Wetsvoorstel
02-05-2006

Sabine de Bethune - Mia De Schamphelaere - Jan Steverlynck - Erika Thijs - Hugo Vandenberghe - Luc Van den Brande - Etienne Schouppe - Marc Van Peel - Wouter Beke

Wetsvoorstel tot hervorming van de Raad van State, wijziging van het Gerechtelijk Wetboek en de Vreemdelingenwet en houdende oprichting van een Raad voor Vreemdelingenzaken (3-1670)

Ingediend door de heer Hugo Vandenberghe c.s.
 


ALGEMENE TOELICHTING

1. Algemeen

De minister van Justitie en de minister van Binnenlandse Zaken kondigen al geruime tijd een grondige hervorming van de Raad van State aan.

De situatie bij de Raad van State wordt immers met de dag onbeheersbaarder. De achterstand neigt niet korter te worden : dit zou vooral te maken hebben met de explosie de jongste 15 jaar van het vreemdelingencontentieux (1) .

Bewijs van de malaise is een recent arrest van de Raad van 20 december 2004 (2) , in een zaak van benoeming bij de administratie, waarbij de Raad oordeelt dat artikel 6, § 1, EVRM over de redelijke termijn is geschonden en dat « deze situatie verre van uitzonderlijk is en de regel dreigt te worden ».

1.1. Intenties van de regering

De minister van Binnenlandse zaken had eind 2004 een tekst klaar met een aantal mogelijke maatregelen, die bestonden in :

— het creëren van een derde sectie binnen de Raad, exclusief bevoegd voor vreemdelingendossiers;

— het principe van de alleenzetelende rechter voor alle vreemdelingendossiers en voor andere door de voorzitter « vrij eenvoudig » geachte zaken;

— het afschaffen van het dubbel onderzoek (auditeur — Raad) in elk geval voor het vreemdelingencontentieux;

— een interne evaluatie van de Raad, en een (hernieuwbare) termijn van 6 jaar voor de functie van korpsoverste.

Er was niet alleen kritiek van de verscheidene Ordes van advocaten met betrekking tot het tenietgaan van een aantal procedurele waarborgen, maar ook van de Raad zelf en niet in de geringste mate van de minister van Justitie. Die zou eerder gewonnen zijn voor het creëren van een eerste aanleg voor vreemdelingenzaken en het behoud van de Raad als cassatierechter, met het inbouwen van een aantal filters tegen nutteloze cassatieberoepen (3) .

Op de Ministerraad van 23 december 2005 werden de volgende hervormingen goedgekeurd :

— afschaffing van een aantal niet-rechtsprekende functies : de Raad van State concentreert zich op zijn beide hoofdtaken, met name de adviesverlenende functie voor de afdeling wetgeving en de rechtsprekende functie voor de afdeling administratie;

— de griffie komt onder leiding van de hoofdgriffier die onder leiding en toezicht van de korpschefs staan;

— de functie van beheerder wordt opnieuw geëvalueerd en aangepast aan de vereisten van een moderne manager. Duidelijke afbakening van de bevoegdheden.

Die hervormingen werden grotendeels overgenomen op de Ministerraad eind juni 2005, en aangevuld met de volgende organisatorische hervormingen : (4)

— afschaffing van de annulatie- en schorsingsbevoegdheid in vreemdelingenzaken en vervanging door een (veralgemeend) cassatieberoep;

— de instelling van een zeefprocedure in administratieve cassatie;

— wegwerking van de bestaande achterstand inzake vreemdelingendossiers;

— het ter beschikking stellen van een instrumentarium ter wegwerking van de achterstand in de gewone dossiers en/of soepel in te spelen op een plotse toevloed.

Voorts heeft de regering de intentie een « modern management » te installeren bij de Raad.

Tot op heden blijft het echter bij intenties, wat indieners ertoe bewoog zelf van hun wetgevend initiatief gebruik te maken.

1.2. Kritiek op het door de regering ingenomen standpunt

Het is duidelijk dat de regering de nadruk legt op de hervorming van het vreemdelingencontentieux als hoofdzakelijke remedie.

De vraag is evenwel of de achterstand bij de Raad van State enkel en alleen te wijten is aan de vreemdelingendossiers, of dat er misschien ook andere oorzaken zijn, zoals complexiteit van de regelgeving op de verschillende beleidsniveaus, gecombineerd met een grotere foutenmarge op beslissingsniveau, grotere procesbereidheid bij de burgers of interne structurele problemen bij de Raad.

Immers, als we Meester Bourtembourgh, belast met het dossier Vreemdelingencontentieux bij de « Ordre des barreaux francophones et germanophone » mogen geloven, maakt het vreemdelingencontentieux wel 80 % van de ingediende verzoeken uit, maar worden slechts 20 % van de auditeurs en raadsheren ermee belast. Dit zou erop kunnen wijzen dat het louter hervormen van het vreemdelingencontentieux (lees : de totale ontlasting van de Raad van dit contentieux) noch onmiddellijk, noch op termijn de achterstand zou kunnen wegwerken (5) .

Bovendien was er, zoals hierboven reeds werd aangehaald, ook al vóór de explosie van het aantal vreemdelingendossiers in de jaren '90, een aanzienlijke achterstand van verscheidene jaren (6) .

Ook een aantal andere rechtsgeleerden, zoals Staatsraad Dierk Verbiest, komen tot de vaststelling dat qua werklast een vreemdelingendossier slechts 1/10 van de werklast van een « gewoon dossier » bedraagt (7) .

Daarom worden in dit voorstel ook een aantal meer ingrijpende wetswijzigingen voorgesteld, die het enerzijds de rechtzoekende moeten vergemakkelijken om een gelijktijdige beslissing te krijgen over zijn administratieve en burgerrechtelijke rechten, en anderzijds de termijn waarbinnen deze beslissing wordt verkregen, aanzienlijk te verkorten.

2. Wat kan en niet kan : een voorstel tot hervorming binnen de huidige bepalingen van de Grondwet

2.1. Monisme en dualisme

De bepalingen in de Grondwet die de bevoegdheid van de rechtbanken en de Raad van State regelen (respectievelijk 144, 145 en 160 — eventueel ook 146 en 161), zijn in deze zittingsperiode niet voor herziening vatbaar verklaard. Het is indieners tevens niet te doen om het neerleggen van een symbolisch voorstel dat dan zou moeten rekenen op een onzekere 2/3-meerderheid in een volgende zittingsperiode.

De meest realistische vooropstelling is dus dat men een hervorming zou voorstellen die geen grondwetswijziging vergt.

Daarom kiezen indieners voor een diepgaande hervorming, die evenwel perfect mogelijk is binnen de huidige grondwetsbepalingen.

Voorstellen die een totaal jurisdictioneel monisme invoeren (alle administratiefrechtelijke en burgerrechtelijke aspecten bij één en dezelfde rechtbank), kunnen alleszins niet worden gerealiseerd zonder wijziging of opheffing van de voornoemde artikelen.

Het model dat voorziet in de totale integratie van de administratieve rechtspraak in de rechterlijke macht, door binnen de rechtbanken van eerste aanleg naast de burgerlijke, correctionele en jeugdrechtbanken ook administratieve rechtbanken te voorzien, doorgetrokken naar de hoven van beroep en het Hof van Cassatie, zou een opheffing vergen van de artikelen 144 en 145 GW, de schrapping van de zinsnede « geen met eigenlijke rechtspraak belast orgaan » in 146 GW en de schrapping in artikel 160 GW van elke verwijzing naar de rechtsprekende functie van de raad van State. Het basisprincipe zou dan onveranderd geformuleerd worden in artikel 40 GW : « De rechterlijke macht wordt uitgeoefend door de hoven en rechtbanken ». Ook artikel 158 over de rechtsmachtsgeschillen zou kunnen worden opgeheven. (8)

De omgekeerde beweging, met name het onttrekken van alle gedingen over administratieve beslissingen aan de rechtbanken, waarbij de Raad van State als enige bevoegd zou worden voor zowel de vernietiging als de burgerlijke belangen, vergt niet alleen een uitzonderlijk ingrijpende grondwetswijziging, maar daarenboven creëert het twee verschillende rechtsinstanties die over de burgerrechtelijke aansprakelijk moeten oordelen. De ene in zaken tussen burgers, de andere in zaken tegen de overheid.

