Wetsvoorstel
13-07-2006

Sabine de Bethune

Verslag 100 jaar Vrouwenraden (3-1749)

VERSLAG

NAMENS HET ADVIESCOMITÉ VOOR GELIJKE KANSEN VOOR VROUWEN EN MANNEN UITGEBRACHT DOOR

DE DAMES ANSEEUW EN de BETHUNE

--------------------------------------------------------------------------------

I. INLEIDING

Naar aanleiding van het honderdjarig bestaan van de twee vrouwenraden van België, de Nederlandstalige Vrouwenraad (NVR) en de Conseil des Femmes Francophones de Belgique (CFFB) nodigde het adviescomité de vrouwenraden uit.

Op 30 januari 1905 richtte Marie Popelin de Conseil national des Femmes Belges op. Van een organisatie met drie vrouwenverenigingen is deze stichtingsgroep uitgegroeid tot twee grote platformorganisaties die anno 2005 samen 85 aangesloten verenigingen tellen. Om het honderdjarig bestaan te vieren werd een sterk gevarieerd eeuwfeestprogramma opgesteld. Alle geplande activiteiten kaderden in één of meerdere van de doelstellingen die de vrouwenraden vooropgesteld hadden voor dit eeuwfeestproject :

— een balans opmaken over de verwezenlijkingen van de voorbije honderd jaar;

— nadenken over de toekomst van de vrouwenraden en van de vrouwenbeweging in het algemeen

— een breed publiek informeren over en sensibiliseren voor de werking van de vrouwenraden

Het adviescomité meent dat het nu tijd is voor een evaluatie na de viering.

Naar aanleiding van deze viering stelden de vrouwenraden een federaal eisenpakket van honderd punten op. Het adviescomité ziet dit ook als een gelegenheid om van gedachten te wisselen over het federale beleid ter ondersteuning van de vrouwenkoepels en de toekomst van de vrouwenbeweging.

Het adviescomité hield de volgende vergaderingen in het kader van deze zitting :

— Op 15 maart 2006 : hoorzitting met de Conseil des Femmes Francophones de Belgique (CFFB), vertegenwoordigd door mevrouw Willame-Boonen, voorzitster, en met de Nederlandstalige Vrouwenraad (NVR), vertegenwoordigd door mevrouw Van der Wildt, voorzitster, en mevrouw Scheerlinck, directrice;

— Op 13 juni 2006 : hoorzitting met het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen, vertegenwoordigd door mevrouw Pasmans, adjunct-directrice;

— Op 4 en 13 juli 2006 : bespreking en goedkeuring van aanbevelingen.

II. HOORZITTINGEN

II.1. Ontmoeting met de Conseil des femmes francophones de Belgique en de Nederlandstalige Vrouwenraad

A. Uiteenzetting door mevrouw Willame-Boonen, voorzitster van de Conseil des femmes francophones de Belgique

De oproepen die de CFFB op 14 juni 2005 heeft gedaan naar aanleiding van het planten van de « Marie Popelin »-rozenstruik in de tuin van het Parlement, draaiden volgens mevrouw Willame rond zes prioritaire kwesties, waaraan nog een zevende moet worden toegevoegd in het vooruitzicht van de gemeenteraadsverkiezingen van 2007.

1. Genderstatistieken

De overheid moet een algemeen plan uitwerken teneinde op alle domeinen te kunnen beschikken over genderstatistieken. Zonder zulk plan kan de impact van het gelijkheidsbeleid onmogelijk worden beoordeeld.

Genderstreaming en genderbudgeting zijn onontbeerlijke instrumenten van een behoorlijk bestuur. Deze termen worden op gemeentelijk niveau niet altijd goed begrepen. Er moet werk worden gemaakt van voorlichting.

2. Een plus-minus gelijke beloning voor mannen en vrouwen

Tussen mannen en vrouwen gaapt nog altijd een loonkloof van 15 tot 20 %. Concreet vraagt de CFFB een herziening van de classificatie van de beroepen. Hij vraagt het Parlement na te denken over de oprichting van een sociaal fonds om de eenmalige kosten van de gelijkschakeling van de lonen van mannen en vrouwen op te vangen. Ten slotte dringt de CFFB aan op een herwaardering van de lonen in de « typisch vrouwelijke » beroepen. (Voorbeeld : de job van receptioniste, vaak uitgeoefend door vrouwen, wordt beter betaald dan de job van portier in een groot hotel).

3. Toegang tot directie- en managementposten

Vrouwen worden nog steeds het slachtoffer van het « glazen plafond ». De commissie « Femmes et entreprises » van de CFFB heeft de minister een verslag bezorgd waarin zij voorstelt een gelijkheidslabel voor privé-ondernemingen te creëren. In Frankrijk bestaat zo'n label al. In de overheidsbedrijven wil de CFFB graag een derde vrouwen op directieposten zien.

Men moet voorkomen dat het concept gelijkheid van mannen en vrouwen opgaat in het concept diversiteit. De goedkeuring van een diversiteitsplan veronderstelt dat ook gehandicapten, senioren, homoseksuelen, vreemdelingen ... bij de zaak betrokken worden.

Zoals men weet bestaan al die categorieën uit mannen en vrouwen. Discriminatie tussen mannen en vrouwen is van een andere aard. Mevrouw Willame herinnert eraan dat het geslacht op het verzoek van het adviescomité voor gelijke kansen is geschrapt uit de lijst van discriminatiegronden vastgesteld in de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding.

4. Verdeling van de huishoudelijke taken

Onlangs stond op de eerste pagina van een belangrijk Franstalig dagblad : « Les couples sont inégaux ŕ la maison ». De CFFB eist :

— een bewustmakingscampagne voor een betere verdeling van de huishoudelijke taken;

— vorming teneinde deze stereotype opvattingen te bestrijden;

— meer intense strijd tegen seksistische reclame.

5. Gezondheid

Voor vele ziekten zijn er verschillen tussen de twee geslachten : osteoporose, depressie, migraine, artritis, anorexia, ziekte van Alzheimer, problemen in verband met de voortplanting ...

In het volksgezondheidsbeleid moet rekening worden gehouden met gender en het systeem van de terugbetaling van geneesmiddelen mag niet nadelig zijn voor vrouwen.

De CFFB vraagt met name dat in de FOD Volksgezondheid een cel Gezondheid-vrouwen wordt opgericht.

