergoeding).

De zelfstandige vrouwen vormen een niet te verwaarlozen groep. Het gaat in België om 229 712 vrouwen met een eigen onderneming en/of een zelfstandig beroep (28,9 % van het totaal aantal zelfstandigen in België). In orde van grootte gaat het om vrouwen bedrijvig in de sectoren handel, vrije beroepen, diensten, nijverheid, landbouw en visserij. Daarnaast zijn er bij benadering 68 000 meewerkende echtgenotes in België (dat is het aantal meewerkende echtgenoten aan wie een meewerkinkomen wordt toegekend). Momenteel hebben 5 185 van hen een vrije verzekering afgesloten, zij vallen dus onder het zogenaamde « ministatuut » (gegevens UNIZO, 2002).

Het sociaal statuut van de zelfstandige op de politieke agenda

Het sociaal statuut van de zelfstandige staat momenteel op de politieke agenda. Op 19 mei 2000 gaf de regering hiertoe de aanzet door de oprichting van een « groep leidende ambtenaren », onder het voorzitterschap van professor Bea Cantillon. Deze werkgroep kreeg de opdracht een studie te verrichten over de nodige aanpassingen in de basisorganisatie van de sociale zekerheid, waaronder het sociaal statuut van de zelfstandige. De moederschaprust is één van de aspecten van dit sociaal statuut. De groep leidende ambtenaren stelt op dit punt een verlenging voor van de duur van het moederschapverlof tot twee maanden, maar met behoud van de hoogte van de uitkering als een vorm van moederschapsverzekering. De werkgroep baseert zijn voorstel op een moreel recht op een meer verantwoorde periode van rust voor de zelfstandige vrouw (zie voorstel 4 van deel 1, III, van het eerste verslag van de werkgroep, december 2000) en wil de huidige disproportie tussen het bedrag van de moederschapsuitkering en de periode van moederschapsrust herstellen. Dit bedrag wordt immers ook uitgekeerd bij primaire arbeidsongeschiktheid voor een periode van 8 weken.

In deze is nog geen beslissing genomen. Evenmin zijn de besprekingen rondom het sociaal statuut van de meewerkende echtgenoten afgerond. Reeds in de programmawet 2001 werd een bepaling opgenomen die de regering de mogelijkheid gaf spoedig en eindelijk een sociaal statuut te bezorgen aan de meewerkende echtgenoten. Op de Ministerraad van 19 april 2002 maakten de minister van Middenstand Rik Daems en minister van Sociale Zaken Frank Vandenbroucke eindelijk hun nota terzake bekend. Die ligt nu op tafel en zou voor de meewerkende echtgenoten het volgende inhouden :

1. een verplichte verzekering tegen arbeidsongeschiktheid en mogelijkheid tot vrijwillige aansluiting bij het volledige statuut vanaf 1 januari 2003;

2. een verplichte aansluiting vanaf 1 januari 2006 bij het volledige statuut. Voor de berekening van de bijdrage voor dit statuut wordt het inkomen van de zelfstandige in twee delen gesplitst. Hiervoor wordt de verdeelsleutel van 70/30 die nu reeds geldt in de fiscaliteit voor de toekenning van het meewerkinkomen gehanteerd (na voorlegging van bewijzen kan dat 50/50 worden).

Indienster van voorliggend wetsvoorstel treedt organisaties zoals UNIZO bij in de besprekingen omtrent het sociaal statuut van de zelfstandige. Ook zij meent dat een eventueel verplicht karakter van de moederschapsrust voor zelfstandigen moet gekoppeld worden aan de aantrekkelijkheid van het niveau van de inkomensvervangende vergoeding.

Een verlenging van de periode van moederschapsrust komt de bescherming van de zelfstandige moeder immers niet per se ten goede. Zij moet op een of andere wijze ondersteund blijven in haar zelfstandige activiteit. Voorliggend wetsvoorstel wil hiertoe een concreet kader scheppen, ten eerste door aan de verdubbeling van de duur van de verplichte moederschapsrust een verhoging te koppelen van de forfaitaire uitkering en ten tweede in de vorm van een vervangingsregeling.

2. Toelichting bij het voorstel
Zes weken verplichte moederschapsrust en een verhoging van de forfaitaire uitkering

Voorliggend wetsvoorstel ijvert ten eerste voor een verlenging van de duur van het moederschapverlof voor zelfstandige vrouwen en meewerkende echtgenotes die zijn aangesloten bij het sociale verzekeringsfonds, meer bepaald een verlenging tot de redelijke duur van 6 weken in plaats van 3 weken.

De huidige periode van drie weken moederschapsrust wordt aldus verdubbeld. Het verlof kan ingaan vanaf twee weken voor de vermoedelijke datum van de bevalling. Tegenover deze verlening van de verplichte moederschapsrust staat een billijke forfaitaire vergoeding van 1 886,28 euro ten laste van het verzekeringsstelsel der zelfstandigen. De forfaitaire vergoeding wordt aldus eveneens verdubbeld.

