Wetsvoorstel
05-12-2006

Sabine de Bethune

Voorstel van resolutie betreffende de aanwezigheid van België in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties als niet-permanent lid, van 1 januari 2007 tot 31 december 2008 (3-1969)

Ingediend door de heer Philippe Mahoux c.s.
 


TOELICHTING

--------------------------------------------------------------------------------

Op 16 oktober 2006 werd België door de algemene Vergadering verkozen tot niet-permanent lid van de Veiligheidsraad, voor een termijn van twee jaar met ingang van 1 januari 2007.

Reeds bij de eerste stemronde in de algemene Vergadering behaalde België 180 van de 192 uitgebrachte stemmen, of 93,75 % van de uitgebrachte stemmen.

Het is de vijfde maal dat België zitting zal hebben als niet-permanent lid van de Veiligheidsraad. De vorige malen was dat in 1947-1948, 1955-1956, 1971-1972 en 1991-1992.

Ingevolge deze vijfde verkiezing heeft de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging van de Senaat hoorzittingen georganiseerd die geleid hebben tot dit voorstel van resolutie.

De niet-permanente leden worden bij geheime stemming door de algemene Vergadering verkozen voor een periode van twee jaar. Zij zijn niet onmiddellijk herverkiesbaar en elk jaar wordt de helft van hen vervangen. De tien zetels voor de niet-permanente leden worden als volgt verdeeld over de regionale groepen binnen de Verenigde Naties : drie zetels voor Afrika, twee voor Azië, twee voor Latijns-Amerika, één voor Oost-Europa en één voor West-Europa.

Samen met België werden Zuid-Afrika, Indonesië en Italië bij de eerste stemronde verkozen. Deze landen vervangen Denemarken, Griekenland, Japan en de Verenigde Republiek van Tanzania. Panama, dat op 7 november 2006 bij de 48e stemronde verkozen werd, vervangt Argentinië.

Naast de vijf permanente leden (China, Frankrijk, de Russische Federatie, de Verenigde Staten, en het Verenigd Koninkrijk), zullen in de Veiligheidsraad vanaf 1 januari 2007 dus ook België, Congo, Ghana, Indonesië, Italië, Panama, Peru, Qatar, Slowakije en Zuid-Afrika zitting hebben. Op dat ogenblik zal een derde van de leden van de Veiligheidsraad dus ook lid zijn van de Europese Unie.

De vertegenwoordigers van elk lid van de Veiligheidsraad nemen beurtelings, in de Engelse alfabetische volgorde van hun naam, voor één maand het voorzitterschap van de Raad waar. De voorzitter zit de vergaderingen voor, bepaalt de agenda, zorgt ervoor dat alle informatie toekomt bij de afvaardigingen van de leden van de Raad, vertegenwoordigt de Raad bij politieke gesprekspartners en in de pers, en zorgt voor de coördinatie tussen de Veiligheidsraad en de Secretaris-Generaal.

In eerste instantie ontvangt de voorzitter van de Raad bij het begin van zijn mandaat elk van zijn collega's in de Raad voor een bilateraal overleg. Elke afvaardiging kan bij deze gelegenheid zijn wensen te kennen geven op grond waarvan de voorzitter een werkschema opstelt. In tweede instantie kan een lid of het voorzitterschap tekstvoorstellen indienen bij de Raad. Dit biedt België de gelegenheid zijn diplomatieke activiteiten op te voeren en inhoudelijk werk te verrichten. In derde instantie kan de Raad het tekstvoorstel onderzoeken, ofwel omdat de tijd daarvoor rijp is, ofwel omdat een of meer delegaties daarop aansturen. Tijdens informele besprekingen met gesloten deuren bespreekt men dan de opportuniteit van de tekst, vervolgens de inhoud en ten slotte de vorm ervan. Aan deze vergaderingen nemen alleen de afvaardigingen van de staten deel die lid zijn van de Raad, alsook de Secretaris-Generaal. De laatste stap, waarbij het publiek en de pers aanwezig kan zijn, is het indienen van de tekst met het oog op de goedkeuring ervan.

