Wetsvoorstel
02-03-2006

Sabine de Bethune

Wetsvoorstel ter correctie van verschillende wetten (3-1599)

Ingediend door mevrouw Anne-Marie Lizin c.s.
 


TOELICHTING

1. Inleiding

De wet is niet altijd volmaakt. Geregeld vertoont een wet kleine technische onvolkomenheden : er ontbreken woorden, er staan woorden te veel, de zin loopt fout, de nummering klopt niet, de verwijzing is verkeerd, de Nederlandse tekst zegt iets anders dan de Franse, ... Dit soort onvolkomenheden kan men verzamelen onder de noemer « wetstechnische gebreken ».

Wetstechnische gebreken hebben de vervelende eigenschap dat ze vrij gemakkelijk in de wettekst sluipen, doch er slechts moeizaam terug uit verdwijnen. Soms blijven ze lange tijd onopgemerkt. Soms worden ze wel ontmaskerd, maar getroost de wetgever zich de moeite niet om, voor die ene technische onvolkomenheid, een reparatiewet te maken. Ook technische fouten in een wet kunnen immers alleen worden gecorrigeerd met een nieuwe wet. Die procedure wordt echter vaak te omslachtig bevonden.

Technische onvolkomenheden worden soms wel hersteld als onderdeel van een ruimere wijziging van de betrokken wettekst. Vaak is het echter lang wachten op die ruimere wijziging of is de wetgever het gebrek inmiddels reeds vergeten.

De indieners van dit wetsvoorstel kiezen voor een meer gestructureerde aanpak. In plaats van ieder gebrek met een afzonderlijk wetgevend ingrijpen aan te pakken, corrigeert het voorstel de fouten in een heel pakket wetten. Dit wetsvoorstel herstelt 189 technische gebreken in 70 wetten. Daardoor worden veel tijd en wetgevingscapaciteit bespaard.

Deze techniek is overigens niet nieuw. Hij wordt al enkele jaren met succes toegepast in Canada en Nederland. In beide landen geldt deze werkwijze als een doeltreffende formule om wetstechnische gebreken snel te herstellen, zonder daarbij de agenda van de wetgever te zeer te belasten.

2. Wetstechnische gebreken

Dit wetsvoorstel beoogt niets meer dan een zuiver technische correctie van fouten in de wetgeving. Aan de inhoudelijke draagwijdte van de bestaande wetgeving wordt niets gewijzigd.

De wetstechnische gebreken die de Belgische wetgeving aantasten en die in dit wetsvoorstel worden gecorrigeerd, kunnen worden opgedeeld in vier categorieën.

1. Een eerste categorie bevat de verschrijvingen. Het gaat om teksten waarin te veel woorden staan, woorden ontbreken of de zinsconstructie om een andere reden gebrekkig is.

Verschrijvingen bestaan in verschillende gradaties. Soms belemmeren zij de vlotte lectuur van een wettekst, zonder de tekst daardoor onbegrijpelijk te maken. Daarvan getuigt de Franse tekst van artikel 259quinquies, § 2, laatste lid, laatste zin, van het Gerechtelijk Wetboek :

« Le cas échéant, le surnombre disparaît lorsque se libère un mandat du même rang devient vacant. » (1)

Soms vergt een verschrijving al wat meer denkwerk van de lezer. Zo vermeldt de wet van 19 november 2004 tot invoering van een heffing op omwisselingen van deviezen, bankbiljetten en munten, de « belastbare handleiding » in plaats van de « belastbare handeling » (2) .

In enkele gevallen wordt de rechtsgebruiker zelfs volledig op het verkeerde been gezet. Artikel 802 van het Burgerlijk Wetboek heeft het over de « schuldenaars », maar bedoelt de « schuldeisers » :

« Ingevolge het voorrecht van boedelbeschrijving wordt de vermenging van de boedels verhinderd ten aanzien van de erfgenaam zowel als ten aanzien van de schuldenaars en de legatarissen. » (3)

De Nederlandse tekst van artikel 409, derde lid, van het Wetboek van vennootschappen biedt een « mooi » voorbeeld van de chaos waartoe een verschrijving kan leiden :

« De benadeelde schuldeiser die een rechtsvordering instelt, brengt de curator toegekend door de rechter beperkt tot het nadeel geleden door de schuldeisers die de vordering hebben ingesteld. » (4)

De Franse tekst van artikel 1703 van het Gerechtelijk Wetboek illustreert dan weer dat het wegvallen van één woord een heel andere wending aan een tekst kan geven :

