Wetsvoorstel
02-03-2006

Sabine de Bethune - Hugo Vandenberghe

Wetsvoorstel ter correctie van verschillende wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet (3-1600)

Ingediend door mevrouw Anne-Marie Lizin c.s.
 


TOELICHTING

--------------------------------------------------------------------------------

Dit wetsvoorstel hangt nauw samen met het wetsvoorstel ter correctie van verschillende wetten (stuk, Senaat, nr. 3-1065/1). Beide voorstellen brengen louter wetstechnische correcties aan in verschillende wetten. Dit wetsvoorstel bevat de correcties van een aantal wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet. Het wetsvoorstel nr. 3-1065/1 corrigeert wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Voor de algemene toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij het wetsvoorstel ter correctie van verschillende wetten.

COMMENTAAR BIJ DE ARTIKELEN
Hoofdstuk 1

Algemene bepaling

Artikel 1

Dit artikel geeft aan welke aangelegenheid de tekst beoogt te regelen.

Hoofdstuk 2

Wijzigingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken

Artikel 2

De Nederlandse tekst van artikel 6, § 2, laatste lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken verschilt van de Franse tekst. De zin « Le juge statue sur-le-champ » werd niet vertaald in het Nederlands. Dit wetsvoorstel voegt de zin « De rechter doet op staande voet uitspraak » in, naar het voorbeeld van de artikelen 4 en 7bis van die wet.

Artikel 3

Artikel 30, eerste lid, van dezelfde wet luidt als volgt :

« Art. 30. — Voor al de burgerlijke rechtbanken en rechtbanken van koophandel, gebruiken de persoonlijk ter zitting verschijnende partijen, voor al haar gezegden en verklaringen, de taal die zij verkiezen. Hetzelfde geldt voor het verhoor over feiten en vraagpunten en voor den gedingbeslissenden en den aanvullenden eed. »

Het Gerechtelijk Wetboek schafte het verhoor over feiten en vraagpunten af. Het kan in deze tekst worden vervangen door het verhoor van partijen.

Artikel 4

In artikel 43 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken wordt verwezen naar « de bepalingen van § 9 » en « de in § 9 voorziene examencommissie ». Paragraaf 9 werd echter impliciet opgeheven door de wet van 10 oktober 1967. Artikel 43 moet sindsdien verwijzen naar artikel 43quinquies.

Artikel 5

a) Artikel 53, § 1, derde lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtzaken luidt als volgt :

« De griffiers die zetelen in de Vlaamse kamers van het hof van beroep te Luik moeten enkel het bewijs leveren van hun kennis van het Nederlands. »

Er zijn geen Vlaamse kamers meer in het hof van beroep te Luik sinds de oprichting van het hof van beroep te Antwerpen door de wet van 26 juni 1974. De bepaling kan bijgevolg worden opgeheven.

b) Artikel 53, § 2, tweede lid, eerste zin, van dezelfde wet luidt als volgt :

« Evenwel moeten de griffiers die verbonden zijn aan een Franse kamer van het hof van beroep te Gent, het bewijs leveren van de kennis van de Franse taal. »

Er zijn geen Franse kamers meer in het hof van beroep te Gent.

c) Artikel 53, § 3, eerste lid, van dezelfde wet luidt als volgt :

« In het arrondissement Brussel kan niemand worden benoemd tot het ambt van griffier bij een der aldaar gevestigde rechtscolleges, de hoven en, in oorlogstijd, een militaire rechtbank uitgezonderd, indien hij het bewijs niet levert van de kennis van beide landstalen. »

België heeft drie landstalen : het Nederlands, het Frans en het Duits. De twee landstalen waarnaar de betrokken bepaling verwijst, zijn het Nederlands en het Frans.

Hoofdstuk 3

Wijzigingen van de wet van 19 juli 1945 strekkend tot het voorzien in de uitvoering van artikel 82 van de Grondwet

Artikelen 6 en 7

De wet van 19 juli 1945 strekkend tot het voorzien in de uitvoering van artikel 82 van de Grondwet verwijst zowel in het opschrift als in het enige artikel naar het oude artikel 82 van de Grondwet, dat nu artikel 93 van de Grondwet is.