6. Alimentatievorderingen

Bij de dienst alimentatievorderingen (DAVO) van de FOD-Financiën is een Evaluatiecommissie opgericht, die haar eerste vergadering heeft gehouden op 26 januari 2006.

De CFFB verheugt zich daarover, maar vraagt ook :

— de afschaffing van het inkomensplafond opdat alle vrouwen krijgen wat hen toekomt;

— een oplossing voor ex-partners die in het buitenland wonen;

— een informatiecampagne over het bestaan van de DAVO, met name in het ministerie van Justitie, zodat rechters die een uitspraak doen over het onderhoudsgeld vrouwen gaan informeren over deze oplossing.

7. Gemeenteraadsverkiezingen

De CCFB verheugt zich over de paritaire lijsten maar wijst erop dat dit niet noodzakelijk betekent dat de vrouwen ook verkozen worden. De halvering van de devolutieve werking van de lijststem garandeert niet dat een vrouw die de derde plaats inneemt, verkozen wordt. De CFFB vraagt de overheid een degelijk onderbouwde « stem vrouw-campagne » te organiseren.

B. Uiteenzetting door mevrouw F. Van der Wildt, voorzitster van de Nederlandstalige Vrouwenraad

Uiteraard is de NVR het eens met de prioriteiten van de CFFB. Door hun krachten te bundelen hopen de raden bij te dragen tot een snelle verwezenlijking ervan. Mevrouw Van der Wildt zal zich concentreren op twee belangrijke punten.

Op 27 januari 2006 heeft een Ministerraad een voorontwerp van wet betreffende gendermainstreaming op alle vlakken van het politieke bedrijf goedgekeurd. Dat is een belangrijk initiatief. Als die wet er doorkomt, betekent dat dat in alle fasen van de beleidsvoering rekening moet worden gehouden met het genderaspect, zowel met betrekking tot de algemene beleidslijnen als tot de uitvoeringmaatregelen. Alvorens te worden uitgevoerd, moet elke maatregel, elk optreden van de regering worden geëvalueerd in het licht van zijn eventuele impact op de gelijkheid van mannen en vrouwen teneinde de negatieve aspecten voor een van beide geslachten weg te werken of bij te sturen.

Het evalueren van de impact van maatregelen is uiteraard belangrijk, maar vooraf moet iedereen het eens raken over het principe van de gelijkheid en over de maatschappelijke opvattingen die aan de basis liggen van het hele concept. Spreekster geeft het voorbeeld van het ouderschapsverlof, dat door alle organisaties is toegejuicht, maar dat tot gevolg heeft dat meer vrouwen thuis blijven waardoor hun positie op de arbeidsmarkt verzwakt.

Volgens het voorontwerp moet de genderdimensie worden opgenomen in de beheersplannen, beheerscontracten en in alle andere instrumenten voor de beleidsplanning van alle overheidsdiensten. België zal een van de weinige landen zijn met een zo vooruitstrevende wetgeving.

De vrouwenraden eisen al lang een systematische, gestructureerde integratie van het genderaspect op alle vlakken van het politieke bedrijf. De goedkeuring van het voorontwerp is een eerste stap. Uiteindelijk moet de integratie van de genderdimensie een automatisme worden, waarvoor geen wet meer nodig is.

De raden vragen het Parlement waakzaam te zijn wanneer de voorwaarden van de tenuitvoerlegging van het evaluatieverslag worden besproken. Het is zeker niet de bedoeling om nog meer administratief werk te creëren. Niet alle regelgeving moet worden geëvalueerd maar er moet wel voorzichtig worden omgesprongen met mogelijke uitzonderingen en afwijkingen.

De vrouwenraden vragen ook al lang om genderbudgeting. Bij elk ontwerp van algemene uitgavenbegroting zal een gendernota moeten worden gevoegd, die voor elk departement de kredieten uiteenzet.

Een andere belangrijke stap voorwaarts is de gendermainstreaming van de statistieken. De openbare diensten moet erop toezien dat alle relevante statistieken die zij maken of verzamelen over een bepaalde kwestie worden opgedeeld volgens geslacht en dat genderindicatoren worden vastgesteld. Op basis daarvan kunnen genderneutrale maatregelen worden genomen.

Bij het begin van de zittingsperiode moeten strategische doelstellingen inzake de gelijkheid van mannen en vrouwen worden vastgesteld. De raden zijn graag bereid om hier hun deskundig advies te laten horen. Bij het begin van de zittingsperiode stellen zij een gedetailleerd memorandum op met hun eisen, die met name gericht zijn op de doelstellingen van Peking en de CEDAW.

De vrouwenraden vragen bijgevolg dat het hier besproken voorontwerp van wet snel wordt goedgekeurd.

Net als mevrouw Willame pleit de voorzitster ervoor dat de concepten gendermainstreaming, genderbudgeting en genderstatitistieken snel in concrete lokale initiatieven zouden worden omgezet. Te veel gemeenten weten helemaal niets af van genderkwesties.

Het tweede prioritair punt betreft het Europees Genderinstituut. Dat moet in Brussel worden gevestigd. Om echt invloed te hebben moet dat instituut zich immers bevinden op de plaats waar alle besluitvormingsorganen van de Europese Unie gevestigd zijn : de Commissie, het Parlement, enz. Dit instituut is ermee belast de gendergegevens afkomstig van alle lidstaten te centraliseren en te analyseren en instrumenten te ontwikkelen voor de gendermainstreaming in het gemeenschapsbeleid. Daarnaast zal het activiteiten organiseren om een dialoog aan te gaan en informatie te verspreiden via een documentatiecentrum.

De vrouwenraden hebben zich tot de ministers en de diplomaten gewend om de kandidatuur van België als vestigingsplaats voor dit instituut te steunen. Er moeten dringend stappen worden ondernomen om dit voorstel te steunen. De raden stellen zelfs een precieze plaats voor, namelijk het gebouw in de Middellijnstraat nr. 22, in de wijk waar ook Amazone zich bevindt. Die keuze wordt ook verdedigd door de Raad voor de gelijkheid van mannen en vrouwen. Het is een leeg gebouw, dat wordt beheerd door de Regie der Gebouwen, en dat kan worden verhuurd aan de Commissie. Als Brussel wordt gekozen als vestigingsplaats voor het Instituut, is dat voor iedereen voordelig : besparingen op gemeenschaps- en nationaal niveau en makkelijkere contacten tussen alle politieke actoren.