« À moins que la sentence ne soit contraire à l'ordre public ou que le litige ne soit (pas) susceptible d'être réglé par la voie de l'arbitrage, la sentence arbitrale a l'autorité de la chose jugée lorsqu'elle a été notifiée conformément à l'article 1702, alinéa 1er, et qu'elle ne peut plus être attaquée devant les arbitres. » (5)

2. De tweede categorie technische gebreken bevat de legistieke fouten. Dit omvat vooreerst de foutieve nummering van titels, hoofdstukken, artikelen en onderdelen van artikelen. Zo komt Boek II, Titel V, Hoofdstuk VIIbis, van het Strafwetboek, na Hoofdstuk VIII (6) . In de wet van 9 januari 2000 betreffende grensoverschrijdende geldoverschrijvingen en betalingen, bevinden de artikelen 11bis tot 11quinquies zich na artikel 12 (7) . Artikel 55 van de wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs, bevat tweemaal een § 5 (8) .

Het zijn euvels die op zich al niet bevorderlijk zijn voor een vlotte lectuur van de wet, maar hun hinderlijke gevolgen kunnen ver doorwerken. Zo bevat artikel 154ter, § 1, eerste lid, van de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen, tweemaal een 4º. Bovendien verwijst het tweede lid naar de adviezen bedoeld in het eerste lid, 4º en 5º (9) . Over welk 4º gaat het ? Over het eerste, het tweede of allebei ?

Ook de zeer talrijke groep van verkeerde verwijzingen vindt onderdak in deze categorie. Wanneer een wetsbepaling wordt gewijzigd, vernummerd of opgeheven, moet worden nagegaan of andere wetsbepalingen die naar de eerste bepaling verwijzen, niet op hun beurt moeten worden gewijzigd of zelfs opgeheven. Dat is een oefening die de wetgever vaak niet of slechts ten dele maakt. Daardoor wordt de rechtsgebruiker geregeld op het verkeerde pad gestuurd of zelfs in een doodlopend straatje achtergelaten.

Tot deze groep behoren ook de vele verwijzingen naar opgeheven wetten en wetboeken, bijvoorbeeld de verwijzingen naar het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (10) , dat in 1967 werd opgeheven, of naar de artikelen van de « oude » Grondwet (11) .

3. De derde categorie technische gebreken betreft de verouderde bepalingen. Een bepaling kan verouderd zijn doordat zij geen rekening houdt met nieuwe terminologie. Zo heeft artikel 81 van de wet van 5 juni 1928 houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en de zeevisserij het nog steeds over de « waterschout », al werd dat begrip door de wet van 3 mei 1999 ingeruild voor « de met de politie te water belaste hoofden van de federale politie » (12) . De wet van 19 mei 1998 gomde dan weer alle « scheidsrechterlijke uitspraken » uit het Gerechtelijk Wetboek, ten voordele van de « arbitrale uitspraken ». Maar toch vulde die wet zelf artikel 1702 van het Gerechtelijk Wetboek aan met een tweede lid, dat bepaalt dat hoger beroep kan worden ingesteld binnen één maand vanaf de betekening van ... de scheidsrechterlijke uitspraak (13) .

Andere bepalingen hinken dan weer achterop bij de institutionele evolutie. In de wet op het gebruik der talen in gerechtszaken heeft het hof van beroep te Luik nog « Vlaamse kamers » en dat te Gent nog « Franse kamers » (14) . De splitsing van de provincie Brabant is nog niet tot alle wetten doorgedrongen (15) . Ook « de Kolonie » duikt nog in sommige wetten op (16) .

4. De vierde categorie is een klassieke struikelsteen voor iedere wetgever die zijn wetten in twee of meer authentieke taalversies moet opstellen : de versie in de ene taal verschilt wel eens van de versie in de andere taal.

Volgens de Nederlandse wettekst mag een privé-detective geen informatie inwinnen omtrent de raciale of etnische herkomst van de personen die het voorwerp zijn van zijn activiteiten. In de Franse versie mag hij geen informatie inwinnen over de « origines sociales ou ethniques » van die personen (17) .

Dit zijn technische onvolkomenheden die vaak lang onopgemerkt blijven, aangezien slechts weinig rechtsgebruikers beide taalversies van de wettekst raadplegen.

3. Nood aan correctie

Technische fouten bemoeilijken de lectuur, de interpretatie en de toepassing van de wet. Zij zijn een bron van onnodige irritaties en ongemak.

