Wetsvoorstel
13-07-2006

Sabine de Bethune

Voorstelling van de resultaten van de 50e sessie van de Commissie van de Verenigde Naties voor de Status van de Vrouw (27 februari-10 maart 2006) (3-1687)

VERSLAG

NAMENS HET ADVIESCOMITÉ VOOR GELIJKE KANSEN VOOR VROUWEN EN MANNEN UITGEBRACHT DOOR

MEVROUW de BETHUNE

--------------------------------------------------------------------------------

I. INLEIDING

De 50e sessie van de commissie van de Verenigde Naties voor de Status van de Vrouw vond plaats in New York van 27 februari tot 10 maart 2006. Er werden twee thema's behandeld : vrouwen en ontwikkeling, en vrouwen en besluitvorming.

Dit rapport sluit aan bij de intentie van het adviescomité om het Pekingproces van nabij te volgen. Het adviescomité heeft in deze zittingsperiode reeds een gedetailleerd rapport opgesteld over de 49e sessie van de commissie van de Verenigde Naties voor de Status van de Vrouw (stuk Senaat nr. 3-996/1).

De officiële Belgische delegatie in New York bestond uit mevrouw Anne-Marie Lizin, voorzitter van de Senaat, Erika Thijs, senator, de dames Vielle en Fastré van het Instituut voor gelijke kansen voor vrouwen en mannen, mevrouw Franken van de Vlaamse Gemeenschap en drie leden van de permanente vertegenwoordiging van België bij de Verenigde Naties.

Het adviescomité heeft in het raam van zijn werkzaamheden dan de heer Ch. Dupont, minister van Gelijke Kansen, en mevrouw Vielle, directrice van het Instituut voor gelijke kansen voor vrouwen en mannen uitgenodigd (vergadering van 19 april). Vervolgens werd senator Thijs verzocht haar eigen ervaringen en haar visie op de werkzaamheden van de commissie van de Verenigde Naties mee te delen (vergadering van 31 mei 2006).

Het adviescomité vergaderde verder op 13 en 21 juni en 13 juli 2006 om aanbevelingen op te stellen en aan te nemen.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE HEER CH. DUPONT, MINISTER VAN AMBTENARENZAKEN, MAATSCHAPPELIJKE INTEGRATIE, GROOTSTEDENBELEID EN GELIJKE KANSEN

De 49e zitting van de commissie van de Verenigde Naties over de Status van de Vrouw heeft plaatsgehad in februari-maart 2005, in New York.

Naar aanleiding van die belangrijke gebeurtenis — het was de tiende verjaardag van het « Beijing-Actieplatform » — had België nogmaals zijn steun toegezegd aan de bestrijding van alle vormen van discriminatie en van de onderdrukking van de vrouw. Tevens heeft ons land getoond hoezeer het zich had ingezet om de conclusies van de Beijing-conferentie in de Belgische samenleving toe te passen.

Hoewel de 50e zitting van de commissie dit jaar met iets minder luister gepaard ging, doet zulks niets af aan het belang van de werkzaamheden.

Deze 50e Vergadering is in zekere zin in twee fasen verlopen.

De Vergadering zou oorspronkelijk plaatshebben van 27 februari tot 10 maart. Maar op het einde van die week had de Commissie haar werkzaamheden niet kunnen voltooien omdat ze het niet eens kon worden, meer bepaald over de belangrijkste resolutie inzake de werkmethodes (methods of work).

Ze heeft zichzelf dan een week langer de tijd gegeven om de verscheidene onderhandelingen tot een goed einde te brengen.

Vóór deze « verlenging » kon echter een eerste balans worden opgemaakt :

— de bijzonder eigenzinnige houding van Slovenië dat, ondanks de beslissing van de EU om de aanduiding van een speciale rapporteur niet meer te steunen zodat de inspanningen kunnen worden geconcentreerd op de werking van CEDAW (Convention on the Elimination of All Forms of Discrimination against Women), een resolutie ter zake heeft ingediend, waardoor de werkzaamheden vertraging hebben opgelopen,

— de goedkeuring van de resolutie Bevrijding van vrouwen en kinderen die gegijzeld of gevangen genomen worden tijdens gewapende conflicten (Release of women and children taken hostage, including those subsequently imprisoned, in armed conflicts),

— de beslissing om Afghanistan niet meer te « stigmatiseren » door een systematische resolutie die de naam van het land draagt, tot grote voldoening van België.

— De resolutie over de toestand en de hulp aan Palestijnse vrouwen werd zonder verrassingen aangenomen, ondanks de « tegenstemmen » van de Verenigde Staten en Canada en de onthouding van Nicaragua.

— Ten slotte zijn de leden het eens geworden over een resolutie betreffende de vrouwen, de jonge meisjes en het HIV-virus, die zoals gewoonlijk werd bekritiseerd door de toespraak van de Verenigde Staten over de seksuele en voortplantingsrechten.

Na nog een week van moeizame onderhandelingen werd derhalve op 17 maart 2006 een bijzondere zitting georganiseerd, teneinde deze 50e zitting officieel en definitief te sluiten.

De resolutie over de werkmethoden werd aangenomen.

De belangrijkste vernieuwing is het feit dat de commissie voor de Status van de vrouw vanaf de 51e zitting nog maar één enkel prioritair onderwerp zal bepalen.

Alle werkzaamheden zullen verband houden met dat onderwerp, met de klemtoon op de implementering ervan.

In iedere zitting zullen onderling overeengekomen conclusies naar voren worden geschoven, waarin wordt gewezen op de onvolkomenheden en de uitdagingen die gepaard gaan met de implementering van het prioritaire thema. Op die grondslag zullen aanbevelingen worden gedaan om terzake op te treden. Voorts zal een en ander jaarlijks worden geëvalueerd, zodat de beleidsvoorstellen met een evaluatie kunnen worden aangevuld.

Bovendien zal bijzondere aandacht worden besteed aan opkomende thema's als gender mainstreaming.

Dat onderwerp zal in elke zitting aan bod komen; de secretaris-generaal zal vooraf rapporteren over de behandeling van die aangelegenheden in het kader van het prioritaire thema.

België heeft verkregen dat in de resolutie wordt verwezen naar indicatoren en statistische gegevens, zodat de geboekte vooruitgang efficiënter kan worden nagegaan.

Het vastleggen van het meerjarenprogramma is tot slot de neteligste kwestie gebleken.

— In 2007 zullen de discriminatie van en het geweld tegen vrouwen (beleidsmatig aspect) en de rol van de man in het streven naar gendergelijkheid (evaluatieaspect) worden behandeld.

— Voor 2008 staan de financiering van de gendergelijkheid en de empowerment van vrouwen (beleidsmatig aspect) en conflictpreventie en vredesopbouw na een conflict (evaluatieaspect) op de agenda.

Dit thema gold voor België als een prioriteit; bovendien is het ingebed in de opvolging van Resolutie 1325 van de Veiligheidsraad.

— In 2009 ten slotte zal beleidsmatig worden gewerkt aan het aids-thema, en op het vlak van de evaluatie aan de besluitvormingsprocessen.

Naast dit belangrijke hoofdstuk over de werkmethoden werden tevens de conclusies van de beide rondetafelconferenties aangenomen, met name de verruimde deelname van vrouwen aan ontwikkeling en de gelijke deelname van vrouwen en mannen aan de besluitvormingsprocessen.

III. GEDACHTEWISSELING

Op de vraag van mevrouw Annemie Roppe, volksvertegenwoordiger, over de redenen waarom de resolutie over de arbeidsmethodes tot zo'n uitzichtloze discussie heeft geleid dat men de zitting heeft moeten verlengen om de behandeling te beëindigen, antwoordt mevrouw Pascale Vielle, directrice van het Instituut voor de gelijkheid voor vrouwen en mannen als volgt.