Philippe MAHOUX.
Christian BROTCORNE.
Sabine de BETHUNE.
Josy DUBIÉ.
François ROELANTS du VIVIER.
Lionel VANDENBERGHE.
Paul WILLE.

--------------------------------------------------------------------------------

VOORSTEL VAN RESOLUTIE

--------------------------------------------------------------------------------

DE SENAAT,

A. eraan herinnerend dat het beginsel van de « onopsplitsbare vrede » een essentieel beginsel van de Verenigde Naties is, dat inhoudt dat iedere schending van de vrede alle lidstaten van de Organisatie aanbelangt;

B. overwegende dat samenhangend met deze « onopsplitsbare vrede », de handhaving van de internationale vrede en veiligheid een « onopsplitsbare justitie » vergt, die begrepen wordt als een minimum aan interne orde die nodig is om de internationale orde te stabiliseren;

C. overwegende dat de hervorming van de Verenigde Naties moet stoelen op de beginselen van representativiteit en doeltreffendheid om de organisatie in staat te stellen haar voornaamste doel te bereiken, namelijk het handhaven van de internationale vrede en veiligheid; in dit verband herinnerend aan de aanbevelingen van de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging betreffende de hervorming van de Verenigde Naties, die de Senaat tijdens zijn vergadering van 16 juni 2005 aangenomen heeft (stuk 3-1028/1);

D. overwegende dat om doeltreffend te zijn, ieder coherent collectief optreden een duidelijk mandaat vereist dat overeenstemt met het Handvest van de Verenigde Naties en met de grondbeginselen van het internationale recht;

E. overwegende dat sancties alleen toegepast kunnen worden indien de vrede bedreigd is en alle diplomatieke inspanningen vruchteloos zijn gebleven; dat economische sancties een nuttig en rechtmatig instrument van de Veiligheidsraad blijven om de vrede en veiligheid te handhaven, maar dat gebleken is dat zij doeltreffender en rechtvaardiger moeten worden;

F. overwegende dat ontwapening een belangrijk middel is om vrede en ontwikkeling te bewerkstelligen;

G. overwegende dat België op internationaal vlak een voortrekkersrol kan spelen inzake ontwapening, gelet op onze wetten betreffende het verbod op subminitie en antipersoonsmijnen, die een internationaal proces op gang hebben gebracht dat is uitgemond in het Verdrag inzake het verbod op het gebruik, de opslag, de productie en de overdracht van antipersoonsmijnen en inzake de vernietiging ervan;

H. herinnerend aan artikel 19 van het Verdrag van de Europese Unie, inzonderheid paragraaf 1, die het volgende bepaalt : « De lidstaten coördineren hun optreden in internationale organisaties (...). Zij verdedigen in deze fora de gemeenschappelijke standpunten. », en paragraaf 2, die luidt als volgt : « Lidstaten die tevens lid zijn van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties plegen onderling overleg en houden de overige lidstaten volledig op de hoogte. ».

I. overwegende dat de bijzondere verantwoordelijkheid die België nu draagt als niet-permanent lid van de Veiligheidsraad impliceert dat alle nodige middelen ter beschikking gesteld worden van zijn diplomatieke missie bij de Verenigde Naties;

J. herinnerend, ten slotte, aan de aanbevelingen inzake de Millenniumdoelstellingen voor de Ontwikkeling, die de Senaat op 24 maart 2005 heeft aangenomen (stuk 3-603/8),

VRAAGT de Federale regering haar zetel van niet-permanent lid van de Veiligheidsraad gedurende de periode van 1 januari 2007 tot 31 december 2008 te benutten om de volgende aanbevelingen uit te voeren :