Het resultaat zou dan ook een procedureel dualisme zijn, waarbij het maar de vraag is of de Raad zelfs op middellange termijn over voldoende knowhow en personeel zal kunnen beschikken om de vaak complexe schadeclaims te beoordelen.

De ervaringen met de Franse rechtspraak, waar dit procedureel dualisme is ingevoerd, zijn in dit verband ongunstig.

2.2. Foutaansprakelijkheid en de Grondwet : de natuurlijke rechter

Het invoeren van een monisme in het voordeel van de bevoegdheid van de Raad van State zou betekenen dat de rechtsonderhorige de toegang wordt ontzegd tot zijn natuurlijke rechter inzake aansprakelijkheidsvorderingen, met name de rechtbank van eerste aanleg.

Inderdaad bepaalt artikel 144 GW dat geschillen over burgerlijke rechten uitsluitend behoren tot de bevoegdheid van de rechtbanken. En het recht een schadevergoeding te vorderen, ook van de overheid, is onmiskenbaar een burgerlijk recht.

Het Hof van Cassatie beoordeelde in die zin op 7 november 1975 (9) een arrest van het hof van beroep van Luik dat het verhaal had verworpen van een beambte die in disponibiliteit was geplaatst, met de motivering enerzijds dat de Raad van State bij arrest van 8 juni 1965 het verhaal had verworpen en anderzijds dat de gemeente op discretionaire wijze het onderwijzend personeel kon aanwijzen.

Het Hof van Cassatie verbrak dit arrest, onder meer, met de overweging dat de beoordeling van de wettigheid van een administratieve beslissing die schade kan veroorzaken, tot de blijvende bevoegdheid behoort van de hoven en de rechtbanken niettegenstaande de annulatiebevoegdheid van de Raad van State en niettegenstaande de Raad van State het annulatieberoep wegens laattijdigheid als onontvankelijk had afgewezen (10) .

De beoordeling van de wettelijkheid of de onwettelijkheid van de schadeberokkende bestuursbehandeling blijft dus tot de bevoegdheid van de rechterlijke macht behoren, niettegenstaande de administratieve handeling aanleiding kan geven tot een beroep tot annulatie bij de Raad van State. De omstandigheid dat de schadelijder de beslissing van de overheid niet heeft aangevochten voor de Raad van State doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de burgerlijke rechter om een oordeel te vellen over de beweerde onrechtmatigheid van de overheid (11) . De Raad van State verklaart zich trouwens onbevoegd om kennis te nemen van een vordering wegens buitengewone schade (artikel 11 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State), wanneer de vordering is gebaseerd op een fout (in casu foutief stilzitten) van de overheid en dus niet op een foutloos handelen of stilzitten van de overheid (12) .

Die bevoegdheid wordt evenmin aangetast wanneer het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Het Hof van Cassatie oordeelt dat uit artikel 159 Gecoördineerde GW volgt dat « een arrest waarbij de Raad van State een verzoekschrift tot nietigverklaring van een verordenende akte verwerpt, niet bindend is voor de hoven en de rechtbanken, zelfs wanneer de nietigheid van de verordenende akte voor hen werd aangevoerd op grond van hetzelfde middel en tussen dezelfde partijen » (13) .

Overigens ook de omstandigheid dat de administratieve beslissing niet meer vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring en dus definitief is geworden, doet geen afbreuk aan de bevoegdheid van de gewone hoven en rechtbanken (14) .

Uit deze rechtspraak vloeit voort dat het (dreigend) onwettig overheidsoptreden rechtstreeks voor elke gewone rechter (gewoonlijk maar niet noodzakelijk de rechter in kort geding) kan worden aangevochten, en niet alleen meer bij wege van exceptie in een reeds bestaand geding kan worden aangevoerd, alsook dat de gewone rechter aan de administratieve overheid een bevel of een verbod kan geven. Door de rechtstreekse aanvechting van elk (dreigend) onwettig overheidsoptreden toe te laten, werd eveneens de vroegere rechtspraak verlaten, volgens welke dit enkel mogelijk was in geval van een « administratieve feitelijkheid ».

Trouwens, artikel 159 Gecoördineerde GW is in algemene bewoordingen gesteld en maakt geen onderscheid naargelang de handelingen die daarin worden bedoeld (15) . Maar door geen verhaal uit te oefenen bij de Raad van State kan het slachtoffer gedeeltelijk aansprakelijk zijn voor de omvang van de ondertussen geleden schade (16) .

2.3. Mogelijkheid van grondwetsconforme wijzigingen

Dergelijke problemen met grondwetsconformiteit kunnen voorkomen worden door enerzijds de rechtsprekende bevoegdheid van de Raad van State als administratief rechtscollege te hermoduleren, en anderzijds een bicameraal (17) voorstel in te dienen dat de rechtbanken van eerste aanleg de bevoegdheid geeft om te oordelen, met volheid van rechtsmacht, tegen bepaalde akten en reglementen van administratieve overheden. Hierbij dringt zich natuurlijk een wijziging op van artikel 14, § 1, Gecoördineerde W. R. v. St.

Het komt er dus op aan een nieuwe bevoegdheidsonderverdeling te maken zonder de rechtsprekende bevoegdheid van de Raad als dusdanig op te heffen, en tegelijk ervoor te zorgen dat de rechtbescherming van de burger niet aangetast wordt en hij als rechtzoekende sneller uitsluitsel krijgt over zijn rechten.

Deze snellere rechtbedeling impliceert ook dat één rechtbank bevoegd moet worden gemaakt voor het volledige rechtsherstel, dus zowel voor het schorsen en vernietigen van de bestreden bestuurshandeling als voor het toekennen van een eventuele schadevergoeding.

Er lijkt alleszins grondwettelijk geen belemmering te bestaan om de rechtbanken bij wet een vernietigingsbevoegdheid toe te kennen.

3. Een eerste nuttig onderscheid : individuele administratieve rechtshandelingen en reglementaire bepalingen

3.1. Definitie

Er is geen duidelijke wettelijke definitie voor het onderscheid.

Overeenkomstig de draagwijdte van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen moet onder een individuele bestuurshandeling worden verstaan « de eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur » (18) .

Dergelijke handelingen worden dan gezien als onderscheiden van de « reglementen die op een algemene en abstracte wijze een rechtsregel formuleren », de zogenaamde reglementaire bepalingen (19) .

Een duidelijke wettelijke definitie is dus wel een vereiste.

3.2. De overheveling naar de burgerlijke rechtbanken beperken tot individuele bestuurshandelingen : reden voor het onderscheid

3.2.1. Het belang

De Raad van State is op grond van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State zowel bevoegd om uitspraak te doen over individuele bestuurshandelingen als over reglementaire bepalingen. Enige vereiste is dat er een voldoende belang aanwezig is.

Er zijn drie soorten verzoekers die van voldoende belang kunnen getuigen : de particulier moet een persoonlijk belang hebben, de rechtspersoon kan ook een collectief belang laten gelden, en de openbaar mandataris kan een functioneel belang laten gelden (20) .

De algemene regel van een persoonlijk belang bestaat erin dat de verzoeker « door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel lijdt » en dat « de nietigverklaring hem een direct en persoonlijk voordeel (hoe miniem ook) verschaft (21) ».

Iets nader gepreciseerd, betekent dit het volgende. Enerzijds moet er sprake zijn van een nadeel, dat kan bestaan in de aantasting van zowel een rechtstoestand als een feitelijke toestand, en van materiële of morele aard mag zijn. Dit nadeel moet persoonlijk zijn, waardoor de verzoeker zich niet louter op het algemeen belang of het belang van een ander mag beroepen. Het nadeel moet ook rechtstreeks zijn. Dit houdt in dat er een causaal verband moet bestaan tussen het nadeel en de bestreden rechtshandeling (22) . Veder moet het nadeel zeker zijn en dus niet eventueel of louter potentieel, en actueel. Voor de aanvechting van een individueel besluit betekent een actueel belang, dat het nadeel moet bestaan zowel bij het indienen van het beroep, als bij de uitspraak. Voor reglementaire handelingen daarentegen wordt niet vereist dat het nadeel reeds gerealiseerd is. Het reglement hoeft met andere woorden nog niet toepasselijk te zijn; het volstaat dat het toepassing zou kunnen vinden en dus dat de verzoeker er redelijkerwijze rechtstreeks nadeel van kan ondervinden. Vervolgens moet het belang wettig of geoorloofd zijn. Ten slotte wordt ten aanzien van individuele besluiten, ook nog vereist dat de verzoeker uit de nietigverklaring rechtstreeks enig voordeel, van materiële of morele aard, kan halen. Die laatste voorwaarde geldt echter niet voor reglementaire besluiten (23) .