Die resolutie bestond uit twee delen. Het deel « arbeidsmethodes » heeft geleid tot een botsing tussen twee verschillende benaderingen. De eerste, waar onder meer ons land achterstond, was voorstander van een enkel thema per sessie voor de commissie voor de Status van de vrouw om de door de lidstaten geboekte vooruitgang grondig en concreet te kunnen behandelen, zowel tijdens het politiek debat als tijdens de reviewing twee jaar later. België was voorstander van het vaststellen van indicatoren tijdens het politiek debat om twee jaar later de geboekte vooruitgang te kunnen toetsen.

Die aanpak is onder het vuur komen te liggen van landen die geen voorstander waren van zo'n strikte werkwijze.

Uiteindelijk is er een resolutie uit voortgekomen, gebaseerd op een compromis, dat de noodzaak van indicatoren vermeldt. Bij de reviewing zullen die alleen worden gebruikt wanneer dat nodig is en wenselijk blijft.

Wat betreft de thema's voor de drie volgende zittingen (in 2007, 2008 en 2009) heeft België de wens uitgesproken dat die zo concreet mogelijk worden omlijnd om de interventies en de debatten zo nauw mogelijk erbij te laten aansluiten. Wat nu de coördinatie betreft heeft ons land overtuigende argumenten moeten aanvoeren om tot een resultaat te komen dat niet helemaal voldoeningschenkend is; aan het slot van alle onderhandelingen met de delegaties is van de Belgische voorstellen niet veel meer overgebleven.

De voorgestelde thema's staan vermeld in het rapport van de Secretaris-generaal opgesteld voor de 50e zitting van de commissie van de Verenigde Naties voor de Status van de vrouw (http://daccessdds.un.org/doc/UNDOC/N05/662/76/PDF/N0566276.PDF?OpenElement). De wens enerzijds om onvoldoende aangesneden thema's aan te pakken en anderzijds de thema's de laten samenvallen met de agenda van de Verenigde Naties, heeft de keuze zeer beperkt.

Mevrouw Vielle haalt als voorbeeld aan het thema voor 2008 — financiering van de gendergelijkheid en empowerment van de vrouwen — waarvan ons land wenst dat het de budgettaire ramingen alsook de aanwending van financieringsmiddelen bevat. Ofschoon het thema kon rekenen op de Europese coördinatie is het in een later stadium van de besprekingen niet meer in aanmerking gekomen. Voor het thema voor 2009 — the equal sharing of responsibilities between women and men including care giving in the context of HIV-aids, heeft België de wens uitgesproken bijzondere aandacht te besteden aan de persoonlijke levenssfeer. Het Belgisch standpunt is niet in aanmerking genomen door de Europese coördinatie. Omdat de Scandinavische landen vreesden dat de aandacht teveel zou uitgaan naar heteroseksuele koppels in plaats van naar eenoudergezinnen en homoseksuele koppels.

Mevrouw Sabine de Bethune vraagt wat de Belgische doelstellingen waren inzake conflictpreventie en wat ons land heeft bereikt.

Wat plannen wij als concrete voorbereiding om de spoedeisende thema's voor 2007 aan te snijden ? Hoe zal de deelname van het Parlement eruit zien ?

Mevrouw Pierrette Cahay-André, volksvertegenwoordiger, vraagt aan de minister of het thema van geweld tegen vrouwen ook rekening houdt met alle vormen van geweld, meer bepaald seksuele verminking.

De minister herinnert eraan dat de interministeriële conferentie het nationaal actieplan inzake de bestrijding van partners heeft goedgekeurd en dat het plan een honderdtal maatregelen bevat op een zeer uiteenlopend niveau van bevoegdheden. Het merendeel van de maatregelen gaan gepaard met begrotingsramingen en een werkschema. Op de uitvoering van het plan wordt toegezien door het Instituut alsook door een interdepartementale werkgroep.

Het thema van geweld tegen vrouwen, dat de VN-commissie voor 2007 heeft gekozen, handelt over seksuele verminking te meer omdat de toestand van jonge meisjes bijzondere aandacht moet krijgen.

Met betrekking tot het thema waarover een balans zal worden opgemaakt in 2008, namelijk het voorkomen, het beheersen en het oplossen van conflicten en het consolideren van de vrede na een conflict, verduidelijkt mevrouw Pascale Vielle dat de inhoud niet precies kon worden vastgesteld aangezien het de bedoeling is een balans op te maken van de vooruitgang die is geboekt sinds de besprekingen in de Commissie voor de status van de vrouw. België kon die themakeuze alleen ondersteunen.

Mevrouw Annemie Roppe, volksvertegenwoordiger, verheugt zich erover dat een nationaal actieplan bestaat en ondervraagt de minister over de coördinerende rol van het Instituut. Op lokaal vlak worden immers bewonderenswaardige initiatieven genomen maar de coördinatie ontbreekt.

De minister bevestigt dat het Instituut een coördinerende rol moet spelen en daarvoor de nodige middelen heeft gekregen. Om het gebrek aan samenhang en coördinatie tussen de verschillende actoren te verhelpen zal in het Instituut een referentiecentrum worden opgericht.

Op lokaal vlak zou men de maatschappelijke assistenten kunnen opleiden zodat zij de slachtoffers of de daders van gewelddaden naar aangepaste diensten kunnen doorverwijzen. De bestaande opleidingen zijn geëvalueerd aan Franstalige kant en hetzelfde heeft thans plaats aan Nederlandstalige kant. Op basis van de resultaten kunnen die opleidingen worden verbeterd.

Mevrouw Olga Zrihen wijst op het samenhangende programma dat het resultaat is van beslissingen van de VN-commissie voor de status van de vrouw.

Om het geweld tegen vrouwen te bestrijden, stelt het lid voor om de behoorlijke praktijken op plaatselijk vlak te vergelijken en te harmoniseren zodat er meer samenhang is tussen de diensten die de verschillende gemeenten organiseren. Wanneer vrouwen die het slachtoffer zijn van geweld verhuizen, kunnen zij niet meer op dezelfde diensten terugvallen en hebben ze geen enkel houvast meer.

De senator benadrukt het belang van een zeer vroege preventie omdat men al te vlug in de fase van de remediëring zit. De rol van de mannen in het verwezenlijken van de gelijkheid wordt steeds meer benadrukt. Op zich is dat positief maar er moet wel in een afzonderlijk budget worden voorzien, want het bestaande budget voor het gelijkekansenbeleid is al zeer beperkt.

De heer Dupont, minister van gelijke kansen, verklaart dat het actieplan preventieve maatregelen bevat die moeten worden uitgevoerd door de ministers van Onderwijs van beide gemeenschappen. Het nationale plan moet zorgen voor een grotere samenhang van alle acties, met inbegrip van het plaatselijke niveau.

Uit de evaluatie van de opleidingen in de Franse Gemeenschap is gebleken dat er veel goede wil aanwezig is maar dat dit niet altijd volstaat. De opleidingen zijn meestal heel kort en er wordt niet voorzien in bijscholing. Een eerste bewustwording is natuurlijk nuttig maar ze moet worden gevolgd door voortdurende bijscholing.

Mevrouw Sabine de Bethune herinnert eraan dat het Bureau van de Raad voor de Gelijkheid van Kansen op 7 juni 2005 een advies heeft gegeven over de vertegenwoordiging van België in de CSW (Commission of the Status of Women). In het verleden beschikte België over een permanente vertegenwoordiger bij deze commissie. Dat is misschien niet onontbeerlijk maar België lag daardoor toch bijzonder in de kijker.

In 2005 heeft de Raad voor de Gelijkheid van Kansen zich beklaagd dat hij niet voldoende was betrokken bij de voorbereiding in België van « Peking +10 ». Is de vrouwenbeweging er dit jaar meer bij betrokken ?