1) Algemene beginselen

— behalve in gevallen van wettige verdediging bij een gewapende aanval, zich verzetten tegen iedere machtsontplooiing zonder toestemming van de Veiligheidsraad en tegen de wil van de Staat op wiens grondgebied ze plaatsvindt;

— het beginsel van de beschermingsverantwoordelijkheid te verdedigen, zoals België dat tijdens de wereldtop van 2005 gedaan heeft, gelet op het feit dat een optreden van de Veiligheidsraad overwogen moet worden wanneer in een Staat ernstige schendingen van de mensenrechten plaatsvinden;

— de grondbeginselen van proportionaliteit (1) en onderscheid (2) verdedigen die opgenomen zijn in het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomsten van Genève van 12 augustus 1949 inzake de bescherming van slachtoffers van internationaal gewapende conflicten (Protocol I), aangenomen op 8 juni 1977 en door België bekrachtigd op 20 mei 1986;

— de noodzaak van een algemeen verdrag over het terrorisme te bepleiten, waarin het terrorisme duidelijk wordt gedefinieerd en er een onderscheid gemaakt wordt tussen het terrorisme en de rechtmatige strijd van volkeren voor het recht op zelfbeschikking, waarbij in geen geval de bescherming die gewaarborgd wordt door het internationale humanitaire recht en de mensenrechten afgebouwd wordt;

— een discussie op gang brengen over de mogelijkheid om op de gevolgen van een oorlog het « vernieler-betaler »-beginsel toe te passen, gelet op het feit dat elkeen verantwoording moet afleggen voor zijn daden;

2) Bevorderen van de vrede

a. Inzake ontwapening

— inzake de strijd tegen de verspreiding van kernwapens, erop toezien dat iedere ernstige schending van internationale verbintenissen niet zonder gevolg blijft voor de Veiligheidsraad; in dit verband het beginsel steunen van het automatisch opleggen van sancties in geval van schending van het NPV, en initiatieven inzake non-proliferatie en kernontwapening steunen of zelf nemen opdat de Veiligheidsraad de verantwoordelijkheid voor schendingen van het NPV op zich neemt; er ten slotte voor pleiten dat het aantal kernwapens tot een zo laag mogelijk niveau teruggebracht wordt en dat kernproeven voorgoed verboden worden;

— ervoor zorgen dat in de Veiligheidsraad een bespreking wordt gehouden over algemene kwesties betreffende de strijd tegen de verspreiding van kernwapens, die uitmondt in de oprichting van een werkgroep die de aanpak van de Raad terzake moet onderzoeken en als forum kan dienen om voorstellen voor een efficiëntere strijd te bespreken;

— erop toezien dat de maatregelen van resolutie 1540 inzake de bestrijding van de handel in kernmateriaal en mogelijke dragers van kernwapens, die de Veiligheidsraad op 2 april 2004 heeft aangenomen, zo snel mogelijk worden uitgevoerd;

— de Staten die dat nog niet gedaan hebben, aanmoedigen om het Verdrag inzake het verbod op het gebruik, de opslag, de productie en de overdracht van antipersoonsmijnen en inzake de vernietiging ervan, te ondertekenen en te bekrachtigen;

— naar het voorbeeld van het proces dat heeft geleid tot de aanneming in 1997 van het Verdrag inzake het verbod op het gebruik, de opslag, de productie en de overdracht van antipersoonsmijnen en inzake de vernietiging ervan, een discussie binnen de Verenigde Naties op gang brengen over een internationaal verbod op submunitie dat zou uitmonden in een soortgelijk internationaal Verdrag;

— zich actief inzetten voor de totstandkoming van een internationaal verdrag over de wapenhandel, waarbij onder meer de criteria voor het toekennen van uitvoer- of doorvoervergunningen aangescherpt worden;