Op basis van wetenschappelijk onderzoek wordt bevestigd dat ­ bij een bevalling zonder complicaties ­ het lichaam van de moeder ongeveer zes weken nodig heeft voor het herstel (samentrekking en indaling van de baarmoeder, genezing van de wonde die de moederkoek nalaat in de baarmoederwand en herstel van de uitgerokken bekkenbodemspieren). Na deze periode zijn de meeste lichamelijke klachten verdwenen en keert het lichaam terug naar zijn toestand van vóór de zwangerschap.

Een vervangingsregeling

Een verdubbeling van de duur van de verplichte moederschapsrust moet uiteraard een haalbare kaart zijn voor zelfstandige vrouwen, zowel financieel als organisatorisch. Om die reden voorziet voorliggend wetsvoorstel in de tweede plaats in een vervangingsregeling voor de zelfstandige vrouwen en de meewerkende echtgenote tijdens de periode van zwangerschap en na de bevalling.

De voorgestelde regeling houdt in dat zij bij aanwerving van een arbeidskracht of stagiair ­ om in hun vervanging te voorzien of om hen (gedeeltelijk) bij te staan ­ van overheidswege ondersteund worden. Meer bepaald hebben zij bij aanwerving van een beroepskracht gedurende de periode van één jaar ­ met ingang tussen de vaststelling van de zwangerschap en de datum van de vermoedelijke bevalling ­ recht op vrijstelling van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid. Indien de vervanging een cursist betreft, ontvangt die een vervangingsvergoeding, naar analogie met het leercontract.

Een derde vervangingsregeling voorziet in een tegemoetkoming bij uitbesteding van taken aan een andere zelfstandige of vliegende ondernemer. De omvang van die tegemoetkoming en de wijze van controle wordt bepaald in overleg met de sector en wordt bij koninklijk besluit vastgelegd.

De termijn van één jaar laat toe dat de vervanger zich indien nodig in voldoende mate kan voorbereiden en inwerken in de activiteit. Aldus kan hij of zij de zelfstandige vrouw of meewerkende echtgenote bijstaan of vervangen in de periode van haar zwangerschap, tijdens de bevallingsrust, tijdens de periode van borstvoeding en bij afwezigheid wegens andere zorgtaken gedurende het betreffende jaar. Zoals voor andere moeders zijn zorgtaken voor zelfstandige moeders niet altijd te plannen. Voor zelfstandige vrouwen zijn er momenteel weinig mogelijkheden tot vervanging.

3. Doelstellingen
Bescherming van het moederschap en een gezinsvriendelijke arbeidsorganisatie

De inzet van dit wetsvoorstel betreft vooreerst een verbetering van de moederschapsbescherming voor zelfstandige vrouwen. De moederschapsrust moet losgekoppeld worden van de onvrijwillige arbeidsongeschiktheid en moet in het teken staan van het welzijn van moeder en kind.

Voor werkneemsters zijn terecht reeds verschillende stappen gezet om de regelingen betreffende de moederschapsbescherming te verbeteren. Op 12 februari 2002 verscheen in het Belgisch Staatsblad eindelijk het koninklijk besluit dat aan werkneemsters in de privésector met ingang van 1 juli 2002 het recht geeft op betaalde borstvoedingspauzes op het werk. Ook voor zelfstandige vrouwen en meewerkende echtgenoten moeten de regelingen ter bescherming van het moederschap uitgebreid worden. Voorliggend wetvoorstel wil hiertoe een verdere stap zetten.

Achterliggende redenering betreft niet enkel de periode rond de bevalling, maar doelt ook op een algemene verbetering van de combinatie van het zelfstandige beroep en het gezin of andere zorgtaken. Dit geldt eveneens voor de vader. Indienster van voorliggend wetsvoorstel diende hiertoe een wetsvoorstel in dat ook van zelfstandigen, vrouwen en mannen, het recht op adoptieverlof instelt, in eerste instantie voor een periode van drie weken, en op termijn uit te breiden, net zoals de verlofregeling voor adoptie ook voor werknemers uitgebreid moet worden (stuk Senaat, nr. 3-185).

Ook andere diensten en mogelijkheden moeten toegankelijk worden voor zelfstandigen, zoals flexibele kinderopvang en andere diensten, aangepast aan de noden van het zelfstandige beroep. Een ander voorstel in dit kader is het CD&V-voorstel tot bepaling van het statuut van de thuisassistent (stuk Senaat nr. 2-458) dat indienster mede-ondertekende. Een feit is immers dat voor zelfstandigen geen sociale verlofregelingen bestaan zoals het tijdkrediet, ouderschapsverlof of andere vormen van zorgverlof.