Ten slotte vraagt het lid of de conclusies van de twee rondetafels gevolgen hebben voor het Belgische beleid.

Mevrouw Pascale Vielle, directrice van het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, antwoordt dat België zich nogmaals kandidaat heeft gesteld voor een vertegenwoordiging in de commissie voor de Status van de vrouw. Met betrekking tot het idee van een permanente vertegenwoordiger, gespecialiseerd in genderkwesties, verklaart spreekster dat men op twee manieren tewerk kan gaan : hetzij met gespecialiseerde deskundigen, hetzij met allround mensen.

Momenteel kiest België voor de tweede oplossing : onze plaatselijke diplomaten houden zich met meerdere materies bezig. Landen als Portugal en het Verenigd Koninkrijk staan hun diplomaten toe zich op een materie toe te leggen, bijvoorbeeld genderkwesties. Het voordeel is dat deze laatsten de teksten van de Verenigde Naties heel goed kunnen bewerken en de meest geschikte formulering kunnen vinden. Nochtans wordt de hoogstaande kwaliteit van het werk van onze diplomaten door al hun collega's erkend. Zij wijzen er ook op dat het nuttig kan zijn om in verschillende sectoren te werken omdat ze op de hoogte zijn van de activiteiten van andere commissies en eventueel verbanden kunnen leggen tussen de verschillende dossiers. Beide methoden hebben dus duidelijk voor- en nadelen.

Mevrouw Vielle heeft enkel deelgenomen aan de rondetafels over de genderdimensie van migratie. Er is met name gesproken over een Belgisch proefproject.

Mevrouw Hélène Ryckmans, voorzitster van de commissie Vrouwen en Ontwikkeling, benadrukt het belang van de kwantitatieve en kwalitatieve indicatoren. Welke initiatieven worden in België genomen met betrekking tot het verzamelen en verspreiden van de gegevens ?

Wat de voorbereiding van de zittingen van de CSW betreft, had de commissie vrouwen en ontwikkeling in 2005 expliciet aanbevolen dat de werkzaamheden op een zeer brede basis moesten plaatsvinden en dat de representatieve structuren erbij betrokken moeten worden.

De zitting van 2005 was bovendien de gelegenheid om vast te stellen hoe belangrijk de contacten zijn met de andere delegaties tijdens de organisatie zelf van de zitting. Als men de gelijkheid van mannen en vrouwen wil bevorderen, moeten er uitwisselingen komen met de vertegenwoordigers van andere landen, moeten zij geïnformeerd worden over de logica die wij er in België op nahouden. Heeft men nagedacht hoe die contacten tot stand kunnen worden gebracht ? Bestaat er een regeling voor de wederzijdse informatie van de diplomaten ?

De minister vindt het een zeer goed idee om het middenveld te betrekken bij de voorbereiding van de CSW-zittingen. De ervaring van de voorbereiding van « Peking +10 » was positief : België had een zeer stevige positie in New York. Nu de thema's voor de komende jaren van tevoren zijn vastgelegd, is het zeker mogelijk om de werkzaamheden op deze manier te organiseren.

Mevrouw Vielle verduidelijkt dat men ter plekke twee niveaus moet onderscheiden wat de contacten betreft. De diplomatieke contacten met de niet-EU landen zijn delicaat. Slovenië had dit jaar bijvoorbeeld beloften gedaan aan Rwanda zonder de Europese Unie hiervan op de hoogte te brengen. Dit heeft voor een aantal problemen gezorgd.

Wat de meer informele contacten betreft daarentegen, toont het Instituut veel interesse voor de organisatie van een « side event » over een thema dat samen met de ontwikkelingslanden zou worden gekozen.

Mevrouw Pehlivan, voorzitter van het adviescomité van de Senaat, herinnert eraan dat men in 2010 de 15e verjaardag viert van de Peking-conferentie. Dit hoort niet alleen een symbolische viering te zijn maar de zitting dient voorbereid te worden, zodat zij een grondige evaluatie inhoudt van de vooruitgang tot op heden.

Het Adviescomité heeft trouwens de eerste minister geschreven om hem te vragen de kandidaatstelling van België te steunen voor de vestiging te Brussel van het Europees Genderinstituut. Deze vestiging zou zeker de besprekingen vergemakkelijken die aan de zitting van 2010 moeten voorafgaan.

De minister verklaart dat ook hij de eerste minister heeft verzocht om het kandidaatschap van België te steunen. De EU heeft echter twee jaar geleden besloten om nieuwe instellingen bij voorkeur in nieuwe lidstaten te vestigen. België heeft natuurlijk een aantal troeven, zoals de grote expertise van de vrouwenbeweging bij ons, de beperkte kosten voor verplaatsing, enz. Er is nog geen beslissing.

De minister overweegt om over de voorbereiding van de thema's die in de komende jaren aan bod komen, om de drie maanden een vergadering te beleggen.

Hij benadrukt ten slotte dat 2010 een tweevoudig symbolisch jaar zal zijn aangezien het ook het moment is om de verwezenlijking van de Millenniumdoelstellingen inzake ontwikkeling te evalueren.

Hij voegt daaraan toe dat het werkprogramma van de CSW is vastgelegd voor drie jaar omdat de VN nog niet beslist heeft welke vorm de zitting van 2010 zal krijgen : een Peking +15 zitting, of een nieuwe wereldconferentie.

Mevrouw Colette Burgeon, voorzitster van het adviescomité van de Kamer, onderstreept het belang van de parlementaire contacten zowel op Europees niveau als met de parlementsleden van andere werelddelen. Zij wenst dat deze contacten aangemoedigd worden.

De minister wijst op de kwaliteit van het Luxemburgse voorzitterschap, dat de voorbereidende werkzaamheden van de Peking +10-vergadering heeft geleid. Finland, dat vanaf 1 juli 2006 voorzitter van de EU zal zijn, bereidt momenteel een colloquium voor over de rol van de man.

Mevrouw Pierette Cahay-André, volksvertegenwoordiger, stelt voor dat men de steun vraagt van de Benelux om het Europees Genderinstituut in Brussel te vestigen.

Mevrouw de Bethune wijst erop dat de vrouwenraden een brief ontvangen hebben waarmee de minister van Buitenlandse Zaken meedeelt het kandidaatschap van België om het Europees Instituut hier te vestigen, niet te verdedigen. Zij verbaast zich over deze beslissing, terwijl het hier gaat om een prioriteit van het Parlement, van de organisaties te velde en zelfs van de minister van Gelijke Kansen.

De minister antwoordt dat de eerste minister en de minister van Buitenlandse Zaken beloofd hebben om dit dossier te verdedigen tijdens de laatste ministerraden. Het klopt wel dat er ernstige hindernissen zijn, waaronder de voorrang die de EU aan de nieuwe lidstaten wil geven.

Mevrouw Danielle Evraud, vertegenwoordigster van de « groupement de la porte ouverte », verklaart dat er meer vrouwelijke schepenen moeten komen in de gemeenten en in het bijzonder schepenen voor vrouwenzaken.

De minister legt de nadruk op het begrip « gender mainstreaming » op gemeentelijk vlak en wel vanaf het moment dat de beleidslijn van de gemeente bekend wordt gemaakt : deze bezorgdheid ligt in de lijn van het wetsontwerp inzake de gender mainstreaming, waar de regering nu mee bezig is.

Mevrouw Burgeon wijst erop dat de schepen voor het Gezin, die is aangewezen na de Wereldvrouwenmars, een platform van vrouwen heeft samengesteld waarin alle vrouwenverenigingen van de gemeente zijn samengebracht. Of er wordt voorzien in een mandaat voor het gezin of voor vrouwenzaken, kan de gemeente zelf beslissen. Er moet dus binnen de gemeente druk worden uitgeoefend.