Het collectief belang dat rechtspersonen en bepaalde verenigingen (24) kunnen inroepen, houdt het ideële belang in waarvoor deze zijn opgericht en is te onderscheiden van het individuele belang van de leden. Opdat dergelijke vorderingen niet zouden vervallen in een actio popularis, stelt de Raad van State voor de ontvankelijkheid volgende voorwaarden : ten eerste, het principe van de specialiteit (25) , vervolgens de vereiste dat het collectief belang onderscheiden is van de individuele belangen van de leden (26) , en ten slotte de voorwaarde van voldoende representativiteit (27) van de vereniging (28) .

Het functionele belang maakt het mogelijk voor hen die een openbare functie uitoefenen, om een beslissing aan te vechten die, zonder hen persoonlijk te raken, de prerogatieven miskent van hun mandaat of van het administratief lichaam waartoe zij behoren (29) . Opdat zijn verzoek ontvankelijk zou zijn, moet de openbaar mandataris met andere woorden bewijzen dat de bestreden beslissing de aan zijn mandaat verbonden prerogatieven schendt (30) .

Op grond van artikel 18 van het Ger.W. moet het belang reeds verkregen en dadelijk zijn (31) . De uitzondering van de declaratoire vordering van het tweede lid is niet van die orde dat zij enig voordeel zou kunnen hebben op de vordering tot schorsing en nietigverklaring van de reglementaire bestuurshandeling.

Het is dus de vraag of tegen het bestaan van een reglementaire bepaling, geïnterpreteerd als een abstracte norm die niet rechtstreeks rechtsgevolgen heeft of beoogt voor bestuurden of een ander bestuur, kan worden opgekomen voor de burgerlijke rechter zonder artikel 18 Ger. W. te moeten wijzigen. Dit laatste zou neerkomen op het creëren van een uitzonderingsbelang en kan alleszins niet de bedoeling zijn.

Dit is één mogelijke reden om de reglementaire bepalingen niet over te hevelen.

Een andere reden met betrekking tot het belang is dat er in het Belgisch recht geen « class action » bestaat, en dat zodoende verenigingen niet zomaar voor de burgerlijke rechter kunnen ageren tegen een reglementaire bepaling op grond van enig collectief belang.

3.2.2. De schade

Het is onwaarschijnlijk dat een abstracte norm die geen rechtstreekse individuele rechtsgevolgen beoogt kan leiden tot een vordering tot vergoeding van schade op grond van artikel 1382 e.v. B.W. Dergelijke abstracte norm vergt over het algemeen een individuele uitvoeringsbeslissing om schadeverwekkend te zijn.

Vermits het de bedoeling was van de hervorming om één rechtscollege uitspraak te laten doen over zowel de wetschending, de nietigheid als de schadevergoeding om zo de tweedeling tussen de burgerlijke rechtbanken en de Raad een halt toe te roepen, is het niet nuttig de reglementaire bepalingen over te hevelen.

3.2.3. De werking erga omnes

Overeenkomstig artikel 6 Ger. W. kan de rechter geen uitspraak doen bij wege van algemene en als regel geldende beschikking.

De vernietiging of schorsing van een bestuurshandeling voor de raad van State geldt daarentegen « erga omnes ».

Een algemene en abstracte norm laten vernietigen door de burgerlijke rechter op dagvaarding van één eiser is dus problematisch.

Voor de individuele bestuurshandelingen hoeft dit geen probleem te zijn, omdat de rechtsgevolgen van een vernietiging door de burgerlijke rechtbank van een bestuurshandeling in de meeste gevallen zullen beperkt blijven tot het subject van de bestuurshandeling, die tevens eiser zal zijn.

3.3. Een specifieke regeling voor het vreemdelingencontentieux

Vanuit de optiek van het vorig punt zouden ook vorderingen inzake vreemdelingen voor de rechtbank van eerste aanleg kunnen komen. Dit zou evenwel contraproductief zijn :

— in de eerste plaats omwille van het feit dat het huidig vreemdelingencontentieux al bestaat uit meervoudige aanleggen, met name Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ), Hoog Commissariaat en Vaste Beroepscommissie. Het kan niet de bedoeling zijn daar nog drie aanleggen bij te doen.

— In de tweede plaats omdat de overbelasting bij de Raad van State dan gewoon zou vervangen worden door een overbelasting van de drie burgerlijke aanleggen.

Daarentegen opteren indieners ervoor de bestaande administratieve procedure te vervangen door een procedure waarbij het vreemdelingencontentieux integraal wordt geregeld bij een nieuw in te stellen administratieve rechtbank met aparte administratieve cassatie. In onderhavig wetsvoorstel wordt de Vaste Beroepscommissie hervormd tot administratief rechtscollege, zowel bevoegd voor de ontvankelijkheids- als gegrondheidsvraag, en waarbij de Raad van State als administratief cassatierechter fungeert, met de nodige filters. Die worden ingebouwd via een nieuw artikel 20 in de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat geldt voor alle cassatieberoepen.

Hierbij dient nu reeds opgemerkt dat bij enige vastgestelde onwettigheid, de vreemdeling niet afgetrokken kan worden van de burgerlijke rechter voor het vorderen van een schadevergoeding.

4. Het lot van de schorsingsprocedure : de aanpassing van het kort geding

Wanneer men de rechtbank van eerste aanleg voor vernietiging van individuele rechtshandelingen bevoegd maakt, spreekt het vanzelf dat deze rechtbank ook moet bevoegd worden om bewarende maatregelen te nemen. De bepalingen van het kort geding in het Ger.W. (artikelen 1035-1039 Ger.W.) zijn als dusdanig moeilijk toepasbaar op de zaken bedoeld bij artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

Desalniettemin oordeelde het Hof van Cassatie dat de rechterlijke macht de opportuniteit van een bestuurshandeling niet mag beoordelen, maar wel bevoegd is om de aantasting van een burgerlijk recht zowel te voorkomen als te vergoeden. Zodoende is de rechter in kort geding ook bevoegd om ten aanzien van de administratie die een subjectief recht aantast, maatregelen te nemen om de rechten van particulieren te vrijwaren (32) . Zo oordeelde het Hof dat de rechter in kort geding bevoegd was voor het nemen van maatregelen inzake dienstaanwijzingen en mutaties in een gemeenteschool (33) .

Er is evenwel een theoretisch verschil tussen de schorsing als dusdanig en het nemen van voorlopige en dringende maatregelen. In de huidige stand van de wetgeving is de Raad van State wel degelijk de enige rechter die de schorsing van de handeling als dusdanig kan opleggen (artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State). Voor het opleggen van voorlopige maatregelen schijnen de rechtbanken en de Raad (artikel 17, § 3, tweede en derde lid) een concurrerende bevoegdheid te hebben.

Dit brengt indieners ertoe te besluiten dat « een ogenschijnlijke foutieve aantasting van een subjectief recht door een bestuurshandeling » wellicht niet steeds dezelfde lading dekt als « ernstige middelen tot vernietiging en een moeilijk te herstellen ernstig nadeel bij tenuitvoerlegging », maar dat, gelet op de rechtspraak terzake, de door de burgerlijke rechtbank genomen bewarende maatregelen minstens een even goede rechtsbescherming bieden.

Dit voorstel voert evenwel de nodige aanpassingen aan om de specifieke toestand van de voorlopige maatregelen bij een overheidsbeslissing te regelen, en voorziet hiervoor in een — qua termijnen — op de schorsingsprocedure gelijkende procedure.

5. Wat met de hakbijlprocedures ?

Bij koninklijk besluit van 10 november 2001, genomen op grond van de wet van 18 april 2000, werd titel IX van het algemeen procedurereglement uitgebreid van vorderingen die kennelijk gegrond, onontvankelijk of ongegrond zijn, naar vorderingen die doelloos (geworden) zijn (34) .

Daarmee werd de tiende hakbijlprocedure ingevoerd (35) .

De bedoeling van deze hakbijlprocedure, met name het ontlasten van de Raad, werd kennelijk niet bereikt.