De NVR vraagt de senatoren om de bevoegde minister zo snel mogelijk te ondervragen over deze kwestie. Meerdere landen hebben zich al kandidaat gesteld, namelijk Oostenrijk, Tsjechië, Slowakije en Finland.

C. Gedachtewisseling

Vragen

Mevrouw Zrihen stelt voor om minstens tweemaal per jaar een ontmoeting met de vrouwenraden te organiseren om toezicht te houden op de voortgang van de dossiers en waar nodig de gemaakte keuzes aan te passen.

Sedert enkele jaren worden gendermainstreaming en genderbugeting naar voren geschoven als leiddraad van het politieke bedrijf, maar al te vaak wordt tegengeworpen dat de tenuitvoerlegging van die principes ingewikkeld is, duur is, enz. De senator meent dat indien er een analysefout is gemaakt, men niet kan weigeren die recht te zetten omdat dat te veel werk zou meebrengen of te veel geld zou kosten.

Mevrouw Zrihen is ook bezorgd over het opgaan van het beleid inzake gelijkheid tussen mannen en vrouwen in het meer algemene diversiteitsbeleid. Als men concrete resultaten wil boeken, moet in de projecten duidelijke aandacht gaan naar de « vrouwen ». Zij vraagt zich overigens af of er in het gelijkheidsbeleid inzake werkgelegenheid geen bijzondere aandacht moet gaan naar vrouwen van vreemde afkomst, want die worden dubbel gediscrimineerd.

Tot slot kan er geen sprake van zijn dat het bescheiden budget dat aan het beleid voor gelijke kansen voor mannen en vrouwen is toegekend, voor andere, bredere doeleinden zou worden gebruikt.

Mevrouw Geerts stelt vast dat het memorandum van de raden veel eisen bevat, waaronder bepaalde die gevolgen hebben op plaatselijk niveau. Hebben de raden geen specifieker memorandum opgesteld voor de plaatselijke mandatarissen ?

Het is belangrijk dat het Instituut voor de gelijkheid de taken op zich neemt die niet door andere instellingen worden uitgevoerd. Is er op dit vlak vooruitgang te bespeuren ?

Mevrouw de Bethune pleit er ook voor om regelmatig, bijvoorbeeld tweemaal per jaar, de vrouwenraden te ontmoeten.

Wat het Europees Instituut betreft : moet er snel worden ingegrepen ? Wat vinden de voorzitters van de raden ? Er zouden eventueel gebundelde vragen om uitleg aan de minister kunnen worden gesteld, zodat er in de plenaire vergadering een « mini-debat » ontstaat.

Het voorontwerp van wet dat door de minister van Gelijke Kansen is voorgesteld is een goede tekst. Het probleem is dat het aan de vooravond van het parlementair reces zal worden ingediend. Er moet absoluut voor worden gezorgd dat de wet nog vóór het einde van de zittingsperiode wordt aangenomen.

De organisatie van de provincie- en gemeenteraadsverkiezingen valt onder de bevoegdheid van de gewesten. Wat kunnen we concreet doen op het niveau van het federaal Parlement ?

De campagne naar aanleiding van de honderdste verjaardag van de vrouwenraden was opmerkelijk. Welk voordeel hebben de raden hieruit gehaald ? Hoe kan deze dynamiek langer worden behouden ?

De senator merkt nog op dat er in België geen monument is ter ere van het vrouwenstemrecht. Dit is een zeer concreet initiatief dat in het kader van de provincie- en gemeenteraadsverkiezingen kan worden genomen.

Mevrouw Bouarfa deelt de bezorgdheid die zowel door de raden als door de andere senatoren is uitgedrukt met betrekking tot het opgaan van de gelijkheidsproblematiek in de diversiteitsproblematiek. De doelen die tot nog toe zijn bereikt zijn fragiel en er moet op alle vlakken worden verder gestreden voor de gelijkheid van mannen en vrouwen.

Het is niet zeker dat de pariteit op de kieslijsten zal volstaan om te zorgen voor vrouwelijke verkozenen bij de provincie- en gemeenteraadsverkiezingen. Men weet dat de halvering van het devolutieve effect van de lijststem niet in het voordeel van de vrouwen zal spelen. De akkoorden binnen de partijafdelingen zijn nadelig voor de vrouwen.

In dit verband wil de senator de aandacht vestigen op een discriminerende situatie. Bij het naderen van de verkiezingen stelt men vaak vast dat er meer mannen aanwezig zijn op plaatsen waar erediensten worden gehouden. In de synagoog of de moskee mogen vrouwen echter niet het woord nemen. Men moet verkiezingspropaganda op plaatsen waar erediensten worden gehouden dus absoluut verbieden.

Mevrouw Laloy vindt dat men de aandacht van de gemeentelijke verkozenen moet vestigen op de kwestie van de collectieve voorzieningen. Men heeft het moeilijk wat dit betreft om een bepaald quotum van kwaliteitsvolle uitrustingen te halen. Privé-crčches zijn duur. Dit schept ongelijkheid wat de toegang tot de arbeidsmarkt betreft.

Dit is geen nieuw probleem, maar het is nutteloos de openbare diensten hiervan opnieuw bewust te maken.

Mevrouw Pehlivan, voorzitter, verbaast zich erover dat bij de bespreking van de prioriteiten in de beide raden de allochtone vrouwen niet aan bod kwamen. Deze vrouwen zijn vaak tweemaal slachtoffer, omdat ze én vrouw én van vreemde afkomst zijn. Het meest opvallende voorbeeld is dat van hun toegang tot de arbeidsmarkt. Werken de raden rond deze doelgroep ? Hebben ze een advies of concrete voorstellen voor het adviescomité ?

Men heeft erop gehamerd dat het concept « diversiteit » dit van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen niet mag overschaduwen. De senator heeft echter de indruk dat het in feite omgekeerd is en dat bij het onderwerp « diversiteit » vooral wordt gefocust op de situatie van de vrouw. Zij geeft het voorbeeld van de farmaceutische firma Janssens, waar het diversiteitsplan vooral gericht is op het verhogen van de vrouwelijke aanwezigheid op alle niveaus van het bedrijf.

Antwoorden

Mevrouw Willame-Boonen, voorzitter van de CFFB, is verheugd over het voorstel om regelmatige ontmoetingen te organiseren. Dit zal de commissies natuurlijk motiveren om zich over een aantal onderwerpen te buigen en met concrete voorstellen naar voren te komen, die in het Parlement verdedigd kunnen worden.