IV. GEDACHTEWISSELING MET MEVROUW E. THIJS, SENATOR

Mevrouw Thijs was lid van de Belgische officiële delegatie in New-York.

Mevrouw Thijs merkt op dat de samenkomst in New York al enkele maanden achter de rug is. Het zou beter zijn onmiddellijk na dergelijke bijeenkomst verslag te kunnen uitbrengen in het adviescomité en zij hoopt dat dit in de toekomst mogelijk is.

De bijeenkomst zelf was zeer interessant, ook emotioneel interessant en de sfeer was zeer goed. Het domein waarover werd gesproken was sterk afgelijnd : het ging enkel over de politieke vertegenwoordiging van vrouwen in de parlementen.

Op de eerste dag van de conferentie handelden alle tussenkomsten over de pariteit op de lijsten en de vertegenwoordiging van vrouwen in parlementen. Opvallend was dat er zich in alle landen een groei heeft voorgedaan, zowel in landen waar er reeds een sterke parlementaire vertegenwoordiging van vrouwen bestond, als in landen waar dit nog niet het geval was. Soms was er sprake van een sterke groei, op andere plaatsen was dit minder het geval, maar er was wel degelijk overal vooruitgang geboekt.

Opvallend was dat er op de conferentie weinig plaats was voor debat. Meestal beperkte men zich tot het weergeven van de status in een bepaald land. Zij hoopt dat toekomstige conferenties meer ruimte kunnen vrijmaken voor debat.

Verder wijst zij nog op de tussenkomst van mevrouw Lizin, die stelde dat zij als eerste vrouwelijke senaatsvoorzitter wel degelijk invloed kan uitoefenen, wat aantoonde dat vrouwen zeker moeten worden aangemoedigd om hogere functies te ambiëren. Het is wel zo dat deze boodschap zich vooral richt tot de landen die al vrij ver gevorderd zijn.

Uit haar evaluatie van de conferentie heeft mevrouw Thijs enkele voorstellen gedistilleerd. Zij meent dat het belangrijk is indien op een bepaald ogenblik van de conferentie, twee snelheden kunnen worden gehanteerd. Een indeling die dit patroon volgt zou een gemeenschappelijke eerste dag kunnen organiseren, waarbij de toestand in verschillende landen wordt toegelicht en bediscussieerd. Vanaf de tweede dag zouden de participerende landen kunnen worden ingedeeld in twee groepen : een groep waar de politieke vertegenwoordiging van de vrouwen reeds ver gevorderd is en die zich voornamelijk kan toespitsen op de vraag hoe deze vrouwen invloed kunnen uitoefenen, en een groep waar de politieke vertegenwoordiging nog geen feit is en die zich kan richten op de vraag hoe een vrouw in een parlement kan verkozen worden. Beide materies zijn fundamenteel verschillend en worden daarom best apart behandeld om vooruitgang te boeken.

Als tweede punt stelt zij voor dat er veel concreter moet worden gewerkt. Politiek is voor veel vrouwen nog een zeer abstracte materie. Het organiseren van workshops zou daarom zeer nuttig zijn. Er kan bijvoorbeeld worden geleerd hoe je een campagne voert, hoe je best naar buiten treedt met je boodschap. Statistieken hebben hun nut, maar veel vrouwen hebben nood aan concrete voorbeelden en praktische informatie. België heeft reeds enkele campagnes achter de rug om kiezers bewust op vrouwen te laten stemmen. Daar is in vele landen nood aan. In dit opzicht wijst mevrouw Thijs er op dat het nuttig zou zijn indien de documenten die door de Belgische delegatie worden ingediend niet enkel in het Frans en het Nederlands zouden worden ingediend, maar ook in het Engels, althans wat de hoofdlijnen ervan betreft.

Zij heeft tevens opgemerkt dat de vrouwen op deze conferentie geen gebruik hebben gemaakt van moderne communicatiemiddelen. Dit maakte het soms moeilijk om hun betoog kracht bij te zetten. Voor veel sprekers was Engels immers niet de moedertaal en in die omstandigheid kan een begeleidend beeld zeer nuttig zijn. Het moet toch mogelijk zijn om bijvoorbeeld de goede elementen uit de voorbije « stem vrouw » campagnes om te zetten in het Engels en te laten bewerken tot een goede presentatie ?

Mevrouw Pehlivan stelt vast dat de opmerkingen in verband met deze conferentie, dezelfde zijn als die in verband met de conferentie die vorig jaar heeft plaatsgevonden. Ook toen werd er een grote nood aan praktische informatie en voorbeelden vastgesteld. Dit is dus zeker een punt dat onder de aandacht moet worden gebracht. Zij zou graag weten of er werd gesproken over doelstellingen in het kader van Peking+10 of Peking+15.

Mevrouw Thijs stelt dat er wel jaarlijkse evaluaties plaatsvinden, maar dat er geen concrete doelstellingen worden opgesteld.

Mevrouw de Bethune merkt op dat de aanwezigen het uitdragen van deze boodschap in eigen handen hebben. Indien zij dit wensen kunnen zij enkele maanden op voorhand contact opnemen met de permanente vertegenwoordiging in New York. Dit zou moeten gebeuren door het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, dat in deze een coördinerende functie heeft. Het Instituut kan enkele workshops opzetten en materiaal selecteren en klaarmaken. Zij betreurt te moeten vaststellen dat deze aanbeveling precies een jaar geleden reeds aan de minister werd gedaan, maar blijkbaar geen concrete resultaten heeft opgeleverd.

Mevrouw Pehlivan stelt voor in het verslag en de nieuwe aanbevelingen zeer concrete tijdsbepalingen op te nemen waarbinnen bepaalde doelstellingen zouden moeten worden gerealiseerd. Ook het Instituut voor Gelijkheid van vrouwen en mannen zal worden uitgenodigd om toelichting te geven bij hun werking en hun mogelijkheden. Zij is er van overtuigd dat iedereen het uitwerken van praktische informatie ondersteunt. Uiteraard moeten er eerst een aantal vragen beantwoord worden over de realisatie van deze projecten. Hoe lang op voorhand moet de informatie worden bezorgd om een workshop te kunnen realiseren ? Wie wordt door de VN aanvaard en hoe gebeurt dit ?

Volgens mevrouw de Bethune bestaan er zeer weinig belemmeringen om een workshop op het programma te laten plaatsen en is het vaak een louter formele aangelegenheid.

Uiteraard moet er wel een budget en personeel worden voorzien voor de ontwikkeling er van.

V. AANBEVELINGEN

De 50e zitting van de VN-commissie voor de Status van de Vrouw was aan twee thema's gewijd : vrouwen in ontwikkeling en vrouwen in besluitvorming.

Op deze zitting werd een resolutie aangenomen over de organisatie en de werking en over de thema's van de zittingen tot en met 2009. Het belangrijkste element hierin is dat de commissie vanaf de 51e zitting jaarlijks slechts één beleidsthema naar voren zal schuiven. De commissie zal ook ieder jaar het vorige thema evalueren.

In 2007 is het beleidsthema de uitbanning van alle vormen van discriminatie en geweld tegen vrouwen en meisjes. Het thema dat voorligt ter evaluatie in 2007 is de rol van mannen bij het streven naar gelijkheid tussen vrouwen en mannen (thema van de 48e zitting van de commissie).

Andere belangrijke resoluties werden goedgekeurd : resolutie inzake meisjes, vrouwen en HIV/aids, resolutie over de situatie van en de bijstand aan Palestijnse vrouwen, resolutie over de situatie van vrouwen en meisjes in Afghanistan, e.a.