Hoofstuk 4

Wijzigingen van de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting

Artikel 8

De Nederlandse tekst van artikel 1 van de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting luidt als volgt :

« kan in de plaatsen bij de Hoven van beroep van het Rijk voorzien worden volgens de onderstaande tabel : »

Er wordt voorgesteld artikel 1 te laten aanvangen met het woord « Er ». Ook in de Franse tekst wordt een kleine aanpassing aangebracht : het woord « il » wordt vervangen door het woord « Il ».

Artikel 9

Artikel 5 van dezelfde wet luidt als volgt :

« Art. 5. — Niettegenstaande het bepaalde in artikel 4, kan de Koning voorzien in de vervanging van magistraten die, overeenkomstig artikel 33 van de wet van 18 October 1908, gewijzigd bij de wet van 18 Mei 1929 of artikel 188bis van de wet van 18 Juni 1869, gewijzigd bij de wet van 28 Juli 1952, ertoe gemachtigd zijn een post in de magistratuur van de Kolonie of een rechterlijk ambt bij een internationaal organisme in België of in het buitenland te aanvaarden. »

Deze bepaling kan worden opgeheven. De vervanging van magistraten die een ambt opnemen bij een internationale, supranationale of buitenlandse instelling, wordt geregeld door artikel 309 van het Gerechtelijk Wetboek. De regeling voor de vervanging van magistraten die een post in de magistratuur van de Kolonie aanvaarden, heeft evenmin nog enige zin.

Hoofdstuk 5

Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek

Artikelen 10 en 11

In de artikelen 151 en 153 van het Gerechtelijk Wetboek is de verwijzing naar artikel 326, eerste lid, niet langer correct. Artikel 326 werd door de wet van 12 april 2004 ingedeeld in paragrafen. De artikelen 151 en 153 moeten verwijzen naar artikel 326, § 1.

Artikel 12

Artikel 156ter, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek verwijst naar artikel 186, vierde lid, in plaats van naar artikel 186, vijfde lid.

Artikel 13

De Franse tekst van artikel 259quinquies, § 2, laatste lid, laatste zin, luidt als volgt :

« Le cas échéant, le surnombre disparaît lorsque se libère un mandat du même rang devient vacant. »

De woorden « devient vacant » zijn er teveel aan.

Artikel 14

Artikel 613, 4º, van het Gerechtelijk Wetboek luidt als volgt :

« Art. 613. Het Hof van Cassatie doet uitspraak :

4º over de conflicten van attributie, ter uitvoering van artikel 106 van de Grondwet. »

Artikel 106 van de Grondwet is artikel 158 van de gecoördineerde Grondwet.

Artikel 15

Ook artikel 615 van het Gerechtelijk Wetboek verwijst naar een artikel van de oude Grondwet :

« Art. 615. — Buiten de bevoegdheid toegekend bij de artikelen 409, 410 en 486 en bij artikel 90 van de Grondwet, neemt het Hof van Cassatie in algemene vergadering kennis van de vorderingen tot ontzetting uit hun ambt of tot schorsing, ingesteld tegen leden van de Raad van State. »

Artikel 90 is artikel 113 van de gecoördineerde Grondwet.

Artikel 16

Artikel 5 van het Bijvoegsel bij het Gerechtelijk Wetboek « Gebiedsomschrijving en zetel van hoven en rechtbanken » verwijst naar artikel 104 van de oude Grondwet, dat nu artikel 156 is. Voorts bepaalt dit artikel nog dat het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel zich uitstrekt over de provincie Brabant. Het rechtsgebied omvat nu echter de provincies Vlaams- en Waals-Brabant en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad (zie artikel 156 van de Grondwet).

Anne-Marie LIZIN.
Myriam VANLERBERGHE.
Paul WILLE.
Philippe MAHOUX.
Christine DEFRAIGNE.
Sabine de BETHUNE.
Clotilde NYSSENS.