Wat de ongelijkheid van lonen betreft en de allochtone vrouwen, heeft de CFFB op 21 december 2005 een colloquium georganiseerd over de vrouwen uit het gebied ten zuiden van de Sahara. De aanwezige vrouwen waren uiterst hoog gekwalificeerd, hadden doctoraten behaald, maar waren toch werkloos. De CFFB denkt samen met de MRAX na over het idee om op de arbeidsmarkt quota op te leggen, maar de MRAX zelf is hierover verdeeld.

De CFFB is zich ervan bewust dat de gemeenteraadsverkiezingen onder de gewestelijke bevoegdheid vallen. De commissie « Brussel Hoofdstad » van de CFFB heeft met het oog op die verkiezingen en in samenwerking met minister Grouwels een charter opgesteld. Het charter wordt door de politieke commissie herwerkt, om uiteindelijk een gemeenschappelijk charter op te leveren, waarvan de tekst aan alle kandidaten in Wallonië en Brussel zal worden gestuurd.

De federale parlementsleden zouden de aandacht op dit charter kunnen vestigen.

De raden hebben naar de eerste minister en de minister van Financiën geschreven, om te vragen dat het Europees genderinstituut in Brussel wordt gevestigd, maar het spreekt vanzelf dat initiatieven uit parlementaire hoek welkom zijn.

Veel Europese parlementsleden hebben benadrukt dat de regering zich moet inzetten om die vraag te steunen, aangezien de nieuwe lidstaten van de Europese Unie ook allemaal een deel van de koek willen.

Mevrouw Willame deelt de bezorgdheid van mevrouw de Bethune inzake de laattijdige indiening van het wetsontwerp van minister Dupont.

De honderdste verjaardag van de vrouwenraden heeft het hele jaar tot prachtige initiatieven geleid. Deze viering was uiterst belangrijk om de beweging levend te houden. Er zou immers gezegd kunnen worden dat honderd jaar wel genoeg is. Er moest dus absoluut aan herinnerd worden wat de bedoeling van deze raden is. De concrete verwezenlijking van dit jaar was het sluiten van een overeenkomst met het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen, waardoor de raden gedurende drie jaar subsidie ontvangen.

De voorzitsters van de twee raden hebben de burgemeesters van alle Belgische gemeenten aangeschreven om hen voor te stellen een « Marie Popelin » monument op te richten. De antwoorden waren divers, maar de burgemeester van Sint-Joost heeft gezegd aan de gemeenteraad te willen voorstellen om een standbeeld op het gemeenteplein op te richten en een straat naast het Noordstation naar Marie Popelin te noemen.

De opmerking over de verkiezingspropaganda op de plaatsen waar de eredienst wordt uitgeoefend zal worden overgezonden naar de commissie « Vrouwen en Migratie ».

Tot slot klopt het dat sommige ondernemingen die van meer openheid voor de vrouwen blijk willen geven, dat aspect in een « diversiteitsplan » opnemen. Het is echter beter een label « Gelijkheid tussen mannen en vrouwen » in het leven te roepen, naast een diversiteitslabel.

Mevrouw Van der Wildt bevestigt de voorbereiding van een memorandum over het lokale niveau, met het oog op de gemeenteraads- en provincieraadsverkiezingen. De NVR heeft de Vlaamse minister van gelijke kansen gevraagd op provinciaal niveau ontmoetingen te organiseren om de thema's gelijke kansen, gendermainstreaming en genderbudgetting aan te snijden.

Wat de campagnes betreft is een eerste fase met het opstellen van de verkiezingslijsten afgelopen. We weten dat volgende vraag gewoonlijk gesteld wordt : Waar vinden we vrouwen om de lijst vol te krijgen ? De NVR heeft een omgekeerde, positieve benadering voorgesteld met de campagne « Vrouw zoekt goede partij ». Het doel is vrouwen ertoe aan te zetten zich kandidaat te stellen.

Een tweede stap moet het organiseren van een « Stem vrouw »-campagne zijn. Er zijn geruchten over een campagne voor diversiteit, maar de vrouwenraden zullen middelen vrijmaken om een specifieke vrouwencampagne te organiseren.

Uiteraard is de NVR gewonnen voor een groter aanbod van collectieve uitrusting, maar dat is een probleem dat goed weergeeft dat men als samenleving moet weten wat men wil. Als men collectieve uitrusting wil, moet men een beleid voeren dat op die doelstelling is afgestemd. Het nadeel van de maatregelen voor loopbaanplanning zoals de loopbaanonderbreking, het ouderschapsverlof, enz., is dat ze de vrouw in de rol blijven duwen van de persoon die voor de kinderen, de bejaarde ouders, enz. moet zorgen. Vóór men de weerslag van een maatregel op het gebied van de gelijkheid meet, moet men het soort beleid bepalen dat men wil voeren.

Om de toegang van de allochtone vrouwen tot de arbeidsmarkt te verbeteren, heeft de NVR het beginsel van de anonieme sollicitatie in zijn programma opgenomen. Misschien een schuchtere maatregel, maar toch een eerste stap.

Op verzoek van de Vlaamse minister houdt de NVR ook sinds een jaar een reflectie over de mogelijkheid om samen te werken met de verenigingen voor allochtone vrouwen en het platform van de NVR tot die vrouwen en vrouwenverenigingen uit te breiden. Er heeft een opleidingssessie plaatsgevonden.

Het nemen van een initiatief voor de locatie van het Europees Instituut voor Gendergelijkheid is dringend, want waarschijnlijk zal de zaak worden aangekaart op de Europese top van 23 en 24 maart eerstkomend.

De verhouding met het Belgisch Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen ligt nu vast in een protocolakkoord dat de taken van het Instituut en die van de vrouwenraden in grote lijnen bepaalt. Als tegenprestatie kunnen de raden gedurende drie jaar rekenen op een bescheiden subsidiëring.

Vorig jaar werd het honderdjarig bestaan van de vrouwenraden gevierd en dat was heel positief, maar men voelt reeds tegenwind. De basis van de vrouwenbeweging is heel smal geworden. De pers doet nog een beroep op de vrouwenraden als deskundigen in bepaalde materies en de raden spannen zich in om hun deskundigheid te blijven ontwikkelen. We stellen niettemin vast dat de belangstelling voor de zaak verzwakt, terwijl de pers uiteraard een essentieel middel is om de publieke opinie bewust te maken.