— andere Staten aanmoedigen om het Verdrag inzake bepaalde conventionele wapens (3) en zijn protocollen te ondertekenen en te bekrachtigen;

b. Inzake conflictpreventie

— binnen de Veiligheidsraad pleiten voor de oprichting van een Comité voor conflictpreventie dat kan steunen op een early warning system en dat voornamelijk tot doel heeft bedreigingen voor de internationale vrede en veiligheid — met inbegrip van de mensenrechten — op te sporen, informatie daaromtrent te verzamelen en aan de Raad mee te delen zodat hij sneller kan reageren;

c. Inzake vredeshandhaving en het beheer van post-conflictuele situaties

— een herziening vragen van de methodes voor de evaluatie en de vernieuwing van de mandaten voor vredeshandhavingsoperaties;

— erop toezien dat vredeshandhavingsoperaties uitgevoerd worden op grond van een duidelijk mandaat van de Veiligheidsraad;

— de zetel van België in het « Organisatiecomité dat belast is met het uitwerken van het reglement en het regelen van organisatiekwesties van de Commissie voor de consolidatie van de Vrede van de Verenigde Naties » te benutten om een actieve rol te spelen in het beheer van post-conflictuele situaties; erop toezien dat de Veiligheidsraad systematisch de Commissie raadpleegt over de toestand in een land dat een conflict achter de rug heeft;

d. Inzake het conflict in het Midden-Oosten

— van Israël eisen dat het ophoudt met het gebruik van disproportionele militaire maatregelen die zonder onderscheid zowel de burgerbevolking als militaire doelwitten treffen;

— het Kwartet voorstellen een internationale vredesconferentie te organiseren met als doel het vinden van een totaaloplossing voor de toestand in het Midden-Oosten, met alle protagonisten en op grond van de resoluties van de Veiligheidsraad;

— ervoor ijveren dat de Staat Israël en de Palestijnse Staat elkaar erkennen;

e. Inzake Libanon

— in samenspraak met de Europese partners, gezamenlijk diplomatieke druk uitoefenen opdat resoluties 1559 en 1701 van de Veiligheidsraad zo snel mogelijk daadwerkelijk uitgevoerd worden;

f. Inzake Afrika

— pleiten voor bijkomende ondersteuning door de Verenigde Naties van het post-electorale proces in de Democratische Republiek Congo met het oog op de consolidatie van de vrede in het land en in Midden-Afrika;

— toezien op de daadwerkelijke uitvoering van het Vredesakkoord voor Darfoer dat op 5 mei 2006 in Abuja ondertekend is, en van het « Algemene Vredesakkoord » dat op 9 januari 2005 in Nairobi ondertekend is en een einde maakt aan het conflict tussen Noord- en Zuid-Soedan;

3) Door de Veiligheidsraad opgelegde sancties

— steeds specifieke economische sancties (zoals het bevriezen van buitenlandse rekeningen, reisbeperkingen, wapenembargo's) verkiezen boven algemene economische sancties die desastreuze gevolgen voor de bevolking kunnen hebben;

— ervoor pleiten dat de Veiligheidsraad de sancties die de Verenigde Naties hebben opgelegd of overwegen, nauwkeurig evalueert, inzonderheid in het licht van de gevolgen voor de bevolking op humanitair vlak en op het vlak van de economische, sociale en culturele rechten;

4) Coördinatie met de andere lidstaten van de Europese Unie

— de gemeenschappelijke standpunten van de Europese Unie binnen de Veiligheidsraad verdedigen, in overleg met de andere lidstaten van de Europese Unie die in de Veiligheidsraad zitting hebben;

— wanneer aan de Veiligheidsraad een kwestie wordt voorgelegd waarover geen gezamenlijk standpunt van de Europese Unie bestaat, stelselmatig paragraaf 2 van artikel 19 van het Verdrag van de Europese Unie toepassen, die luidt als volgt : « Lidstaten die tevens lid zijn van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties plegen onderling overleg en houden de overige lidstaten volledig op de hoogte »;