Wanneer men nu een aantal bevoegdheden overhevelt naar de rechtbanken, rijst vraag of deze hakbijlen mee overgeheveld moeten worden, of dat integendeel de bepalingen inzake conclusietermijnen, zoals vervat in de artikelen 747, 750 en 751 Ger.W., gelden.

Wanneer men de rigide hakbijlprocedures mee overhevelt, riskeert men een ongelijke behandeling te creëren al naargelang de verweerder al of niet een bestuur is dat een individuele bestuurshandeling heeft gesteld. Anderzijds hebben de hakbijlen het voordeel dat zij verplicht aansporen tot snelle behandeling, terwijl dit anders komt af te hangen van de diligentie van de individuele partijen en hun raadslieden.

Indieners vinden het evenwel aangewezen de hakbijlprocedures niet mee over te hevelen, doch mits een aantal termijnaanpassingen inzake conclusie en verjaring van de vordering de procedure van gemeen recht toepassing te laten vinden.

6. Administratieve kamers in eerste aanleg : waar en hoeveel ?

Onverminderd het feit dat, wat betreft de eenheid van rechtspraak, de beslissingen inzake individuele administratieve handelingen komen te vallen onder het Hof van Cassatie dat wellicht meer dan de verschillende Franstalige en Nederlandstalige kamers bij de Raad de eenheid van rechtspraak zal waarborgen, blijft de vraag of het nuttig is om in elk gerechtelijk arrondissement een administratieve kamer op te richten.

In eerste instantie wordt voorzien in een systeem waarbij de rechtsbescherming van eiser primeert : het is zijn woonplaats die de bevoegdheid bepaalt (of de zetel van het eisend bestuur).

Naar analogie van de regeling inzake fiscale kamers in het koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 7 van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken van 25 maart 1999 laat het wetsvoorstel toe dat de Koning opteert voor een andere regeling om van bij het begin enige knowhow en eenvormigheid te verzekeren.

Aldus zou Hij kunnen voorstellen — naast de Kamer van het arrondissement Brussel — deze kamers enkel op te richten (36) :

— te Aarlen, voor de provincie Luxemburg;

— te Brugge, voor de provincie West-Vlaanderen;

— te Hasselt, voor de provincie Limburg;

— te Leuven, voor de het arrondissement Leuven (en dus niet Vlaams-Brabant- zie ondervermeld arrest);

— Te Gent, voor de provincie Oost-Vlaanderen

— te Namen, voor de provincie Namen;

— te Nijvel, voor de provincie Waals-Brabant.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Artikel 1

Deze wet wijzigt de bevoegdheden van de rechtbank van eerste aanleg en valt zodoende onder artikel 77, 9º, GW.

Artikel 2

In dit artikel wordt artikel 14, § 1, Raad van State-wet aangepast. Het toepassingsgebied van het vernietigingscontentieux wordt beperkt tot reglementaire bepalingen. Die « reglementen » worden gedefinieerd als eenzijdige rechtshandelingen uitgaande van een administratieve overheid die op een algemene en abstracte wijze een rechtsregel formuleren. Deze definitie wordt overgenomen uit de rechtsleer, meer bepaald Vande Lanotte, J., en Goedertier, G., Overzicht publiekrecht, deel 2, Gent, Die Keure, 2003, nr. 1143.

Artikel 3

Technische aanpassingen aan de nieuwe definitie en bevoegdheidsverdeling.

Artikel 4

Technische aanpassingen aan de nieuwe definitie en bevoegdheidsverdeling.

Artikel 5

Deze schrapping kadert in de bevoegdheidsoverheveling voor beroepen tegen beslissingen met individuele strekking naar de gewone rechtbanken.

Artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vermeldt dat de verjaringstermijn inzake beroepen tegen rechtshandelingen met individuele strekking slechts begint te lopen indien de beslissing het bestaan van de beroepen, vormvoorschriften en termijnen vermeldt. Het beroep tegen die rechtshandelingen werd overgebracht naar de gewone rechtbanken, en in het nieuw artikel 705bis Ger.W. voert onderhavig voorstel een zelfde rechtsbescherming in.

Artikel 6

Artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, opgeheven bij wet van 24 maart 1994, krijgt door dit artikel een nieuwe invulling. Het stelt filters in voor elk administratief cassatieberoep voor de Raad van State (artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State). Essentieel voor de toelaatbaarheid van de vordering is dat de aangevoerde onwettigheid daadwerkelijk de beslissing heeft beïnvloed in het nadeel van de verzoeker. Het is de bedoeling zo nutteloze cassatieberoepen te ontmoedigen, en de rechtsbedeling te versnellen.

Voor alle administratieve cassatiezaken worden alleen toelaatbaar verklaard, de cassatieberoepen :

1º waarvan het onderzoek door de afdeling noodzakelijk blijkt om te zorgen voor de eenheid van de rechtspraak;

2º waarvoor de Raad van State niet onbevoegd of zonder rechtsmacht is om het beroep in cassatie te berechten of die niet zonder voorwerp, onontvankelijk of kennelijk ongegrond zijn;

3º waar een substantiële procedurefout wordt aangevoerd die gemaakt werd door het administratief rechtscollege en die daadwerkelijk van die aard was dat ze de strekking van de beslissing heeft beïnvloed.

Artikel 7

Vermits de individuele geschillen en het vreemdelingencontentieux aan de Raad ontnomen worden, maakt dit ruimte vrij voor overheveling van leden van de Raad naar de gewone rechtbanken. Er wordt voorgesteld dat de Staatsraden die deel uitmaken van de afdeling administratie (artikel 89 gecoördineerde wetten) kunnen overgaan naar het hof van beroep, evenwel met behoud van wedde, dat iets hoger ligt dan dat van een raadsheer in beroep (zie wedden W. 1955 Raad van State en artikel 355 Ger. W.). Zodoende kan de specifieke knowhow inzake individuele bestuursgeschillen mee overgeheveld worden naar het hof van beroep.

Een vergelijkbare nieuwe regeling inzake overheveling van knowhow van de auditeurs bij de Raad van State naar de rechtbank van eerste aanleg wordt niet nodig geacht, vermits nu reeds de auditeur, adjunct-auditeur en adjunct-referendaris bij de Raad van State met minstens vijf jaar dienst als rechter kunnen benoemd worden op grond van artikel 190 § 2, 1º Ger.W.

Artikel 8

In dezelfde zin als het vorig artikel maakt dit artikel het mogelijk dat de voorzitters van de Raad van State, afdeling administratie, overgaan naar het Hof van Cassatie, met behoud van wedde.

Artikel 9

Artikel 355 van het Gerechtelijk Wetboek regelt de wedden van de magistraten van de rechterlijke macht. De overeenkomstig vorige artikelen overgehevelde raadsheren van de Raad van State behouden evenwel hun wedde, dat overeenkomstig de wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdrages bij de Raad van State is bepaald. Deze wedde ligt iets hoger dan de wedde toegekend aan de leden van de rechterlijke orde in dezelfde graad. Vermits deze overdracht erop gericht is in de overgangsfase de nodige knowhow te verzekeren, heeft de ongelijke verloning ongetwijfeld een feitelijk uitdovend karakter.

Artikel 10

Dit artikel geeft de rechtbank van eerste aanleg de bevoegdheid om individuele rechtshandelingen van bestuurlijke overheden te vernietigen. Wat betreft het toekennen van schadevergoeding voor schade door onwettige overheidsbeslissingen dient niets gewijzigd, omdat deze bevoegdheid nu reeds bestaat. Artikel 569 Ger.W. regelt de uitsluitende bevoegdheden van de rechtbank van eerste aanleg. Het is inderdaad de bedoeling de vernietigingsbevoegdheid ten aanzien van individuele bestuursbeslissingen enkel aan deze rechtbank toe te kennen.

Voor de definitie van individuele bestuursbeslissing werd gekozen voor een definitie die in de rechtsleer wordt gehanteerd, en die een weerslag is van de definitie die werd gebruikt in artikel 1 van de wet op de motivering van bestuurshandelingen.

Artikel 11

Het kort geding tegen bestuursbeslissingen met individuele draagwijdte wordt, zoals bij alle andere gedingen, voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg gebracht, op dezelfde wijze als de gewone burgerrechtelijke kort gedingen (artikel 584 Ger.W.). Voor dit punt is dus geen specifieke wetsaanpassing nodig. Zoals dit nu reeds het geval is voor burgerrechtelijke zaken kan een zaak dus ook bij (eenzijdig) verzoekschrift worden ingediend wanneer er sprake is van volstrekte noodzakelijkheid (artikel 584, derde lid, Ger.W.). Deze procedure is vergelijkbaar met de procedure voor de Raad van State bij uiterst dringende noodzakelijkheid.