Politiek zijn de vrouwenraden nog steeds erkende gesprekspartners, maar aan Vlaamse kant worden ze alvast steeds verder beperkt door een resultaatverbintenis ten opzichte van het kabinet van de minister. Op die manier is het moeilijk zich nog kritisch uit te spreken.

Het belangrijkste positieve punt aan die viering is de weerslag op de ledenverenigingen die zich gestimuleerd, aangemoedigd gevoeld hebben om opnieuw met de vrouwen rond bepaalde thema's te werken.

Mevrouw Willame-Boonen vestigt er de aandacht op hoe moeilijk de vrouwenraden het hebben om hun bestaan te blijven rechtvaardigen. Dankzij de overeenkomst met het Instituut hebben de raden financieringswaarborgen voor de komende drie jaar. De onrust blijft echter. Bovendien put het Instituut uit de conclusies van de commissies van de raden thema's waarrond zijn eigen werkgroepen met veel aanzienlijker middelen werken. Het instituut is echter een administratie. Aanklagen, de publieke opinie wakker schudden is een rol die alleen de raden kunnen spelen.

II.2. Ontmoeting met het Instituut voor de Gelijkheid van vrouwen en mannen

A. Uiteenzetting van mevrouw Veerle Pasmans, adjunct-directrice van het Instituut

Het Instituut voor de Gelijkheid van vrouwen en mannen kent subsidies toe aan vier organisaties : de Nederlandstalige Vrouwenraad, de Conseil des Femmes francophones de Belgique, Sofia en Amazone. Deze subsidies worden jaarlijks vernieuwd.

In 2005 heeft de Raad van Bestuur van het Instituut, na opmerkingen van het Rekenhof, geoordeeld dat het nuttig zou zijn nieuwe conventies af te sluiten met deze vier structurele organisaties. Deze conventies zouden gelden voor drie jaar en zouden voor deze periode de grote lijnen van de activiteiten van de organisaties en het Instituut vastleggen. Het is de bedoeling dat de organisaties en het Instituut zo complementair mogelijk zouden werken. Dit vergde veel onderhandelingen tussen alle partijen en riep behoorlijk wat vragen en bedenkingen op. Er moest rekening gehouden worden met de doelgroepen en met de missieverklaringen van de organisaties. De hamvraag was hoe de activiteiten zo konden worden ontwikkeld dat het bereik van de organisaties en van het Instituut gemaximaliseerd kon worden. Er moest daarom zo veel mogelijk worden vermeden dat eenzelfde activiteit door verschillende organisaties werd ontwikkeld.

Om dit te bereiken werden er eerst bilaterale onderhandelingen gehouden, waarbij het Instituut telkens met één partner aan tafel zat. Later volgde een gesprek waarbij alle partners aanwezig waren. Vervolgens werden de conventies opgemaakt en ondertekend. Binnen drie jaar zullen zij geëvalueerd worden.

De conventie met de vrouwenraden tracht in de eerste plaats om de Nederlandstalige en de Franstalige vrouwenraden zoveel mogelijk te betrekken bij de activiteiten en de ontwikkeling van de activiteiten van het Instituut. Zo zijn beide vrouwenraden aanwezig in het begeleidingscomité van alle onderzoeken die door het Instituut worden uitgevoerd, waardoor zij een inbreng hebben in de ontwikkeling van de onderzoeken. Verder worden zij systematisch uitgenodigd voor begeleidingscomités van andere activiteiten, zoals bijvoorbeeld bij de oprichting van het begeleidingscomité rond het thema gelijke beloning.

Op de organisatie Sofia wordt een beroep gedaan bij het ontwikkelen van activiteiten rond de gender-dimensie in de universiteiten. Er werd hen ook gevraagd een kadaster te maken van alle studies en alle onderzoek rond genderdimensie in België. Het Instituut zorgt voor de nodige middelen voor de verdere actualisering en het beheer van dit kadaster.

De conventie met Amazone bevat vooreerst een overeenkomst over hun documentatiecentrum, waardoor het Instituut niet verplicht wordt zelf dergelijk centrum uit te bouwen. Verder werd met hen overeengekomen dat zij het Instituut op de hoogte houden van de ontwikkelingen van instrumenten inzake genderdimensies, specifiek gericht op NGO's, terwijl het Instituut Amazone op de hoogte houdt van de ontwikkeling van dergelijke instrumenten gericht op de federale overheid. Ook de expertise over gender-mainstreaming wordt gedeeld.

Er werd ook reeds vergaderd over de vraag of het mogelijk zou zijn in 2007 een gezamenlijk thema op te nemen, waar de vijf organisaties samen rond zouden werken. Binnenkort volgt hierover verder overleg. Het is de bedoeling om te evolueren naar een alsmaar nauwere samenwerking.

Mevrouw Pasmans wijst er op dat de conventies enkel de grote lijnen uitzetten en dat kleine aanpassingen mogelijk blijven. Verder verduidelijkt zij dat de conventies er gekomen zijn om boekhoudkundige redenen, na opmerkingen van het Rekenhof. Alhoewel de conventies opgemaakt werden voor drie jaar, wordt er per jaar een jaarplanning opgemaakt door de organisaties en het Instituut. De teksten van de conventies en de jaarplannen zijn voor iedereen beschikbaar (1) .

B. Gedachtewisseling

Vragen

Alhoewel mevrouw de Bethune niet betwijfelt dat het vanuit boekhoudkundig oogpunt opportuun is om te werken met conventies die drie jaar gelden, stelt zij zich de vraag hoever deze conventies kunnen gaan in het definiëren en evalueren van de inhoudelijke werking van de vrouwenraden. De vrouwenraden hebben immers een specifieke taak waarin zij moeilijk gecoacht kunnen worden. Of zijn de conventies loutere samenwerkingsakkoorden ?

Haar tweede vraag betreft de campagne en het programma van « 100 jaar vrouwenraden ». In welke mate werd dit ondersteund door het Instituut ? Werd er een bijkomende ondersteuning geboden bovenop de normale subsidies ? Laten de middelen van het Instituut bijvoorbeeld toe om een plan te ontwikkelen waaruit de strategische opties van de vrouwenraden voor de komende tien jaar kunnen worden gedistilleerd ?

De laatste vraag van de senator betreft artikel 4, 4ş, van de wet van 16 december 2002 houdende oprichting van het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen. Dit punt stelt dat het Instituut bevoegd is om « ondersteuning en bijstand te organiseren aan de verenigingen die actief zijn op het vlak van gelijkheid van vrouwen en mannen, of voor projecten tot bevordering van gelijkheid van vrouwen en mannen ». Is er nagedacht over hoe dit kan worden ingevuld, los van de conventies en specifiek ten opzichte van de vrouwenraden ?