Met het voorzien in een vervangingsregeling wil indienster ingaan op een concrete nood die leeft, ook bij zelfstandigen, aan mogelijkheden voor een eigen loopbaanprofiel. Het wetsvoorstel wil hiertoe een wettelijk kader bieden. Op het terrein lopen momenteel initiatieven in dit verband, bijvoorbeeld het project « Vliegende Ondernemer » van de organisatie Markant, netwerk voor vrouwen. Dit project voorziet in een opleiding en een structuur voor zelfstandigen die in een systeem van tijdelijke vervangingen willen stappen. Zelfstandigen kunnen hen inschakelen in periodes van zwangerschap, zorg voor kinderen, ziekte, tijdelijke onderbreking, of andere. De vliegende ondernemers zelf kunnen voor zichzelf een arbeidsritme bepalen, onder meer in functie van hun eigen gezinssituatie.

Waar andere vervangingsregelingen kaderen in het creëren van (tijdelijke) werkgelegenheid en daarvoor de nodige middelen krijgen, moet voorliggend voorstel tevens opgevat worden als een werkgelegenheidsmaatregel die een gezinsvriendelijke werkorganisatie en werkgelegenheidspolitiek kan waarmaken, ook voor zelfstandigen. In die zin wil het wetsvoorstel bijdragen aan een mentaliteitswijziging terzake.

Ondersteuning van vrouwelijke ondernemers

Een herziening van de moederschapsrust voor zelfstandige vrouwen en meewerkende echtgenotes is tevens een noodzakelijke voorwaarde om het zelfstandig ondernemerschap van vrouwen te stimuleren. Steeds meer vrouwen zetten de stap naar een zelfstandig initiatief of een eigen bedrijf, maar de combinatie met de zorg voor het gezin en voor kinderen is zwaar en doet hen vaak weer een stap terug zetten.

Het stimuleren van het zelfstandig ondernemerschap is tevens één van de mogelijke wegen om de werkgelegenheidsgraad van vrouwen te verhogen. In opvolging van de top van Lissabon betreffende de Europese Werkgelegenheidsnormen werd bepaald dat 57 % van alle vrouwen tussen 15 en 65 jaar tegen 2005 aan het werk moet zijn. Momenteel bedraagt dat percentage in België slechts 44 %. De werkgelegenheid van vrouwen moet dus in de komende drie jaar met een derde toenemen (Hoge Raad voor de werkgelegenheid, rapport 2000).

Indienster van voorliggend wetsvoorstel ijvert ervoor vrouwen te ondersteunen in hun zelfstandige activiteit en waar nodig de sociale regelingen aan te passen, in de eerste plaats op essentiële punten zoals het moederschap en de combinatie van gezin en arbeid in het algemeen.

Ten slotte benadrukt indienster dat bepalingen inzake de bescherming van zwangerschap en moederschap geen discriminatie vormen, maar een voorwaarde zijn voor de verwezenlijking van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het vlak van de zelfstandige arbeid. Zij volgt hierbij de wet van 7 mei 1999 op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot het arbeidsproces en de promotiekansen, de toegang tot een zelfstandig beroep en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid (cf. artikel 4 van deze wet), tot omzetting van richtlijn 96/97/EG van de Raad van 20 december 1996 en van richtlijn 97/80/EG van de Raad van 15 december 1997.

Sabine de BETHUNE.
Mia DE SCHAMPHELAERE.
Hugo VANDENBERGHE.

--------------------------------------------------------------------------------

WETSVOORSTEL

--------------------------------------------------------------------------------

Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Artikel 12bis van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid ten voordele van de zelfstandigen, opgeheven bij het koninklijk besluit van 13 januari 2003, wordt hersteld in de volgende lezing :

« Art. 12bis. De periode van moederschaprust omvat een ononderbroken periode van zes weken die ten vroegste ingaat twee weken vóór de vermoedelijke datum van bevalling, tijdens dewelke de gerechtigde vermoed wordt arbeidsongeschikt te zijn met toepassing van artikel 21, tweede lid, en waarvoor zij een forfaitaire vergoeding ontvangt ten belope van 1 886,28 EUR, ten laste van het verzekeringsstelsel der zelfstandigen. »

Art. 3

In hetzelfde koninklijk besluit wordt een artikel 12quater ingevoegd, luidende :

« Art. 12quater. ­ De zelfstandige vrouw of de meewerkende echtgenote die zich in de periode van haar zwangerschap of na de bevalling laat bijstaan of vervangen door een werkkracht, heeft recht op vrijstelling van de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid gedurende de periode van één jaar, met ingang tussen de vaststelling van de zwangerschap en de vermoedelijke datum van de bevalling.

Indien de vervanging een cursist betreft, ontvangt die een vervangingsvergoeding, naar analogie met het leercontract. »

Art. 4

In hetzelfde koninklijk besluit wordt een artikel 12quinquies ingevoegd, luidende :

« Art. 12quinquies. ­ De zelfstandige vrouw of de meewerkende echtgenote die zich in de periode van haar zwangerschap of na de bevalling laat bijstaan of vervangen door een zelfstandige werkkracht, heeft recht op een tegemoetkoming.

De Koning bepaalt het bedrag van die tegemoetkoming en de voorwaarden voor de toekenning ervan. »

21 juli 2003.

Sabine de BETHUNE.
Mia DE SCHAMPHELAERE.
Hugo VANDENBERGHE.



Terug naar het overzicht