Evenwel moet men rekening houden met het feit dat artikel 4 van het Regentsbesluit verjaringstermijnen bevat voor het instellen van de vorderingen tot vernietiging en schorsing (60 dagen). Dit volgt uit het feit dat in de huidige procedure het verzoekschrift tot schorsing neergelegd worden uiterlijk samen met het verzoekschrift tot vernietiging (artikel 17, § 3, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State). Het is in dit voorstel de bedoeling voor de vernietiging en het kort geding dezelfde termijn te voorzien. Een vordering in schadevergoeding kan natuurlijk tegelijk met de vordering in vernietiging worden ingesteld, maar kan ook daarna nog worden ingesteld, en dit zelfs zonder een eerdere vordering in vernietiging. Dit volgt uit het feit dat het gaat om een vordering op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek die aan de gewone burgerrechtelijke verjaringstermijn van 5 jaar of ten hoogste 20 jaar is gebonden (artikel 2262, § 1, tweede en derde lid, B.W.).

De kortgedingprocedure voor de voorzitter van de rechtbank is een afdoend alternatief voor de bestaande procedure : ook de Raad zetelt in verzoeken tot schorsing normalerwijze met één lid, behoudens bij uiterst dringende noodzakelijkheid, eventueel indien gevraagd door de verzoeker of door de voorzitter ambtshalve bepaald (artikel 90, §§ 2 en 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State). Om dezelfde rechtsbescherming te behouden wordt ook in onderhavig voorstel de mogelijkheid gelaten dat de zaak voor een kamer met drie rechters komt wanneer eiser daarom vraagt. In het laatste geval beslist de voorzitter soeverein en zonder mogelijkheid van het aanwenden van enig rechtsmiddel over het aantal rechters.

Artikel 12

Dit artikel voegt, wat betreft de territoriale bevoegdheid en het aantal kamers binnen de rechtbank van eerste aanleg die kennis nemen van een geschil betreffende een individuele bestuurshandeling, een regime in dat gelijkenis vertoont met het stelsel voor fiscale zaken, ingevoegd bij de wet van 23 maart 1999 (artikel 632 Ger.W.).

In eerste instantie wordt de eiser beschermd door een vordering mogelijk te maken voor de rechter van zijn woonplaats, of voor de zetel van het bestuur, wanneer die eiser is tegen een ander bestuur. In tweede instantie is het de bedoeling dat de Koning de mogelijkheid krijgt de bevoegde rechtbanken anders te regelen, om de eenvormigheid in de rechtspraak en knowhow te verbeteren. Hij heeft dit voor fiscale zaken gedaan bij koninklijk besluit van 25 maart 1999, en hierbij één rechtbank per provincie aangeduid (naast de rechtbank van Brussel voor het arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde — zie tevens Raad van State 24 januari 2002, nr. 102 855).

Artikel 13

Overeenkomstig artikel 700 Ger. W. moeten hoofdvorderingen in de regel bij dagvaarding worden ingeleid. Dit artikel wil evenwel in een uitzondering voorzien voor de vorderingen tot nietigverklaring waarbij enkel de nietigverklaring en geen schadevergoeding wordt gevraagd. Die kunnen ook worden ingeleid bij verzoekschrift, wat kostenbesparend is en dezelfde rechtzekerheid waarborgt. Wordt een schadevergoeding gevraagd, blijven evenwel de vereisten van het bestaande gemeen recht van toepassing.

Artikel 14

Hier wordt bepaald dat wanneer men een vordering in vernietiging bij dagvaarding inleidt, een afschrift van de bestreden beslissing moet bijgevoegd zijn, zoals dit het geval was voor de Raad van State

Artikel 15

Dit artikel voert dezelfde verjaringstermijn in voor dagvaarding of verzoekschrift in vernietiging als die welke bestond voor de Raad van State. Het is inderdaad niet de bedoeling de vernietiging onverjaarbaar te maken of te onderwerpen aan de burgerrechtelijke verjaringstermijn voor onrechtmatige daad (artikel 2262bis B.W.), zelfs al mocht de vordering tot vernietiging gepaard gaan met een vordering in schadevergoeding. Dit zou immers zeer nefast zijn voor de rechtzekerheid. Na de termijn van 60 dagen blijft dus enkel de mogelijkheid een schadevergoeding te bekomen op grond van wetschending en dus onrechtmatig overheidshandelen, zoals dit nu reeds het geval is en onder dezelfde verjaringsvoorwaarden.

Een beperking van de termijn om schadevergoeding te vorderen tot 60 dagen zou strijdig zijn met artikel 13 juncto artikelen 10 en 11 van de Grondwet, aangezien, wat betreft de onrechtmatige daad, ook wanneer hij begaan wordt door een overheid, de gewone rechter op basis van artikel 1382 e.v. B.W. bevoegd is. Zodoende zou de rechtsonderhorige worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent, althans wat de termijn van rechtsvordering betreft. Dit zou tot gevolg hebben dat op een discriminerende manier jurisdictionele waarborgen aan rechtsonderhorigen worden ontzegd (37) .

Er is evenwel een bijkomende uitzondering op de ingang van de verjaringstermijn van 60 dagen : die begint slechts te lopen op voorwaarde dat de betekening het bestaan van het beroep en de vormvoorschriften en termijnen vermeldt. Hiermee wordt de bestaande regeling voor individuele rechtshandelingen overgenomen uit artikel 19, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, zodat rechtsonderhorigen dezelfde bescherming blijven genieten. Er wordt evenwel een bijkomende vereiste ingevoerd, die ook reeds geldt voor het fiscaal contentieux op grond van de wet van 1999 tot hervorming van de fiscale procedure : ook de rechtspersoon — verwerende partij moet worden vermeld. Inderdaad moet in huidige annulatieprocedure de verzoeker zich daar niet al te veel van aantrekken, omdat indien nodig de Raad zelf deze kan aanwijzen.

Bij de gewone rechter is dit anders, omdat die een specifieke rechtspersoon zal dienen te veroordelen, en niet zomaar uit eigen beweging een orgaan kan aanwijzen dat als tegenpartij dient te functioneren (38) .

Artikel 16

Ook indien de vordering wordt ingeleid bij verzoekschrift dient, zoals voor de Raad, een afschrift van de bestreden beslissing te worden bijgevoegd.

Artikel 17

Dit artikel regelt de behandeling van het kort geding tegen administratieve beslissingen met individuele strekking.

Het artikel voert een artikel 1036bis Ger.W. in om de procedure te regelen. Artikel 11, eerste lid, van het Koninklijk Besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bepaalt immers dat de verweerder over een termijn van 8 dagen beschikt om een nota in te dienen, terwijl bij het bestaande burgerrechtelijk kort geding geen termijn bepaald werd voor conclusie door de verwerende partij.

Indiener stelt voor verwerende partij dezelfde termijn van 8 dagen toe te kennen om conclusie te nemen.

Artikel 18

(Voorgestelde artt. 39/1-39/2)

Deze artikelen voeren een Raad voor Vreemdelingenzaken in, die in vluchtelingenzaken de beslissingen van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen hervormt indien dit kan en vernietigt indien dit moet, met name wanneer op grond van de bestaande of voorgelegde gegevens geen hervormingsbeslissing of weigeringsbeslissing genomen kan worden. De Raad heeft op het punt van vluchtelingenzaken dus volheid van rechtsmacht en wijst alleen terug naar het Hoog Commissariaat als er geen elementen voor een beslissing ten gronde voorhanden zijn.

Voor het overige treedt de raad als administratieve rechter op tegen alle beslissingen genomen in vreemdelingenzaken die geen vluchtelingenzaken zijn (met andere woorden tegen de overige beslissingen op grond van de wet van 15 december 1980).

Evenwel dient uitzondering gemaakt te worden inzake beslissingen van vrijheidsberoving, die overeenkomstig artikel 63 Vreemdelingenwet nog steeds voor de correctionele rechtbank (raadkamer) gebracht worden (zie artikel 71 e.v. Vreemdelingenwet).