Mevrouw Laloy wenst te weten wie of welk orgaan in het Instituut de onderhandelingen heeft gevoerd. Verder zou ze ook graag meer inzicht verwerven in de manier waarop de conventies tot stand zijn gekomen. Heeft het Instituut enkele van haar taken gedelegeerd, waarbij voor de verdeling rekening werd gehouden met de specialiteiten van elke organisatie, of werden de taken in een echt overleg verdeeld ? Wat is de visie achter de complementariteit van het Instituut en de organisaties die hier ter sprake komt ?

Haar laatste vraag gaat over de toenemende interesse van mannenverenigingen voor de gelijkheid van mannen en vrouwen. Ziet het Instituut dit als een nieuw gegeven of een nieuwe realiteit waarmee rekening moet worden gehouden ?

Alhoewel mevrouw Zrihen achter het idee van een jaarplanning staat, stelt zij zich toch vragen over de duur en de opvolging van bepaalde dossiers. Hoe kan een dossier over verschillende jaren worden gespreid en hoe wordt het opgevolgd ? Zij zou ook heel concreet willen weten wat de organisaties hebben verkregen in ruil voor de conventies. Krijgen zij financiële ondersteuning, of meer personeel ? Ook vraagt zij hoe het Instituut zich de volgende jaren kan openstellen voor andere vrouwenorganisaties die ook een belangrijke bijdrage kunnen leveren, zoals de Université des femmes. Zij stelt verder vast dat er de laatste jaren steeds meer bewegingen ontstaan tegen bijvoorbeeld vrouwenverminking, geweld op vrouwen en eremoorden. Op welke wijze kan het Instituut zelf het initiatief nemen om dergelijke meer omvattende programma's te realiseren ?

Mevrouw Pehlivan vraagt in welke mate het financiële aspect verbonden is aan het afsluiten van de conventie voor drie jaar. Kan dat financiële aspect nog bijgestuurd worden, bijvoorbeeld indien een organisatie een bijkomende opdracht krijgt of indien zij gespecialiseerd personeel nodig hebben voor het realiseren van een opdracht. Zij weet ook dat de Nederlandstalige Vrouwenraad zich meer wil toespitsen op de allochtone vrouwen. Zijn daarvoor ook bijkomende subsidies voorzien ?

Antwoorden

Mevrouw Pasmans zegt dat het Rekenhof een principiële opmerking heeft gemaakt over de subsidies, namelijk dat een overheidsdienst enkel subsidies kan geven aan een organisatie indien de activiteiten van deze organisatie overeenstemmen met de programmatie van de overheidsdienst. Om deze reden werd er gevraagd dat er een coherentie zou bestaan tussen de activiteiten van het Instituut en de activiteiten van de organisaties die subsidies ontvangen van het Instituut. Uiteraard moest het Instituut daarmee rekening houden, net zoals er rekening moest gehouden worden met de statuten van de organisaties zelf.

Alle vragen over de toekomst zijn uiteraard moeilijk te beantwoorden. In het verleden is het echter zo geweest dat, indien er voor één of andere bijzondere gelegenheid een extra impuls nodig was, die ook gegeven werd door het Instituut. Zij verwijst concreet naar de viering van 100 jaar Vrouwenraad en de Wereldvrouwenmars, die bijkomende middelen hebben gevraagd en gekregen.

Naast de structurele ondersteuning van de vier vrouwenorganisaties, beschikt het Instituut jaarlijks over een vast bedrag van 200 000 euro dat zij kunnen gebruiken voor het ondersteunen van elke initiatief dat aan de voorwaarden voldoet om ondersteuning te krijgen. Dit geeft hen de mogelijkheid om vooral experimentele werken te ondersteunen. In de conventie met Amazone werd er rekening mee gehouden dat de aan hen toegekende subsidies ook een aantal ondersteunende activiteiten omvatten die Amazone moet ontwikkelen voor de twee koepels en impliciet ook voor de vrouwenorganisaties. Zij moeten bijvoorbeeld een helpdesk ontwikkelen voor alle vrouwenorganisaties in verband met het indienen van binnenlandse of buitenlandse subsidieprojecten.

Het is niet zo dat het Instituut opdrachten heeft gedelegeerd. De conventies zijn er gekomen binnen het kader van, enerzijds, de opmerking van het Rekenhof en, anderzijds, de eigen statuten van de organisaties. De enige delegatie waarvan eventueel kan sprake zijn, is de hierboven vermelde rol van Amazone. Het Instituut ontwikkelt niet zelf een helpdesk, maar heeft dat gevraagd aan Amazone.

De onderhandelingen werden gevoerd door de directie van het Instituut en de voorzitster van de raad van beheer. Concreet werden zij uitgenodigd om deel te nemen aan de verschillende raden van beheer van de organisaties, waar dan tussen de directies werd onderhandeld.

Mevrouw Pasmans bevestigt dat er mannenorganisaties interesse hebben voor de werking van het Instituut. Dit heeft volgens haar te maken met de thema's die door het Instituut naar voren werden geschoven, bijvoorbeeld de studiedag « Geweld : een zaak van mannen », en waarbij het uitdrukkelijk de bedoeling was in debat te treden met mannen en mannenorganisaties. Over de vraag over hoe mannen betrokken kunnen worden bij het thema van de gelijkheid van mannen en vrouwen stelt mevrouw Pasmans dat dit geen probleem is. Alhoewel vrouwenorganisaties expliciet werken rond de rechten van de vrouw, is het Instituut er voor de gelijkheid van mannen en vrouwen. Uiteraard kunnen mannen dus evengoed beroep doen op het Instituut over situaties waarin zij menen gediscrimineerd te worden. En die situaties bestaan wel degelijk, zij het in mindere mate.

De jaarplannen vormen volgens de spreekster helemaal geen hindernis om op lange termijn te plannen, wel integendeel. De jaarplannen dienen net gebruikt te worden om de jaarlijkse concrete stappen te definiëren die nodig zijn om een lange termijnproject te realiseren. Als concreet voorbeeld kan hier het wetsontwerp over gender mainstreaming worden gegeven, waarvoor binnen het Instituut twee personen werden aangeduid die dit moeten opvolgen. Zij werkten instrumenten uit die nu kunnen worden gebruikt.