In de marge van de commissie wordt ook jaarlijkse een bijeenkomst georganiseerd door de Interparlementaire Unie. Deze vond plaats op 1 maart 2006 en droeg als titel « Gender Equality : Making a Difference through Parliament ».

Het adviescomité werd niet betrokken bij de voorbereiding van de 50e zitting. De Multi-Coor, op initiatief van Buitenlandse Zaken organiseerde op 15 februari 2006 een vergadering waar de vertegenwoordigsters van de vrouwenraden, de commissie vrouwen en ontwikkeling en het Instituut aanwezig waren. Op deze vergadering werd eveneens de standpunt van België besproken (1) .

1. Een meer transparante en beter gestructureerde voorbereiding van de CSW

— Het formaliseren van het Pekingcomité

Het adviescomité vraagt aan de minister om in de toekomst voor een transparante en gestructureerde voorbereiding te zorgen van de CSW met alle actoren en stakeholders van het gelijkekansenbeleid, meer bepaald de leden van de Commissie Buitenlandse Betrekkingen van Kamer en Senaat, de leden van het Adviescomité voor gelijke kansen van vrouwen en mannen van de Senaat en het Adviescomité voor maatschappelijke emancipatie van de Kamer, de vertegenwoordigers van het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen en de raad van bestuur van het Instituut, de Commissie Vrouwen en Ontwikkeling alsook de vertegenwoordigers van de Gelijkekansenraad en van de NGO-koepels. Een geschikte structuur hiervoor is het Pekingcomité, indien het wordt geformaliseerd.

— De coördinerende rol van het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen

Conform artikel 3 en 4 van de wet van 16 december 2002 verzoekt het adviescomité het Instituut voor gelijkheid van vrouwen en mannen om een coördinerende taak op zich te nemen tijdens de voorbereiding, deelname aan en follow-up van een CSW-zitting. Het Instituut zou het secretariaat voeren en het comité coördineren. Eveneens maakt het Instituut een verslag dat voor iedereen toegangelijk is.

Het adviescomité pleit ervoor om opnieuw een internetsite te construeren zoals voor Peking+10, die als communicatiemiddel dient in de aanloop naar Peking+15 maar ook informeert over de jaarlijkse CSW. Het adviescomité spreekt zijn tevredenheid uit over het initiatief van het Instituut om zes debatvergaderingen te organiseren ten einde actiemogelijkheden vast te stellen voor de vijfde wereldvrouwenconferentie.

— Over de deelname van de vrouwenbeweging aan het « Pekingproces »

Het adviescomité beklemtoont het belang van de financiering van de Belgische vrouwenbeweging om haar de mogelijkheid te geven deel te nemen aan conferenties zoals Peking+10.

Het adviescomité vraagt met aandrang dat België tijdens de 51e zitting in 2007 wel een « side-event » of workshop zou organiseren. Wegens de jarenlange expertise van België op het vlak van partnergeweld (het thema van 2007) suggereert het adviescomité dit thema aan te grijpen om een side-event te organiseren. In de toekomst zou deze side-event georganiseerd kunnen worden door het Instituut in partnership met de NGO-koepels.

— Over de samenwerking met landen uit het Zuiden

Het adviescomité steunt de vraag van de commissie vrouwen en ontwikkeling dat België een delegatie van NGO's van landen uit de derde wereld zou steunen.

2. Over de inhoudelijke neerslag (het driejarenplan zoals vastgelegd in VN-resolutie over de nieuwe werkmethodes van de CSW)

— De programmering van thema's in België

De nieuwe werking en methodiek van de commissie voor de status van de vrouw heeft niet alleen een weerslag op VN-niveau maar ook op de manier waarop het gelijkekansenbeleid in België wordt uitgetekend. Het adviescomité vraagt de regering om de prioritaire thema's van de Verenigde Naties mee te nemen in de nationale agenda en hierrond een beleid (verder) uit te werken.

— Het beleidsthema voor 2007 : geweld op vrouwen en meisjes

Het thema van geweld op vrouwen en meisjes staat al jaren bovenaan de politieke agenda in ons land. Het adviescomité dringt aan op een proactieve rol van België. België zou binnen de Europese Unie een sterke resolutie kunnen indienen over geweld op vrouwen en meisjes om de standpuntbepaling van de 51e CSW te voeden. Via side-events zou België haar eigen ervaringen kunnen delen met andere landen en zelf ook positieve ervaringen van andere landen opnemen in haar « good practices ». Dit thema kwam ook uitgebreid aan bod in het rapport van de 49e zitting.

— Het opvolgingsthema voor 2007 : rol van mannen in het gelijkekansenbeleid

Het adviescomité meent dat de agendering van de rol van mannen in het gelijkekansenbeleid een hefboom kan zijn om het thema als onontgonnen terrein meer aandacht te geven. Het adviescomité verzoekt de regering om verder te bouwen op de studiedag « Man en verandering : de rol van mannen in de gelijkheid van mannen en vrouwen. », georganiseerd door het Instituut op 9 en 10 september 2005 door hier concrete beleidsmaatregelen aan te koppelen.

— Het gebruik van statistieken en indicatoren

Het adviescomité beaamt dat België het belang van indicatoren en statistieken om de vooruitgang te kunnen meten heeft beklemtoond tijdens de 50e zitting. Het adviescomité beschouwt het verzamelen van statistisch materiaal en de definiëring van indicatoren als belangrijke beleidsinstrumenten. Het Instituut beschouwt zeker het inventariseren, verbeteren en verspreiden van naar sekse uitgesplitste statistische gegevens als één van haar kerntaken, maar het adviescomité dringt op de noodzaak van een coherent beleid rond genderstatistieken aan. Het adviescomité verzoekt de Belgische regering dit zo snel mogelijk in eigen beleid toe te passen.

3. Over de diplomatieke opstelling van België (aanbevelingen aan de FOD Buitenlandse Zaken)

— België lid van CSW van 2007 tot 2011

Het adviescomité ondersteunt de proactieve houding van de Belgische diplomatie en verheugt zich erover dat België op 10 mei 2006 opnieuw werd verkozen tot lid van de commissie voor de status van de vrouw voor een mandaat van 4 jaar dat loopt vanaf 2007. Het is het vierde opeenvolgende mandaat dat België uitoefent.

— De vijfde wereldvrouwenconferentie in 2010

Het adviescomité vraagt met aandrang aan de Belgische regering om te pleiten voor een vijfde Wereldvrouwenconferentie in 2010.

— Het Europees genderinstituut

Het adviescomité vraagt met aandrang aan de regering om binnen de Europese Unie te pleiten voor een definitieve vestigingsplaats van het Europees genderinstituut in Brussel.

4. Over de opvolging vanuit het federaal Parlement

— De jaarlijkse opvolgingsrapporten van de CSW

Het adviescomité neemt zich voor om voortaan jaarlijks een rapport uit te brengen over de zitting van de commissie voor de status van de vrouw.

Het adviescomité beaamt het voorstel van de minister om driemaandelijks met het Instituut te overleggen en stelt voor om in het verlengde hiervan halfjaarlijks een vergadering te plannen met het adviescomité.

— De opvolging van de aanbevelingen

Het adviescomité betreurt dat de aanbevelingen uit het rapport 3-996 over de 49e zitting maar gedeeltelijk werden uitgevoerd. Het adviescomité wenst via de jaarlijkse rapportage de uitvoering van de aanbevelingen beter op te volgen.

VI. STEMMINGEN

De aanbevelingen worden eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden.

Dit verslag werd eenparig goedgekeurd door de 9 aanwezige leden.


De rapporteur, De voorzitter,
Sabine de BETHUNE. Fatma PEHLIVAN.