De Raad is een administratief rechtscollege. De samenstelling en werking wordt al naargelang de noden door de Koning gewijzigd. Het nieuwe artikel 39/4 bepaalt evenwel als basis dat de Raad bestaat uit minstens tweeëndertig leden.

(Voorgestelde artt. 39/3)

Bepaalt dat de Raad jaarlijks een activiteitenverslag opmaakt.

(Voorgestelde artt. 39/4-39/11)

Deze artikelen regelen de samenstelling en werking van de Raad, met name van de verschillende kamers, de griffie, en de algemene vergadering.

Deze samenstelling en werking is gebaseerd op die van de Raad van State.

(Voorgestelde artt. 39/12-39/16)

Deze artikelen regelen het taalgebruik bij de Raad, zowel in de binnendiensten als door partijen en zijn gebaseerd op de artikelen 53 tot 63 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Merk evenwel op dat een vordering tot vernietiging in vluchtelingenzaken op straffe van nietigheid wordt ingediend in de taal van de initiële asielaanvraag.

(Voorgestelde artt. 39/17-39/25)

Regelen de benoeming van de leden van de Raad, alsmede van de griffiers.

De rechters in vreemdelingenzaken worden door de Koning benoemd uit een uitdrukkelijk gemotiveerde lijst met drie namen, voorgedragen door de Raad, nadat hij de ontvankelijkheid van de kandidaturen heeft onderzocht en de respectieve aanspraken en verdiensten van de kandidaten heeft vergeleken.

Bij de eerste samenstelling van de Raad, worden deze lijsten evenwel voorgedragen door de algemene vergadering van de Raad van State.

De algemene vergadering van de Raad kan een selectieproef organiseren waarvan zij de modaliteiten bepaalt. Zij beslist vooraf of er een reserve van geslaagden wordt aangelegd. De geldigheid van de wervingsreserve wordt bepaald op twee jaar.

Die regeling is deels gebaseerd op de benoeming van de leden en griffiers bij de Raad van State, en wat de korpschef betreft, op het Gerechtelijk Wetboek.

(Voorgestelde artt. 39/26-39/38)

Deze artikelen regelen de algemene rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenzaken. In artikel 39/26 is bepaald dat elke vreemdeling die getuigt van een benadeling of belang de betwiste beslissing voor de Raad kan brengen.

De vorderingen worden ingeleid bij verzoekschrift, zoals dit voor de Raad van State gebeurde.

Verder worden keuze van woonplaats, toezenden van het administratief dossier, rechtsweigering en wraking geregeld, gespiegeld aan de procedureregels voor de Raad van State.

Artikel 39/27 maakt voor wat de beroepstermijn betreft een onderscheid tussen asielzaken (nieuw artikel 39, § 1) en zaken betreffende de toegang, het verblijf en de vestiging (nieuw artikel 39, § 1). Voor het eerste is de beroepstermijn 15 en voor het tweede 30 dagen.

Ook de beslissing van de commissaris-generaal tot intrekken van de status van vluchteling is evenwel onderworpen aan de langere termijn, vermits hiertegen enkel annulatieberoep (en geen hervorming) mogelijk is.

De overige procedureregels worden overeenkomstig artikel 39/38 bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit geregeld.

(Voorgestelde artt. 39/39-39/46)

Deze artikelen bevatten de bepalingen die specifiek gelden voor de beroepen tegen beslissingen van de commissaris-generaal.

Artikel 39/39 bevat de bepalingen die moeten voorzien zijn in het verzoekschrift.

Artikel 39/40 bepaalt uitdrukkelijk dat het beroep bij de Raad elke beslissing tot verwijdering van de vreemdeling schorst. Ook zolang de beroepstermijn loopt kan de vreemdeling niet uitgewezen worden. Deze bepaling is een toepassing van de Europese rechtspraak, met name in het Conka-arrest (39) .

(Voorgestelde artt. 39/41-39/46)

Beschrijft de gewone procedure voor het indienen van een verzoek, gebaseerd op de procedure voor de Raad van State.

(Voorgesteld art. 39/47)

Deze artikelen regelen de versnelde procedure. Hierop kan de vreemdeling beroep doen die zich in een bepaalde plaats bevindt (artikel 74/8 Vreemdelingenwet) of ter beschikking is gesteld van de regering. De verwerende partij dient in deze procedure binnen de drie werkdagen in plaats van acht dagen het administratief dossier neer te leggen, en de zaak komt voor binnen de 5 dagen na ontvangst van dagstelling.

(Voorgestelde artt. 39/48-39/50)

Deze artikelen regelen het annulatieberoep. Het wordt eveneens ingediend bij verzoekschrift. Ook hier kan, gelet op het arrest Conka, geen verwijderingsmaatregel worden uitgevoerd lopende de procedure.

In artikel 39/50 wordt bepaald dat, wanneer het beroep tegen de beslissing samenhangt met een beslissing van de commissaris-generaal, deze laatste in princiepe voorrang heeft bij behandeling, tenzij de Raad in het belang van de rechtsbedeling beslist ze samen te behandelen.

(Voorgesteld art. 39/51)

Regelen de te volgen procedure bij annulatie, die op dezelfde wijze verloopt als de procedure inzake vluchtelingen.

(Voorgestelde artt. 39/52-39/55)

Regelen het administratief kort geding, en vervangen de schorsingsprocedure voor de Raad van State. De artikelen 39/52 en 39/55 behelzen de voorlopige maatregelen, gebaseerd op het Koninklijk Besluit van 5 december 1991 houdende de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State.

Artikel 24

De Vaste Beroepscommissie voor de vluchtelingen wordt opgeheven. Het is de bedoeling die te incorporeren in een « Raad voor Vreemdelingenzaken » die het statuut heeft van een administratieve rechtbank (40) .

Artikelen 19-35

Deze artikelen voeren technische wijzigingen in als gevolg van de opheffing van de vaste beroepscommissie.

Artikel 26 behandelt de positie van de vertegenwoordiger van het Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen van de VN in België, die overeenkomstig artikel 57/23bis Vreemdelingenwet alle stukken van de procedure kan inzien. Artikel 21, lid 1, b en c, van richtlijn 2005/85/EG bepaalt van zijn kant dat de Hoge Commissaris toegang moet kunnen hebben tot alle gegevens van de procedure van individuele asielverzoeken, zowel wat verloop als genomen beslissingen betreft, mits toestemming van de asielzoeker. Tevens moet de Hoge Commissaris in elke fase van de procedure zijn zienswijze kunnen geven in verband met individuele asielverzoeken. Een uitzondering voor de Raad van State (nu als cassatierechter) is verdedigbaar, doch volgens de steller is het noodzakelijk dat voor de Raad voor Vreemdelingenzaken de vertegenwoordiger wel zijn visie kan doen kennen als tussenkomende partij.

Artikel 35

Dit artikel regelt de inwerkingtreding. De artikelen betreffende de beroepen tegen bestuurshandelingen met individuele strekking treden in werking op een door de Koning te bepalen datum, maar alleszins binnen het jaar na publicatie.

Ook wordt in dit artikel bepaald dat het koninklijk besluit van inwerkingtreding de wedden bepaalt van de rechters, griffiers en het personeel. Deze wedden dienen evenwel dezelfde te zijn als die van de leden van de rechterlijke macht in vergelijkbare graden.

De hangende zaken worden afgehandeld voor de Raad van State op grond van de bestaande regeling.

Voor de nog niet ingeleide beroepen waarvan de beroepstermijn voor vernietiging nog niet is verstreken op het moment van inwerkingtreding, wordt een eenvormige verlenging voorzien tot 60 dagen na inwerkingtreding, zowel voor schorsing in kort geding als voor vernietiging.

Hugo VANDENBERGHE
Wouter BEKE
Sabine de BETHUNE
Mia DE SCHAMPHELAERE
Etienne SCHOUPPE
Jan STEVERLYNCK
Erika THIJS
Luc VAN DEN BRANDE
Marc VAN PEEL.

--------------------------------------------------------------------------------

WETSVOORSTEL

--------------------------------------------------------------------------------

Algemene bepaling

Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

Hoofdstuk 1

Wijziging van de gecoördineerde wetten op de Raad van State

Art. 2

Artikel 14, § 1, van de wetten van op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en vervangen bij de wet van 25 mei 1999, wordt vervangen als volgt :

« § 1. De afdeling doet uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de reglementen van de onderscheiden administratieve overheden.