De raad van beheer heeft gepraat over de mogelijkheid om in de toekomst ook andere organisaties structurele subsidies te geven. Er werd beslist om nu een status-quo te behouden, en deze vraag opnieuw te evalueren binnen drie jaar. Indien er om een bepaalde urgente reden een vraag zou komen over het subsidiebedrag, dat ook vastgelegd werd voor drie jaar, of over de te subsidiëren organisaties, zal dit ongetwijfeld opnieuw door de raad van beheer worden onderzocht.

Mevrouw Pasmans merkt op dat het budget van het Instituut in 2006 50 000 euro lager lag dan in 2005. Er werd een verhoging van het budget gevraagd voor 2007, maar het is maar de vraag of dit zal worden toegekend. Ook om die reden zijn vragen over eventuele toekomstige subsidiëringen door het Instituut zeer moeilijk te beantwoorden, vermits het Instituut zelf nog niet weet over welke middelen het zal beschikken.

Wat betreft de doelgroep van de allochtone vrouwen kan het Instituut zelf het initiatief nemen een algemeen programma te ontwikkelen. De minister van Gelijke kansen heeft aan het Instituut en aan het Centrum voor gelijke kansen gevraagd welke initiatieven zij kunnen ontwikkelen en hoe zij kunnen samenwerken op dit gebied. Inzake de klachten is er nu reeds een goede samenwerking met het Centrum. Er is ook voorgesteld een comité van beide organisaties op te richten dat maandelijks zou samenkomen, de overlappende vragen zou bekijken en beslissen wie van beide organisaties de vraag behandelt. Er kan echter nog verder gediscussieerd worden over welke organisatie het best geschikt is om deze vragen te behandelen, of er een duidelijke taakverdeling moet komen. Dit ligt momenteel nog open.

Mevrouw de T' Serclaes vraagt of de vermindering van het budget van het Instituut het resultaat is van ene algemene besparing door de minister, dan wel een gewijzigde houding van de minister ten opzichte van het Instituut reflecteert ?

Mevrouw Pasmans is er van overtuigd dat vooral een technische reden aan de oorzaak ligt van het probleem. Het Instituut is een parastatale B en als zodanig ingeschreven bij het ministerie van tewerkstelling. Andere parastatales B zijn daar echter niet ingeschreven, waardoor zij meer onafhankelijk zijn. Het is binnen dergelijk groot systeem immers moeilijk een verhoging van het budget te bekomen.

Mevrouw de Bethune stelt voor op een later tijdstip uitgebreid in te gaan over de problematiek van de werking en de financiering van het Instituut. Het is immers niet de bedoeling dat het budget van het Instituut jaarlijks zou afnemen.

III. AANBEVELINGEN

1. Parlementaire opvolging van politieke eisen

Parlementaire opvolging van het « 100 punten-programma »

Het adviescomité neemt kennis van de prioriteiten van de vrouwenraden binnen hun 100punten-programma. De Nederlandstalige Vrouwenraad is hierbij uitgegaan van de twaalf thema's van het Peking Actieplatform :

— het uitwerken van beleidsinstrumenten ter ondersteuning van de gendergelijkheid, met name empowerment, gendermainstreaming, genderstatistieken en -budgetting;

— een gelijke verloning voor mannen en vrouwen;

— het glazen plafond doorbreken (1/3 vrouwen in bestuursmandaten en managementfuncties);

— gelijkheid thuis, en hoe mannen betrekken bij het gelijkekansenthema;

— gezondheid;

— dienst alimentatievordering;

— genderneutraal asielbeleid;

— nationaal actieplan in uitvoering van resolutie nr. 1325 van de VN-Veiligheidsraad;

— empowerment vrouwenorganisaties;

— mainstreamen van genderperspectief in het overheidsbeleid.

Het adviescomité beveelt de regering en het Instituut aan deze thema's hoog op de agenda te plaatsen en neemt zich voor deze aandachtig op te volgen.

Gemeente- en provincieraadsverkiezingen

Het adviescomité noteert dat beide vrouwenraden meermaals het belang onderstrepen van de komende lokale verkiezingen. Het adviescomité noteert dat de Nederlandstalige Vrouwenraad een lokaal memorandum opstelt met de steun van de Vlaamse regering. Tevens hebben de CFFB en de NVR op uitnodiging van de Brusselse regering een charter opgesteld om de vrouwen van Brussel aan te moedigen deel te nemen aan de gemeenteraadsverkiezingen.

Recent wetenschappelijk onderzoek in opdracht van het Instituut heeft nogmaals de nood aan het licht gebracht voor bijzondere acties voor meer vrouwen in de politiek, zeker op het lokale niveau. Het adviescomité treedt de vrouwenraden bij in hun eis om steun te krijgen van de federale regering en van het Instituut om ook voor deze lokale verkiezingen een ruime « Stem vrouw » campagne te lanceren.

Het adviescomité beaamt dat de specifieke beleidsinstrumenten ter ondersteuning van de gendergelijkheid, met name empowerment, gendermainstreaming, genderbudgetting en genderstatistieken, vertaald worden op alle niveaus met inbegrip van het lokale niveau. Het adviescomité pleit ook voor een versterking van het materiële gelijkekansenbeleid op lokaal niveau onder andere door meer aandacht voor collectieve voorzieningen en een evaluatie van de kieswet. Het adviescomité vraagt het Instituut en de regering dit verder op te volgen in nauwe samenwerking met de vrouwenraden, de politieke vrouwengroepen en de vrouwenbewegingen.

Federale gelijkekansendossiers in de actualiteit

Het adviescomité noteert dat de vrouwenraden bijzondere aandacht vragen voor twee belangrijke actuele dossiers en hiervoor hun volle steun geven aan de federale minister bevoegd voor Gelijke kansen.

Het adviescomité beaamt de positieve evaluatie van de vrouwenraden over het wetsontwerp strekkende tot controle op de toepassing van de resoluties van de wereldvrouwenconferentie die in september 1995 in Peking heeft plaatsgehad en tot integratie van de genderdimensie in het geheel van de federale beleidslijnen (2) , goedgekeurd op de Ministerraad van 27 januari 2006 en in tweede lezing op 5 mei 2006. Het adviescomité pleit ervoor dat dit ontwerp met spoed in het Parlement wordt besproken zodat deze voor het einde van deze legislatuur nog kan gestemd worden.

Het adviescomité vraagt met aandrang aan de regering om binnen de Europese Unie te pleiten voor een definitieve vestigingsplaats van het Europees genderinstituut in Brussel.