Technische fouten kunnen zelfs rechtsongelijkheid tot gevolg hebben. Artikel 8, § 2, van de drugswet van 24 februari 1921 biedt hiervan een sprekend voorbeeld (18) . Dat artikel bestraft degenen die zich verzetten tegen bezichtiging, inspectie of monsterneming door ambtenaren, wanneer die daden betrekking hebben op verdovende middelen. De Franse tekst bestraft het misdrijf met een gevangenisstraf van « trois à cinq ans », de Nederlandse tekst met een gevangenisstraf van « drie maanden tot vijf jaar ». Het verschil tussen de minimumstraffen bedraagt twee jaar en negen maanden. Welke straf de beklaagde krijgt, kan afhankelijk zijn van de taalversie die de betrokken magistraat voor ogen heeft, en dus van het toeval.

De wetgever heeft de plicht om gebrekkige wetgeving te herstellen. Uiteraard moet hij een rechtsregel die strijdig is met het gelijkheidsbeginsel of het rechtszekerheidsbeginsel, zo snel mogelijk bijsturen. De zorgvuldigheidsplicht van de wetgever houdt echter ook in dat de wet duidelijk, leesbaar, begrijpelijk en coherent is.

4. Een algemene reparatiewet

Het herstellen van wetstechnische gebreken is een arbeidsintensieve aangelegenheid. In de afweging tussen de kosten (tijd, belasting van de wetgevende agenda) en de baten (correcte wetgeving) van een reparatiewet, moeten de baten geregeld het onderspit delven. Ook een reparatiewet moet de wetgevingsprocedure immers volledig doorlopen : indiening van een wetsvoorstel, inoverwegingneming, behandeling door een commissie en goedkeuring door de plenaire vergadering van de assemblee. Nadien moet ook de andere Kamer zich over de tekst buigen. Bovendien dringen reparatiewetten slechts moeizaam door in de agenda van de wetgever.

Buitenlandse voorbeelden (zie hieronder, punt 5) leren dat brede, algemene reparatiewetten zich beter lenen voor het raderwerk van de wetgevingsprocedure. Zij vergen, naar verhouding, veel minder tijd en formalisme dan een veelheid aan punctuele wetsvoorstellen.

De passage doorheen de wetgevingsprocedure verloopt nog vlotter naarmate de reparatiewet een zuiver technisch en corrigerend karakter heeft. Wanneer de wetgever enkel de technisch gebrekkige uitwerking van oude keuzes moet corrigeren, zonder nieuwe inhoudelijke, politieke keuzes te moeten maken, verloopt het besluitvormingsproces veel eenvoudiger en sneller. Om die reden heeft dit wetsvoorstel, zoals hoger reeds werd aangehaald, een exclusief technisch karakter. Correcties die een beleidskeuze inhouden of die de draagwijdte van de wet wijzigen, werden niet in het voorstel opgenomen.

5. Buitenlandse voorbeelden

a) Canada

In Canada bestaat sinds 1975 een « programme de correction des lois », — een programma ter verbetering van de wetten. De afdeling Wetgeving van het ministerie van Justitie inventariseert er de anomalieën, tegenstrijdigheden, verouderde bepalingen en andere technische gebreken van de wetten. Eenieder kan die onvolkomenheden aan de afdeling meedelen. Regelmatig wordt dit verzameld in een algemeen wetsontwerp tot correctie van technische fouten in de wetgeving (19) .

Een voorstel tot correctie wordt bovendien slechts in dit ontwerp opgenomen wanneer het voldoet aan de volgende voorwaarden :

— er mag geen controverse over bestaan;

— het mag niet leiden tot bijkomende overheidsuitgaven;

— het mag geen rechten aantasten;

— het mag geen nieuw misdrijf in het leven roepen of de draagwijdte van een bestaande repressieve tekst verruimen.

De tekst wordt vervolgens bestudeerd in de beide Kamers van het federale Parlement, veelal door de commissies bevoegd voor de Justitie. Beide Kamers kunnen nieuwe wijzigingsvoorstellen aan de tekst toevoegen of voorgestelde wijzigingen schrappen. Traditioneel wordt een voorstel geschrapt zodra het aanleiding geeft tot enige controverse.

Het ontwerp mondt uiteindelijk uit in een « correctiewet » (« loi corrective » of « Miscellaneous Statutes Amendment Act ») (20) . Zo werden er correctiewetten uitgevaardigd in 1977, 1978, 1981, 1984, 1987, 1992, 1993, 1994, 1999 en 2001.

b) Nederland

Ook in Nederland wordt sedert enige jaren werk gemaakt van een systematische correctie van technische fouten in de wetgeving. Op 28 januari 1999 kwam een eerste algemene reparatiewet tot stand, met als opschrift « wet tot herstel van wetstechnische gebreken en leemten in diverse wetten alsmede intrekking van enkele wetten die geen betekenis meer hebben. » Nadien werden nog verschillende technische reparatiewetten uitgevaardigd, weze het meestal op nauwer afgebakende domeinen (« departementale reparatiewetten ») (21) .