Met reglementen in de zin van het eerste lid worden bedoeld de eenzijdige rechtshandelingen uitgaande van een administratieve overheid die op een algemene en abstracte wijze een rechtsregel formuleren. »

Art. 3

In artikel 17 van dezelfde wetten worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º in § 1, eerste lid, worden de woorden « een akte of » geschrapt;

2º in § 2, eerste lid, worden de woorden « de aangevochten akte of » geschrapt;

3º in § 3, derde lid, worden de woorden « de akte of » geschrapt;

4º in § 4bis worden de woorden « de akte of » geschrapt;

5º in § 4ter worden de woorden « een akte of » geschrapt;

6º in § 5 worden de woorden « een akte of » geschrapt;

7º in § 6, derde lid, worden de woorden « de akte of » geschrapt;

8º in § 7, worden de woorden « de akte of » geschrapt.

Art. 4

In artikel 18, eerste lid, van dezelfde wetten worden de woorden « een akte of » geschrapt.

Art. 5

Artikel 19, tweede lid, van dezelfde wetten wordt opgeheven.

Art. 6

Artikel 20 van dezelfde wetten, opgeheven bij wet van 24 maart 1994, wordt hersteld in de volgende lezing :

« Art. 20. — § 1. Het in artikel 14, § 2, bedoelde cassatieberoep wordt pas behandeld voor zover het toegestaan of toelaatbaar is verklaard met toepassing van § 2.

§ 2. Elk cassatieberoep wordt, zodra het op de rol is geplaatst, en op inzage van het verzoekschrift, onmiddellijk onderworpen aan een procedure van toelating.

Worden alleen toelaatbaar verklaard, de cassatieberoepen :

1º waarvan het onderzoek door de afdeling noodzakelijk blijkt om te zorgen voor de eenheid van de rechtspraak;

2º waarvoor de Raad van State niet onbevoegd of zonder rechtsmacht is om het beroep in cassatie te berechten of die niet zonder voorwerp, onontvankelijk of kennelijk ongegrond zijn;

3º waar een substantiële procedurefout wordt aangevoerd die gemaakt werd door het administratief rechtscollege en die daadwerkelijk van die aard was dat ze de strekking van de beslissing heeft beïnvloed.

§ 3. De eerste voorzitter, de voorzitter of de door de eerste voorzitter aangewezen kamervoorzitter of staatsraad, die ten minste drie jaar graadanciënniteit heeft, doet bij beschikking binnen de acht dagen na de inschrijving op de rol, uitspraak over de toelaatbaarheid van het cassatieberoep zonder terechtzitting en zonder dat de partijen worden gehoord.

De beschikking waarbij de toelating wordt geweigerd, vermeldt bondig de reden van weigering.

De beschikking wordt onmiddellijk ter kennis gebracht van de partijen in cassatie volgens de modaliteiten bepaald bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit. Dit koninklijk besluit kan eveneens de gevallen bepalen waarin kan worden volstaan met een kennisgeving van het dispositief en het voorwerp, alsook de vorm waarin en de voorwaarden waaronder deze beperkte kennisgeving aan de partijen geschiedt en de wijze waarop deze beschikkingen voor de partijen in hun totaalversie toegankelijk zijn.

Tegen de krachtens deze bepaling uitgesproken beschikkingen kan geen verzet noch derdenverzet worden aangetekend noch zijn ze vatbaar voor herziening.

§ 4. De procedure in cassatie wordt aangevat indien het cassatieberoep met toepassing van deze bepaling toelaatbaar is. De kamer bij wie het beroep aanhangig is, doet binnen zes maanden na de in § 3 bedoelde beschikking uitspraak over het cassatieberoep.

§ 5. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, de procedure met betrekking tot het in dit artikel bedoelde onderzoek van de toelaatbaarheid in cassatie. »

Hoofdstuk 2

Wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek

Art. 7

In artikel 207, § 3, 1º, van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij de wet van 22 december 1998, worden de woorden « of magistraat van het openbaar ministerie » vervangen door de woorden « , magistraat van het openbaar ministerie of als staatsraad bij de Raad van State, afdeling administratie, voor wat de aanstelling tot raadsheer in het hof van beroep betreft » toegevoegd.

Art. 8

In artikel 254, § 3, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij dezelfde wet, wordt het woord « of » vervangen door het zinsdeel « , als kamervoorzitter bij de Raad van State, afdeling administratie, of als ».

Art. 9

Artikel 355 van hetzelfde Wetboek, waarvan de bestaande tekst § 1 zal vormen, wordt aangevuld met een § 2, luidende :

« § 2. — De staatsraden en kamervoorzitters bij de Raad van State die overeenkomstig de artikelen 207, § 3, 1º, en 254, § 3, zijn benoemd worden evenwel verloond overeenkomstig de wet van 5 april 1955 inzake de wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State. »

Art. 10

Artikel 569, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij wet van 13 februari 2003, wordt aangevuld met een 34º, luidende :

« 34º van vorderingen tot nietigverklaring op grond van onwettigheid van eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een administratieve overheid en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een andere administratieve overheid of die uitgaan van wetgevende vergaderingen of van hun organen, daarbij inbegrepen de ombudsmannen ingesteld bij deze assemblees, van het Rekenhof en van het Arbitragehof, evenals van organen van de rechterlijke macht en van de Hoge Raad voor de Justitie met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel. »

Art. 11

In hetzelfde Wetboek wordt in de plaats van artikel 584bis, dat artikel 584ter wordt, een nieuw artikel 584bis ingevoegd, luidende :

« Art. 584bis. — Op straffe van onontvankelijkheid worden uitspraken bij voorraad betreffende de zaken bedoeld in artikel 569, 34º, voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg gebracht binnen de zestig dagen nadat de bestreden rechtshandelingen werden bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt, noch betekend dienden te worden, gaat de termijn in op de dag waarop de eiser er kennis heeft van gehad.

De voorzitter kan, op vraag van de eiser of ambtshalve, indien de omstandigheden dit vereisten, beslissen dat de zaak wordt doorverwezen naar een kamer met drie rechters.

Tegen deze beschikking staat geen rechtsmiddel open. »

Art. 12

In artikel 628 van hetzelfde Wetboek wordt een 23º ingevoegd, luidende :

« 23º in het geval van artikel 569, 34º, de rechter van de woonplaats van de eiser of van de zetel van het bestuur dat optreedt als eiser.

De Koning kan andere rechters in het rechtsgebied van het hof van beroep aanwijzen, die kennis nemen van geschillen zoals bedoeld bij artikel 569, 34º. »

Art. 13

Artikel 700 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een tweede lid, luidende :

« Indien de vorderingen tot nietigverklaring op grond van artikel 569, 34º, evenwel niet vergezeld gaan van een vordering in schadevergoeding, kunnen zij bij verzoekschrift op tegenspraak worden ingeleid. »

Art. 14

Artikel 702 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een 6º, luidende :

« 6º in het geval van toepassing van artikel 569, 34º, een afschrift van de bestreden beslissing. »

Art. 15

In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 705bis ingevoegd, luidende :

« Art. 705bis. — In de zaken bedoeld in artikel 569,34º, wordt de dagvaarding of het verzoekschrift op straffe van onontvankelijkheid ingeleid binnen de zestig dagen nadat de bestreden rechtshandelingen werden bekendgemaakt of betekend.

De in het vorige lid bedoelde verjaringstermijn begint evenwel slechts te lopen op voorwaarde dat de betekening door de administratieve overheid van de rechtshandeling bedoeld in artikel 569, 34º, het bestaan van dit beroep, de rechtspersoon die dient aangewezen te worden als verwerende partij alsmede de in acht te nemen vormvoorschriften en termijnen vermeldt.

Indien ze noch bekendgemaakt, noch betekend dienden te worden, gaat de termijn in op de dag waarop de eiser er kennis heeft van gehad. »

Art. 16

Artikel 1034ter van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een 7º, luidende :

« 7º in het geval van toepassing van artikel 569, 34º, een afschrift van de bestreden beslissing. »

Art. 17

In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 1036bis ingevoegd, luidende :

« Art. 1036bis. — In de zaken bedoeld in artikel 584bis beschikt de verwerende partij over acht dagen na de overlegging van de stukken om conclusies ter griffie neer te leggen of ze aldaar verzenden.

Zij dienen terzelfder tijd te worden toegezonden aan de eiser.