Diversiteit versus gendergelijkheid

Het adviescomité deelt de bezorgdheid van de vrouwenraden dat het diversiteitsbeleid niet in de plaats kan treden van het gelijkekansenbeleid voor mannen en vrouwen. Vrouwen komen vaak in de schaduw te staan van andere doelgroepen van het gelijkekansenbeleid : allochtonen, holebi's, gehandicapten, ouderen en jongeren.

Het adviescomité pleit wel uitdrukkelijk voor een versterking van het doelgroepenbeleid, in het bijzonder naar migrantenvrouwen toe maar dan duidelijk gekaderd binnen het gendergelijkheidsbeleid.

2. Ondersteuning van de vrouwenraden

Het adviescomité uit haar waardering voor het zeer geslaagde « viering-jaar ».

Het adviescomité moedigt de vrouwenraden aan om krijtlijnen uit te zetten voor de toekomst van de vrouwenbeweging en het feminisme in het perspectief van de vijfde wereldvrouwenconferentie in 2010.

Het adviescomité stelt met voldoening vast dat het Instituut met beide vrouwenraden een conventie of beheersovereenkomst heeft ondertekend die de vrouwenraden een minimum aan financiële zekerheid geeft voor de komende drie jaren.

Het adviescomité neemt nota van de informatie dat op basis van de opmerking van het Rekenhof deze formule van een conventie vereist was. Immers, volgens het 106e boek van het Rekenhof 2003-2004 is een subsidie « een beleidsinstrument waarmee de overheid de totstandkoming van de activiteiten ondersteunt die bijdragen tot de verwezenlijking van de beleidsdoelstellingen die zonder die tegemoetkomingen niet of niet in dezelfde mate zouden worden gerealiseerd ». Bovendien moet er een « duidelijk verband zijn tussen de individuele subsidie en het begrotingsprogramma waarin ze past ».

Het adviescomité is verheugd over de aanneming van deze conventie, die een werkelijke taakverdeling tussen het Instituut en de vrouwenraden instelt. De conventie houdt immers rekening met de eigen bevoegdheden van de verschillende partijen zodat zij in de toekomst op een complementaire in plaats van rivaliserende manier zouden werken. Het is belangrijk dat de verschillende rollen van elkeen benadrukt worden. Men kan geen hiërarchie of reglementering opleggen aan de nationale raden, die de kritische stem van de basis moeten vertegenwoordigen. Het is logisch dat sommige ondersteunende, logistieke opdrachten van de vrouwenbeweging aan Amazone toevertrouwd worden.

Wat betreft het strategisch plan van het Instituut voor 2005-2007, stelt het adviescomité vast dat het Instituut een echt forum wil zijn voor het overleg en de gedachtewisseling met onder andere de vrouwenorganisaties en de koepelorganisaties. Het comité wenst echter dat deze ontmoetingen uitmonden in concrete ideeën over de manier waarop het Instituut steun kan bieden aan de verenigingen en nationale raden om de vrouwenbeweging een nieuwe impuls te geven. In overeenstemming met een van de belangrijkste besluiten van het Actieprogramma van Peking, dringt ook het adviescomité in het bijzonder aan op deze noodzaak om de vrouwenbeweging een nieuwe impuls te geven.

Wat het financiële aspect van de conventie betreft, vestigt het comité de aandacht van de regering op de huidige subsidiëring van de vrouwenraden. Hoewel het een goede zaak is dat deze subsidiëring de financiële autonomie van de vrouwenraden voor drie jaar waarborgt, stelt men niettemin vast dat het bedrag (30 000 euro per jaar) ontoereikend is om de vele opdrachten van de raden te financieren.

Een aanvullende structurele financiering van de raden dringt zich dan ook op. Het adviescomité denkt in het bijzonder aan een professionalisering van de raden, die de personeelsleden de nodige stabiliteit en een degelijk statuut moet waarborgen. Deze financiering zal de raden bovendien in staat stellen om helemaal onafhankelijk op te treden, wat van fundamenteel belang is voor de ontwikkeling van de democratie en van de democratische processen.

Het adviescomité pleit bovendien voor de toekenning van een specifiek budget zodat de raden, in het verlengde van hun honderdjarig bestaan, onderzoek kunnen verrichten om een wetenschappelijk onderbouwde strategie voor de toekomst uit te werken.

Er moet echter op gewezen worden dat de subsidiëring van de raden door het Instituut rechtstreeks afhangt van de dotatie die de overheid aan het Instituut toekent. Het adviescomité pleit met andere woorden voor een verhoging van de dotatie aan het Instituut in 2007.

Om al deze redenen wenst het adviescomité dat men halverwege de termijn een evaluatie uitvoert van de conventie tussen het Instituut en de vrouwenraden, zodat een en ander eventueel bijgesteld kan worden.

3. Het adviescomité voor gelijke kansen

Dialoog met de vrouwenkoepels

Het adviescomité neemt zich voor om jaarlijks bijeen te komen met de koepels van de vrouwenbewegingen en een rapport hierover te maken.

Ondersteuning van het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen

Het adviescomité maakt zich grote zorgen over het feit dat de dotatie aan het Instituut al sinds het tweede jaar gedaald is. Het in december 2005 goedgekeurde voorstel van begroting 2006 werd nog twee maal aangepast. Een eerste maal bij de begrotingsopmaak werd een vermindering van 21 000 euro doorgevoerd en bij de begrotingscontrole werd een lineaire vermindering van 1,1 % doorgevoerd. Daarnaast moet het Instituut, zoals de andere parastatalen een egalisatiebijdrage voor de pensioenen van zijn ambtenaren betalen. Voor 2005 bedroeg dit ongeveer 7 000 euro.

Het adviescomité meent dat deze trend moet worden omgebogen.

In dit kader meent het adviescomité dat ook de technische kwesties in dit verslag aan bod moeten komen, met name of het Instituut als parastatale B wordt opgenomen in de begroting van de federale overheidsdienst Tewerkstelling en Arbeid in tegenstelling tot andere parastatales B die afzonderlijk worden opgenomen in de begroting.

IV. STEMMINGEN

De aanbevelingen worden eenparig aangenomen door de 9 aanwezige leden.

Dit verslag is eenparig goedgekeurd door de 9 aanwezige leden.


De rapporteurs, De voorzitter,
Stéphanie ANSEEUW. Sabine de BETHUNE. Fatma PEHLIVAN.



Terug naar het overzicht