--------------------------------------------------------------------------------

BIJLAGEN
1. Verslag van de vergadering dd. 15 februari 2006 van de Multi-Coor

2. Planning van de CSW

3. Speech namens de Europese Unie

4. Speech van mevrouw Anne-Marie Lizin, voorzitster van de Senaat, gehouden tijdens de Commissie voor de Status van de vrouw op de IPU-meeting

5. Schriftelijk verslag van mevrouw Erika Thijs, senator

Annexe 1
Royaume de Belgique — Koninkrijk België

Service public fédéral Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopération au Développement — Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse handel en Ontwikkelingssamenwerking

RAPPORT DE LA RÉUNION COOR-MULTI DU 15 FÉVRIER 2006 RELATIVE À LA 50e SESSION DE LA COMMISSION DE LA CONDITION DE LA FEMME (NEW YORK, 27 FÉVRIER-10 MARS 2006)

Cette réunion avait pour objectif de définir la position belge ainsi que de déterminer la composition de la délégation en vue de la 50e session de la Commission de la Condition de la Femme (CCF), qui aura lieu du 27 février au 10 mars 2006.

Il ressort de la discussion les conclusions suivantes:

— Contexte politique: la 50e CCF sera une session plus traditionnelle, après celle de l'année passée qui était consacrée aux 10 années de la Conférence de Beijing. Il n'est pas exclu cependant que le débat début mars à la CCF porte les séquelles des événements de ces dernières semaines au sujet de la controverse des dessins satiriques de Mahomet. La Belgique veillera à défendre une position cohérente et solidaire de l'UE sur cette question.

— En ce qui concerne le programme de travail pluriannuel 2007 — 2011 de la CCF (point 3 a de l'ordre du jour), la Belgique approuve la proposition de définir un programme de travail thématique sur un cycle de deux ans, avec une session de définition des politiques et une session d'évaluation de la mise en œuvre deux ans après. Pour la session d'évaluation en 2007, la Belgique propose le thème du gender mainstreaming (comportant des aspects institutionnels, de collectes de données, de statistiques, etc.), thème qu'elle veillera également à intégrer dans le cadre des débats de la Commission de consolidation de la paix. Quant aux thèmes de fond pour la période 2007-2009, les sujets qui tiennent à cœur à la Belgique sont la justice économique et la consolidation de la paix.

— Opportunité de désigner un rapporteur spécial chargé d'examiner les lois discriminatoires à l'égard des femmes (point 3 a de l'ordre du jour): au vu notamment des risques de double-emploi avec le CEDAW (tels qu'identifiés par le SGNU dans son rapport § 61) voire de dévalorisation de ce dernier ainsi que du manque de clarté quant à la méthodologie qui serait adoptée, l'idée de désigner un rapporteur spécial chargé d'examiner les lois discriminatoires à l'égard des femmes n'apparaît pas pertinente. La Belgique accorde la priorité au CEDAW, auquel des moyens supplémentaires ont été accordés en 5e Commission afin de tenter de résorber le retard accumulé.

— En ce qui concerne la situation des femmes et des filles en Afghanistan, la Belgique soutient la proposition de la Présidence de l'UE visant à ne plus introduire de résolution sur ce pays en particulier (et de clôturer définitivement ce point), compte tenu des résolutions globales déjà prises à l'AG mais également à la Commission des droits de l'homme.

Le même raisonnement prévaut pour la situation des Palestiniennes, mais le contexte politique rendra probablement inévitable le maintien d'une résolution pays spécifique à la Palestine.

La Belgique estime que la question des « femmes et enfants pris en otage » relève davantage du droit de la guerre et donc des travaux de la 6e Commission.

— Sur le point 3 b de l'ordre du jour, « Questions nouvelles, tendance et approches novatrices des problèmes ayant des répercussions négatives sur la condition de la femme ou sur l'égalité entre les sexes », il est convenu que l'Institut pour l'égalité des femmes et des hommes (IEFH), en concertation notamment avec le SPF Affaires étrangères (Ambassadeur pour les migrations et la politique d'asile + DGCD), prépare une intervention sur les idées et bonnes pratiques belges (1) en vue de la réunion du groupe d'experts de haut niveau sur les « aspects sexospécifiques des migrations internationales ». Cette réunion fera l'objet d'un résumé du Président qui sera transmis au Dialogue de haut niveau sur la question des migrations internationales et du développement (New York, 14 et 15 septembre 2006) (2) .

— En ce qui concerne le point 3 c, « Renforcement de la participation des femmes au développement: instauration d'un environnement propice à l'égalité des sexes et à la promotion de la femme, notamment dans les domaines de l'éducation, de la santé et du travail », la Belgique peut souscrire à l'ensemble des recommandations du rapport même si elle souhaiterait un langage plus direct, notamment sur les « comportements socioculturels discriminatoires ».

Partant de la recommandation au paragraphe 63 l (« Assurer un financement adéquat aux politiques et programmes de développement tenant compte des questions de genre et aux mécanismes nationaux de promotion de l'égalité des sexes, en mobilisant des ressources à cette fin aux niveaux national, régional et international et en établissant, dans tous les domaines d'activité, des budgets qui tiennent compte des questions de genre »), la Belgique, conformément à l'accord atteint à l'OCDE au sein du CAD (GENDERNET), proposera que la CCF examine en particulier le rôle accru des « National Women's Machineries » au sein des pays en voie de développement à la lumière du nouveau contexte de développement qui se dessine depuis la Déclaration de Paris (passage d'une aide « projets » à une aide budgétaire dont la gestion est davantage confiée aux pays en voie de développement).

Sur le point « Participation des femmes et des hommes, sur un pied d'égalité, à tous les niveaux de prise de décisions », il est souligné que la délégation belge qui se rendra à la CCF devra disposer des différents textes concernant les obligations en vigueur dans notre pays en matière d'équilibre hommes/femmes (élections, conseils d'administration, entreprises, etc.).

— Pour le point « Contribution de la Commission au débat de haut niveau du Conseil économique et social (3) », l'IEFH, qui a coordonné un avis du Comité d'égalité des chances de la Commission européenne pour le Livre vert sur les migrations économiques, dispose de suffisamment d'éléments mis récemment à jour (dimension genre, qualité et flexi-sécurité des emplois, modèle social européen, etc.) qui pourront servir de base à un éventuel apport belge (4) .

— Le ministre Dupont ne pouvant diriger la délégation belge à la CCF, celle-ci devrait s'établir comme suit:

• M. J. VERBEKE, Représentant permanent auprès des NU, Chef de délégation

• Mme S. DE BETHUNE, Sénatrice (1ère semaine), à confirmer

• Éventuellement un membre de la Chambre

• Mme P. VIELLE (1ère semaine) et Mme F. FASTRE (2e semaine), IEFH

• Mme M. FRANCKEN, Vlaamse Gemeenschap (1ère semaine)

• M. P. VAN KEMSEKE, Représentation permanente auprès des NU

— La réunion s'accorde pour que la Belgique, dont le mandat actuel se termine fin 2007, se porte candidate pour la quatrième fois à un mandat à la CCF (élections en avril 2006).

Annexe 2
Nations Unies

Commission de la condition de la femme

Rapport sur les travaux de la cinquantième session (22 mars 2005, 27 février-10 mars et 16 mars 2006)

Conseil économique et social

Documents officiels, 2006

Supplément No 7 (E/2006/27-E/CN.6/2006/15)

Table des matières

I. Questions appelant une décision du Conseil économique et social ou portées à son attention

A. Table ronde de haut niveau sur les dimensions sexospécifiques des migrations internationales

B. Projets de résolution devant être adoptés par le Conseil

I. La situation des femmes et des filles en Afghanistan

II. La situation des Palestiniennes et l'aide à leur apporter

III. Futures organisations des travaux et méthodes de travail de la Commission de la condition de la femme.

C. Projet de décision devant être adopté par le Conseil

Rapport de la Commission de la condition de la femme sur les travaux de sa cinquantième session et ordre du jour provisoire et documentation pour la cinquante et unième session de la Commission.