De na deze termijn neergelegde conclusies worden ambtshalve uit de debatten geweerd. »

Hoofdstuk 3

Wijzigingen van de Vreemdelingenwet

Art. 18

In de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wordt onder het opschrift « De Raad voor Vreemdelingenzaken » een titel Ibis ingevoegd, die de artikelen 39/1 tot 39/55 bevat, luidende :

« TITEL IBIS. — DE RAAD VOOR VREEMDELINGENZAKEN

HOOFDSTUK I — Instelling en rechtsmacht van de Raad voor Vreemdelingenzaken

« Art. 39/1. — Er is een Raad voor Vreemdelingenzaken, verder « De Raad » genoemd.

De Raad is een administratief rechtscollege dat, behoudens wat betreft de beslissingen bedoeld bij artikel 63, als enige bevoegd om kennis te nemen van de beroepen die worden ingesteld tegen beslissingen met individuele strekking genomen met toepassing van de wetten betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.

De Koning bepaalt de zetel van de Raad die is gevestigd op het grondgebied van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.

De Koning kan, al naargelang de noden van de dienst, bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit, de samenstelling en werking van de Raad aanpassen.

De kredieten voor de werking van de Raad worden ingeschreven op de begroting van federale overheidsdienst Binnenlandse Zaken.

Art. 39/2. — § 1. De Raad doet uitspraak op de beroepen die zijn ingesteld tegen de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen.

De Raad kan :

1º de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bevestigen of hervormen;

2º de bestreden beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vernietigen bij schending van een substantiële en op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste die door de Raad niet kan worden hersteld, hetzij omdat in de beslissing essentiële elementen ontbreken die de in 1º bedoelde bevestiging of hervorming onmogelijk maken zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen.

Wanneer evenwel bij het onderzoek van de bestreden beslissing blijkt dat het ontbreken van essentiële elementen het gevolg is van feiten of handelingen die zijn tussengekomen na de bestreden beslissing, kan de Raad evenwel beslissen deze elementen te onderzoeken alvorens de in 1º of 2º bedoelde bevestigings-, hervormings- of vernietigingsbeslissing te nemen.

In afwijking van het eerste lid, staat tegen de in artikel 57/6, eerste lid, 2º, bedoelde beslissing enkel het in § 2 bedoelde annulatieberoep open.

§ 2. De Raad doet uitspraak als annulatierechter tegen de beslissingen die ten aanzien van vreemdelingen, andere dan vluchtelingen, worden genomen op grond van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.

Art. 39/3. — Jaarlijks wordt door de Raad een activiteitenverslag van het voorbije gerechtelijk jaar opgemaakt en bekendgemaakt. Dit verslag bevat onder meer een overzicht van de stand van zaken die aanhangig zijn, en het aantal genomen hervormings-, bevestigings-, of vernietigingsbeslissingen.

HOOFDSTUK II — De inrichting van de Raad

Afdeling 1 — De samenstelling van de Raad

Art. 39/4. — De Raad bestaat uit minstens tweeëndertig leden, zijnde een eerste voorzitter, een voorzitter, vier kamervoorzitters en zesentwintig rechters in vreemdelingenzaken.

In de Raad is er een griffie die wordt gehouden door een hoofdgriffier die wordt bijgestaan door acht griffiers.

Bij de Raad is er een beheerder en administratief personeel.

Art. 39/5. — § 1. De eerste voorzitter oefent het mandaat van korpschef uit. Hij staat in voor het opmaken van een beleidsplan. De eerste voorzitter bepaalt de samenstelling van de kamers.

§ 2. De kamers worden voorgezeten door een kamervoorzitter of door de voorzitter wat zijn kamer betreft. Bij zijn ontstentenis wordt het voorzitterschap waargenomen door het oudstbenoemde aanwezige lid van de Raad. De eerste voorzitter houdt volgens de behoeften van de dienst zitting in de kamers in welk geval hij die voorzit.

§ 3. De kamervoorzitter oefent een mandaat uit. De houder van het mandaat van kamervoorzitter neemt de leiding van en is belast met de organisatie van de kamer. Hij brengt hierover geregeld verslag uit bij de eerste voorzitter of voorzitter naargelang het geval.

§ 4. De kamervoorzitter waakt er over dat de eenheid van de rechtspraak wordt gevrijwaard en neemt de nodige maatregelen om hierin te voorzien.

Wanneer hij oordeelt dat, om de eenheid van de rechtspraak in de kamer te verzekeren, een zaak met drie rechters dient te worden behandeld, beveelt hij de verwijzing naar een aldus samengestelde zetel.

Hij deelt onverwijld aan de eerste voorzitter en voorzitter de zaken mee die, naar zijn mening, door de algemene vergadering dienen te worden behandeld ten einde de eenheid van de rechtspraak te verzekeren.

Art. 39/6. — De hoofdgriffier is belast met de leiding van de griffie en staat daarbij onder leiding en toezicht van de eerste voorzitter.

De eerste voorzitter wijst in samenspraak met de voorzitter en na advies van de hoofdgriffier en de betrokken kamervoorzitter, de leden van de griffie aan die de kamervoorzitter bijstaan.

Afdeling 2 — De kamers

Art. 39/7. — § 1. Er zijn in de Raad zes kamers, waarvan één wordt voorgezeten door de voorzitter, twee kennis nemen van de zaken in het Nederlands, twee in het Frans en een van de tweetalige zaken.

De eerste voorzitter kan aanvullende kamers samenstellen, indien het aantal ingediende zaken dit vereist.

De Nederlandstalige kamers, samengesteld uit leden die bewijzen het Nederlands machtig te zijn, nemen kennis van alle zaken die in het Nederlands moeten worden behandeld. De Franstalige kamers, samengesteld uit leden die bewijzen het Frans machtig te zijn, nemen kennis van alle zaken die in het Frans moeten worden behandeld. De tweetalige kamer, samengesteld uit leden die bewijzen het Nederlands en het Frans machtig te zijn, neemt kennis van de zaken die de wet haar opdraagt.

De kamer van de voorzitter, die bestaat uit leden die het bewijs leveren dat zij het examen van doctor, licentiaat of master in de rechten hebben afgelegd in dezelfde taal, Nederlands of Frans, als de voorzitter, neemt kennis van zaken die in de taal van zijn diploma moeten worden behandeld.

Elke kamer bestaat uit ten minste drie leden.

De eerste voorzitter wijst de leden aan die deel uitmaken van de tweetalige kamer, na samenspraak met de voorzitter.

§ 2. Het reglement van orde dat door de algemene vergadering wordt vastgesteld en door de Koning wordt goedgekeurd, bepaalt inzonderheid de bevoegdheid van elke kamer en het aantal rechters in vreemdelingenzaken dat er aan verbonden is. Het bepaalt tevens welke kamer kennis neemt van zaken in het Duits of van tweetalige zaken alsook hun samenstelling.

Het reglement ligt ter inzage op de griffie en wordt bekendgemaakt op de wijze bepaald door de Koning.

Art. 39/8. — De kamers houden zitting met één lid.

Zij houden evenwel zitting met drie leden :

1º in de zaken die aan de tweetalige kamer zijn opgedragen;

2º wanneer de Raad geroepen wordt om zaken die na cassatie verwezen zijn, te berechten;

3º wanneer de kamervoorzitter om de eenheid van rechtspraak te verzekeren, toepassing maakt van artikel 39/5, § 3, tweede lid.

De kamervoorzitter kan, als verzoeker daarom op gemotiveerde wijze vraagt in zijn verzoekschrift of ambtshalve, bevelen dat een zaak wordt verwezen naar een kamer met drie leden wanneer de juridische moeilijkheid of het belang van de zaak dan wel bijzondere omstandigheden daartoe grond opleveren.

Afdeling 3 — De algemene vergadering

Art. 39/9. — De algemene vergadering van de Raad is samengesteld uit de leden van de Raad, vermeld in artikel 39/4, eerste lid.

De algemene vergadering wordt voorgezeten door de eerste voorzitter of, bij ontstentenis, door de voorzitter. Bij ontstentenis van beiden wordt het voorzitterschap waargenomen door de oudst aangewezen kamervoorzitter of, in voorkomend geval, door de oudstbenoemde onder de aanwezige rechters in vreemdelingenzaken.

Met uitzondering van de zittingen bedoeld in 39/10, woont de beheer



Terug naar het overzicht