--------------------------------------------------------------------------------

WETSVOORSTEL

--------------------------------------------------------------------------------

Hoofdstuk 1

Algemene bepaling

Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.

Hoofdstuk 2

Wijzigingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken

Art. 2

In artikel 6, § 2, laatste lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtzaken, wordt voor de eerste volzin de volgende zin ingevoegd :

« De rechter doet op staande voet uitspraak. »

Art. 3

In artikel 30, eerste lid, van dezelfde wet, worden de woorden « verhoor over feiten en vraagpunten » vervangen door de woorden « verhoor van partijen ».

Art. 4

In artikel 43 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º in § 11, tweede lid, worden de woorden « § 9 » vervangen door de woorden « artikel 43quinquies »;

2º in § 12, eerste lid, gewijzigd bij de wet van 23 september 1985, worden de woorden « § 9 » vervangen door de woorden « artikel 43quinquies ».

Art. 5

In artikel 53 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º § 1, derde lid, ingevoegd bij de wet van 15 februari 1961, wordt opgeheven;

2º § 2, tweede lid, eerste zin, vervangen bij de wet van 10 april 2003, wordt opgeheven;

3º in § 3, eerste lid, gewijzigd bij de wet van 21 december 1994, worden de woorden « beide landstalen » vervangen door de woorden « het Nederlands en het Frans ».

Hoofdstuk 3

Wijzigingen van de wet van 19 juli 1945 strekkend tot het voorzien in de uitvoering van artikel 82 van de Grondwet

Art. 6

In het opschrift van de wet van 19 juli 1945 strekkend tot het voorzien in de uitvoering van artikel 82 van de Grondwet worden de woorden « artikel 82 » vervangen door de woorden « artikel 93 ».

Art. 7

In het enig artikel van dezelfde wet worden de woorden « artikel 82 » vervangen door de woorden « artikel 93 ».

Hoofdstuk 4

Wijzigingen van de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting

Art. 8

In artikel 1 van de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting, gewijzigd bij de wet van 10 november 1970, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º het woord « Er » wordt in limine ingevoegd;

2º in de Franse tekst wordt het woord « il » vervangen door het woord « Il ».

Art. 9

Artikel 5 van dezelfde wet wordt opgeheven.

Hoofdstuk 5

Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek

Art. 10

In artikel 151, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij wet van 3 mei 2003, worden de woorden « artikel 326, eerste lid » vervangen door de woorden « artikel 326, § 1 ».

Art. 11

In artikel 153, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 28 december 1990, worden de woorden « artikel 326, eerste lid » vervangen door de woorden « artikel 326, § 1 ».

Art. 12

In artikel 156ter, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 maart 1999 en gewijzigd bij de wet van 22 december 2003, wordt het woord « vierde » vervangen door het woord « vijfde ».

Art. 13

In de Franse tekst van artikel 259quinquies, § 2, tweede lid, laatste zin, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 22 december 1998, vervallen de woorden « devient vacant ».

Art. 14

In artikel 613, 4º, van hetzelfde Wetboek worden de woorden « artikel 106 » vervangen door de woorden « artikel 158 ».

Art. 15

In artikel 615 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « artikel 90 » vervangen door de woorden « artikel 103 ».

Art. 16

In artikel 5 van het Bijvoegsel bij het Gerechtelijk Wetboek — Gebiedsomschrijving en zetel van hoven en rechtbanken, vervangen bij de wet van 26 juni 1974, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º in de inleidende zin worden de woorden « artikel 104 » vervangen door de woorden « artikel 156 »;

2º in het 2º worden de woorden « de provincie Brabant » vervangen door de woorden « de provincies Vlaams-Brabant en Waals-Brabant en het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad ».

Hoofdstuk 6

Slotbepaling

Art. 17

Deze wet wordt « Correctiewet II » genoemd.

Anne-Marie LIZIN.
Myriam VANLERBERGHE.
Paul WILLE.
Philippe MAHOUX.
Christine DEFRAIGNE.
Sabine de BETHUNE.
Clotilde NYSSENS.



Terug naar het overzicht