D. Questions portées à l'attention du Conseil

Résolution 50/1. Libération des femmes et des enfants pris en otage lors de conflits armés, y compris de ceux qui sont emprisonnés ultérieurement

Résolution 50/2. Les femmes et les filles face au VIH/sida

Résolution 50/3. Opportunité de désigner un rapporteur spécial chargé d'examiner les lois discriminatoires à l'égard des femmes

Décision 50/101. Documents examinés par la Commission de la condition de la femme au titre du point 3 de l'ordre du jour

Conclusions concertées. Renforcement de la participation des femmes au développement: instauration d'un environnement propice à l'égalité des sexes et à la promotion de la femme, notamment dans les domaines de l'éducation, de la santé et du travail.

Conclusions concertées. Participation des femmes et des hommes, sur un pied d'égalité, à tous les niveaux de la prise de décisions

II. Suite donnée à la quatrième Conférence mondiale sur les femmes et à la session extraordinaire de l'Assemblée générale intitulée « Les femmes en l'an 2000: égalité entre les sexes, développement et paix pour le XXIe siècle ».

III. Communications relatives à la condition de la femme

IV. Suite donnée aux résolutions et décisions du Conseil économique et social

V. Ordre du jour provisoire de la cinquante et unième session de la Commission

VI. Adoption du rapport de la Commission à sa cinquantième session.

VII. Organisation de la session.

A. Ouverture et durée de la session

B. Participation

C. Élection du Bureau

D. Ordre du jour et organisation des travaux

E. Nomination des membres du Groupe de travail chargé des communications relatives à la condition de la femme

F. Documentation

Annexe 3
Texte de l'UE à la 50e commission ONU Condition de la femme

Commission on the Status of Women; Statement by Ms. Maria RAUCH-KALLAT, Austrian Federal minister for Health and Women, on behalf of the European Union

Chair,

I have the honour to make this statement in the name of the European Union. The Acceding Countries Bulgaria and Romania, the Candidate Countries Turkey, and the former Yugoslav Republic of Macedonia*, the Countries of the Stabilisation and Association Process and potential candidates Albania, Bosnia and Herzegovina, Serbia and Montenegro, as well as Ukraine and the Republic of Moldova align themselves with this declaration.

Let me, Mme. Chair, congratulate you and the other members of the bureau on assuming the important duty of presiding over this Commission. I would like to assure you of the full cooperation of the EU in this endeavour.

« Progress for women is progress for all ». This declaration resonates from the outcome document of the 2005 World Summit. It was unanimously subscribed to by world leaders and substantiated by a number of important commitments for the advancement of women. It is important to note that the declaration constitutes an integral part of the reform agenda of the United Nations. Regarding the establishment of the UN Peacebuilding Commission as mandated by the World Summit of September 2005, the European Union wishes to underline the important role of women in peace building processes. Let me add that during the negotiations, the EU argued for the need to involve a gender expert in the country specific consultations of the Commission. The EU will continue to stress that this expertise must be available to the Commission in the Peace Building support office.

« Women, Peace and Security »: What began as a bold initiative at the grassroots level in order to empower women and girls in situations of conflict led to a landmark Security Council resolution in the year 2000. Today we can look back at three subsequent Presidential Statements and a System-wide Action Plan for Implementing Security Council Resolution 1325 for the years 2005-2007. « Responsibility, accountability, commitment » — are the key issues reflected in all of these documents. Increased attention is given to the integration of a gender perspective into activities related to peace building including the consultation of women's groups and networks. Let us hope that the statistics counting women and girls primarily as victims of conflicts will henceforth shift to counting them as leaders in peace and reconstruction processes.

« CEDAW — a record number of ratifications »: One hundred and eighty States are now party to the Convention on the Elimination of All Forms of Discrimination Against Women. It has thus become the treaty with the second highest number of ratifications. The number of the States parties to its Optional Protocol has reached seventy-six. The Committee has consequently received a record number of reports and completed its first inquiry under article 8 of the Optional Protocol. In view of this enormous work load the EU welcomes the temporary authorization of three annual sessions for the Committee. The extension of the meeting time demonstrates the importance which Member States attach to the Convention. This decision should enable the Committee to consider all reports submitted for review in due time.

I have just outlined three examples that illustrate the steady progress in the UN of the issue of the empowerment of women. And there are many more worth mentioning. The Commission on the Status of Women has been the motor which — over the last fifty years — energized the machinery of women's rights within the United Nations. The Commission on the Status of Women has drawn its power from its intense cooperation between gender experts representing governments, activists from a vast scope of women's NGOs, academic gender experts presenting their findings on panels and in background documents and representatives from various bodies of the UN system. Let me, at this juncture, thank you, Ms. Mayanja and Ms. Hannan, as well as all the other members of the UN Secretariat and their predecessors, who over the last fifty years, have serviced this commission with such expertise and dedication. We owe you gratitude and would like to celebrate this session with you and our partners in a spirit of pride and optimism.

Let us also use the precious time of this year´s session to carefully draft our new Multi-year Programme of Work and to update our methods of work. The full implementation of the results of the Beijing World Conference on Women must be our ultimate goal in this endeavour. We will continue to use the Beijing Declaration and Platform for Action and the outcome of the twenty-third UN General Assembly special session as the bedrock for the work of the Commission in the upcoming years. We therefore warmly welcome the report by the Secretary General on this issue and look forward to engaging in the discussions on this important plan for the next few years. Ample space should be given to the review of our commitments, best practice models and the exchange of lessons learned in the implementation of the outcome of the Beijing World Conference on Women. We will maintain an open dialogue with NGOs active for the advancement of women.

The EU will engage in the negotiations on the two sets of agreed conclusions with an open spirit: « Enhanced participation of women in development: an enabling environment for achieving gender equality and the advancement of women, taking into account, inter alia, the fields of education, health and work ». The EU is particularly interested in what constitutes an « enabling environment » for achieving gender equality. Legal and regulatory frameworks certainly play an important role in shaping this environment. However, discriminatory practices and traditional and stereotyped attitudes may not have changed as quickly as these frameworks have. When addressing this gap we should pay special attention to the eradication of violence against women and girls, education, sensitization and the need to involve men and boys in the implementation of our commitments.

Almost a decade ago, the Commission adopted a well-balanced set of agreed conclusions on the issue of « Women in power and decision-making ». In the coming days we will again have the opportunity to take stock of progress made in the area of « equal participation of women and men in decision-making at all levels ». Let me thank the experts who participated in the preparatory meeting for their excellent work which, together with the outcome of the panel discussion, will greatly assist us in our deliberations. The EU appreciates that in the preparatory meeting much light was shed on the critical topic of women´s participation in political structures. We would like to stress, however, that more research will have to be done on the question of women´s equal access to and full participation in the economy, the media, NGO´s or the private sector. The collection of comparable data disaggregated by sex should be encouraged. We should study the inter-linkages between women´s political and economic empowerment and the impact of women´s participation in the conduct of economic and political institutions, the media or the management of our environment. We should also encourage the exchange of best practices.

The EU strongly supports the Beijing Declaration and Platform for Action and the Beijing + 5 Political Declaration and Outcome Document of the twenty-third Special Session of the General Assembly of the UN as well as the Political Declaration adopted by the 49th session of the Commission on the Status of Women. The EU is committed to the full and effective implementation of these documents and has created numerous mechanisms to promote the principle of gender equality and the empowerment of women. Our strategy to achieve gender equality combines gender mainstreaming and specific actions wherever they are needed. It is in this context that I would like to highlight the following three initiatives:

In 2004, a database on « Women and men in decision-making » was launched by the EU Commission. It gives a comparative overview of women and men´s participation in decision-making in EU institutions, Member States, EEA countries and applicant countries at both the European and national level. The scope of the project covers three broad domains: The political sphere, the public and the judicial sector, the social and the economic arena. The database is an important source of information for policy-makers, researchers, students and all those interested in knowing the state of play in decision-making.