— bij het indienen van voorstellen in de Veiligheidsraad, zich vergewissen van de uitdrukkelijke instemming en steun van de andere lidstaten van de Europese Unie die zitting hebben in de Veiligheidsraad;

5) Vertegenwoordiging van België

— binnen de FOD Buitenlandse Zaken en het ministerie van Landsverdediging een gezamenlijke cel oprichten die speciaal belast is met de follow-up van de activiteiten in de Veiligheidsraad, en met als opdracht de Belgische delegatie in New York te coördineren, administratief te ondersteunen en informatie te verstrekken;

— binnen de FOD Buitenlandse Zaken en voor de duur van het Belgische mandaat in de Veiligheidsraad, een cel oprichten met vertegenwoordigers van het Belgisch maatschappelijk middenveld, die steun zou verlenen aan de Belgische delegatie in New York opdat de waakzaamheid inzake vrede en de bevordering en bescherming van alle mensenrechten en fundamentele vrijheden toeneemt;

6) Betreffende het verslag aan het Parlement

— na de helft van het mandaat alsook na afloop van de twee jaren als niet-permanent lid van de Veiligheidsraad, verslag uitbrengen in het Parlement over de verdedigde standpunten, de ingediende voorstellen en de diplomatieke activiteit binnen de Verenigde Naties en de Veiligheidsraad in het bijzonder.

28 november 2006.

Philippe MAHOUX.
Christian BROTCORNE.
Sabine de BETHUNE.
Josy DUBIÉ.
François ROELANTS du VIVIER.
Lionel VANDENBERGHE.
Paul WILLE.

--------------------------------------------------------------------------------

(1) « Een aanval dient te worden afgelast of opgeschort, wanneer blijkt dat het objectief geen militair objectief is of een bijzondere bescherming geniet, of wanneer blijkt dat de aanval naar kan worden verwacht, mede bijkomend verlies onder de burgerbevolking, verwonding van burgers, schade aan goederen van burgerlijke aard of een combinatie daarvan zou veroorzaken, in een mate welke buitensporig zou zijn in verhouding tot het te verwachten tastbare en rechtstreekse militaire voordeel ».

(2) « Niet-onderscheiden aanvallen zijn verboden. Niet-onderscheiden aanvallen zijn : a) aanvallen die niet op een bepaald militair objectief zijn gericht; b) aanvallen waarbij gebruik wordt gemaakt van strijdmiddelen of -methoden die niet op een bepaald militair objectief kunnen worden gericht; of c) aanvallen waarbij gebruik wordt gemaakt van strijdmiddelen of -methoden waarvan de gevolgen niet kunnen worden beperkt zoals dit Protocol vereist; en die derhalve in alle genoemde gevallen van aard zijn om zonder onderscheid militaire objectieven en burgers of goederen van burgerlijke aard te treffen. » Het Protocol bepaalt voorts : « De volgende aanvallen dienen onder andere als niet-onderscheidend te worden beschouwd : a) aanvallen door middel van een bombardement, met welke middelen of methoden dan ook, waarbij een aantal duidelijk gescheiden en als zodanig te onderscheiden militaire objectieven, gelegen in een stad, dorp of elke andere streek waarin zich een vergelijkbare concentratie burgers of goederen van burgerlijke aard bevindt, worden aangemerkt als één enkel militair objectief; b) aanvallen die, naar kan worden verwacht bijkomend verlies van mensenlevens onder de burgerbevolking, verwonding van burgers, schade aan goederen van burgerlijke aard of een combinatie daarvan ten gevolge zullen hebben, in een mate die buitensporig zou zijn in verhouding tot het verwachte tastbare en rechtstreekse militaire voordeel. ».

(3) Verdrag van 10 oktober 1980 inzake het verbod op of de beperking van het gebruik van bepaalde conventionele wapens die geacht kunnen worden buitensporig leed te veroorzaken of een niet-onderscheidende werking te hebben (Genève, 10 oktober 1980).

--------------------------------------------------------------------------------



Terug naar het overzicht