The EU is committed to improving the situation of women in line with the goals defined in the Beijing Platform for Action, both within Europe itself and at a global level. It regularly assesses progress in meeting its commitments on the basis of a set of core indicators covering the objectives agreed in Beijing — notably on the economy and decision-making, but also on important issues such as « violence against women » or « sexual harassment in the workplace ». Furthermore, the Austrian EU-Presidency has just proposed a set of indicators concerning the critical area of « women´s health ».

In 2004 the European Council decided on the creation of an Institute for Gender Equality. This institution should be up and running in 2007. It will be responsible for, inter alia, the collection, recording and dissemination of information and data regarding gender equality. It will stimulate research and the exchange of experiences by organising conferences, campaigns and seminars.

We believe that it is imperative to eradicate violence against women and girls in all its forms and await with great anticipation the comprehensive report of the UN Secretary-General which will be presented to the General Assembly later this year. We wish to emphasise that gender equality can not be achieved without guaranteeing women´s sexual and reproductive health and rights as set out in the ICPD Programme of Action. Expanding access to sexual and reproductive health information and health services are essential for achieving the Beijing Platform for Action, the Cairo Programme of Action and the Millennium Development Goals.

It is in this context, Mme. Chair, that I would like to draw your attention to an issue that is of particular concern to me as the Austrian Federal minister for Women and Health: Countless women and girls all over the world, including Europe, suffer from the effects of harmful customary or traditional practices, including female genital mutilation, forced or underage marriages and crimes committed in the name of honour. I am fully aware of the extremely complex background of these practices and the need to approach this vast area of action in cooperation with all actors concerned. This is why I founded a « Network Against Harmful Traditions » at a ministerial conference which was held in Brussels on 25 January, 2006. The Network will serve as an international platform bringing together representatives of governments, NGOs and relevant professional groups. It will focus on ways and means to eradicate harmful traditional practices by, inter alia, the collection of data, specific training, awareness campaigns and the protection of victims. The network will also stimulate the exchange of best practices. It is my sincere hope that this initiative will enable vulnerable women and girls to fully enjoy their human rights.

I would like to conclude by wishing you and the other members of the bureau success in presiding over this important session. The EU will do its utmost to contribute to a constructive debate and a rich outcome of this session.

Thank you for your attention.

* The former Yugoslav Republic of Macedonia continues to be part of the Stabilisation and Association Process.

Annexe 4
Gender Equality: Making a Difference through Parliament

New York, 1 March 2006

A parliamentary event organized by the Inter-Parliamentary Union and the United Nations Division for the Advancement of Women on the occasion of the 50th Session of the Commission on the Status of Women

Gender equality: The contribution of parliaments

Speech by Mrs. Anne-Marie Lizin, President of the Belgian Senate

Ladies and Gentlemen, Dear Colleagues,

It is a great honour for me to take part in this meeting organized by the Inter-Parliamentary Union and the United Nations Division for the Advancement of Women on the occasion of the fiftieth session of the United Nations Commission on the Status of Women. Exactly one year ago, I was here for the session devoted to evaluating the progress made since the conferences were held in Beijing in 1995 and in New York in 2000. I am very pleased with the firm and unconditional reaffirmation of the Beijing principles which were adopted during that session.

Today we will be discussing the representation of women in parliament, as well as women's contribution to politics and the raising of parliaments' awareness on this issue.

We all know that the feminization of political life has been a slow process, which fortunately has speeded up in recent years. In 1995, women accounted for 11,8 per cent of the membership in the lower houses of parliaments. In 2000, this number had risen to 13,4 per cent and in 2005 to 16,2 per cent.

The world map of women in politics shows us that in 17 countries in the world, including seven developing countries, more than 30 per cent of parliamentarians are women. Many countries in post-conflict situations adopt mechanisms to enable at least a certain number of women to take seats in decision-making bodies. This has been the case in Burundi, Afghanistan and Iraq. In Rwanda, a quota was adopted whereby 30 per cent of the country's parliamentarians must be women, and now 48.8 per cent of the members of its lower house are women.

In the Arab countries, the percentage of parliamentarians who are women has doubled over the last five years. However, this result is still far below the world average, and is above all attributable to reforms in a few Arab countries.

I will not today be dealing with the methods used to achieve balanced representation in parliaments. Suffice it to say we are still far from achieving it. The best known is obviously the introduction of quotas on electoral lists, preferably with an obligation to alternate, so that women are not systematically put up for non-electable seats. While this technique has often given rise to controversy, its effectiveness is indisputable.

However, it is not enough just to be a woman. You should also want to promote the cause of women, have a progressive platform and be able to implement it. It has already been shown that having a large number of women in a parliamentary assembly is not enough to make it more receptive to gender equality. That is where the challenge lies. How do we raise the awareness of the whole political elite with regard to this issue ? How do we place this issue on the agenda of the political parties ? How, for women newly arrived in the world of politics, can we influence certain policies ?

During the forty-ninth session of the United Nations Commission on the Status of Women, a very interesting seminar was held by the International Institute for Democracy and Electoral Assistance (International IDEA) on strategies to ensure the effective participation of women in decision-making. Mrs. Socorro Reyes, Director of the Asia-Pacific section of UNIFEM, delivered a poignant speech on the situation in Pakistan, where the presence in large numbers of women in parliament is attributable to a system of reserved seats in the assemblies. However, if they have had a real impact on politics, it is because they have had access to training and consciousness-raising programmes so that they can carry out their job effectively.

No political party can ignore the responsibility that it bears to encourage the equal representation of men and women in all areas of politics. A party concerned with the advance of democracy will be preoccupied with this issue, will discuss it and will ensure that concrete measures are taken.

In Finland, for example, the country where the proportion of women in parliament is particularly high, one of the key factors of their influence on decision-making was and still is the role of the women's factions in the parties and the organization of networks of women in politics outside the parties. The network of women parliamentarians, which appeared towards the end of the 1980s, ensures that gender is considered in bills and when drawing up the political agenda.

This type of network is characteristic of the Nordic countries. In other countries too there have been initiatives introduced by female members of parliament, without regard to their political affiliation.

I have the honour of being the Speaker of the Belgian Senate. This came about following just such an initiative, taken in 1996, when a specific committee was established to give opinions on the gender issue in all the drafts and bills submitted to the upper house.

Since its inception, this committee has put forward a number of opinions which have been taken into consideration during parliamentary debates and which have contributed to the adoption of non-discriminatory legislation. The work of the advisory committee draws attention to the different impact that measures can have on women, an aspect that would otherwise not have been taken into consideration by the parliamentary committee in question. The advisory committee itself consults experts in the field and in certain cases suggests a more nuanced approach.

Does the participation of women in the parliamentary debate change the rules of politics ? It is clear in any case that women introduce issues onto the agenda which were previously considered to be a private matter. A prime example is without any doubt the fight against domestic violence.

Education and health are often priorities for women, who are also traditionally the first advocates of social policies aimed at reconciling work and family: the organization of parental leave, career breaks and subsidizing child-care facilities, etc. This is hardly surprising since they are the ones who give birth and are usually expected to set aside their careers to look after the children. It is also they who assume the main role in looking after the home.

Nevertheless, women are becoming more active in areas which are less « typically female ». The number of female heads of State is increasing (Michelle Bachelet in Chili, Ellen Johnson-Sirleaf in Liberia, Angela Merkel in Germany, to name but a fe



Terug naar het overzicht