De bedoeling is om op een efficiënte wijze zuiver technische onvolkomenheden in de wetgeving te herstellen. Iedere correctie die een beleidsinhoudelijke wijziging met zich brengt, wordt uit de ontwerptekst geschrapt.

In Nederland werd voor deze techniek geopteerd, omdat dit de meest doeltreffende wijze blijkt om wetstechnische gebreken te herstellen. Men stelt immers vast dat de vakliteratuur en de rechtspraktijk veelvuldig technische onvolkomenheden signaleren, maar dat hieraan nauwelijks gevolg wordt gegeven.

6. De Senaat en de correctie van wetten

Dit wetsvoorstel herstelt de duidelijke formulering en de coherente ordening van een groot aantal wetten. Het is echter niet exhaustief : er blijven ongetwijfeld nog vele andere technische tekortkomingen in de Belgische wetgeving.

Het valt bovendien te vrezen dat ook toekomstige wetten niet altijd vrij zullen zijn van fouten. Wetgeving blijft mensenwerk. Nieuwe fouten zullen onvermijdelijk in de wetgeving sluipen, ook al verscherpt de wetgever de kwaliteitscontrole van zijn product. De wetgevende productie is immers te uitgebreid, te ingewikkeld en vaak ook te overhaast om de foutenmarge volledig weg te dringen. Bovendien ligt een technisch gebrek vaak in een klein hoekje. Dat bewijst onder meer artikel 79ter, § 1, 1º, van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten. De rechtsleer ontdekte dat de Nederlandse tekst van dit artikel een kommapunt bevat en de Franse versie een komma. Daardoor blijkt de inhoudelijke betekenis van de beide taalversies behoorlijk te verschillen.

Nieuwe wetten tot herstel van wetstechnische fouten zullen bijgevolg wellicht altijd nodig blijven. De indieners van het wetsvoorstel pleiten ervoor dat de Belgische wetgever het opsporen en herstellen van wetstechnische fouten institutionaliseert, zoals dit reeds het geval is in Canada en Nederland. De Senaat, die onder meer als opdracht heeft toe te zien op de kwaliteit van de wetgeving, zou hierbij een stimulerende rol kunnen blijven spelen. Hij zou een centraal meldpunt kunnen worden, waaraan eenieder steeds technische onvolkomenheden in de wetgeving kan signaleren. Een efficiënte kwaliteitsbewaking van de wetgeving vergt immers de medewerking van alle rechtsgebruikers : gewone burgers, maar ook professionele rechtsgebruikers zoals magistraten, advocaten, notarissen, bedrijfsjuristen, ambtenaren, ...

7. Opbouw van het wetsvoorstel

a) Algemeen

In overeenstemming met de legistieke aanbevelingen van de Raad van State, rangschikt dit wetsvoorstel de te wijzigen wetten in chronologische volgorde, te beginnen met de oudste regeling. Hieronder bevindt zich ook een inhoudstafel waarin de te wijzigen wetten overzichtelijk worden opgesomd.

De correcties worden in beginsel aangebracht in de betrokken basiswetten zelf. Soms kan de fout echter alleen worden rechtgezet door een wijzigingswet te corrigeren.

In de artikelsgewijze toelichting worden de motieven voor iedere voorgestelde wijziging uiteengezet, ook al gaat het veelal om kleine en vrij evidente wijzigingen. Hierdoor kan men zich ervan vergewissen dat het steeds gaat om louter technische aanpassingen. Om diezelfde reden bevindt zich achteraan dit stuk een vergelijking tussen de oorspronkelijke en de gewijzigde wetteksten.

b) Lijst van de te wijzigen wetten

1. Burgerlijk Wetboek

2. Hypotheekwet van 16 december 1851

3. Wet van 31 december 1851 op de loterijen

4. Strafwetboek

5. Uitleveringswet van 15 maart 1874

6. Wet van 25 augustus 1885 die de wetgeving betreffende de koopvernietigende gebreken herziet

7. Wet van 11 juni 1889 betreffende de drukwerken en formulieren die het voorkomen van bankbiljetten of andere papieren waarden hebben

8. Wet van 25 maart 1891 houdende bestraffing van de aanzetting tot het plegen van misdaden of wanbedrijven

9. Wet van 30 oktober 1903 tot bepaling der elektrische eenheden

10. Wet van 4 september 1908 op de inbeslagneming en het opbod bij vrijwillige vervreemding van de zee- en de binnenschepen, alsmede op de bevoegdheid in zake van zee- en binnenvaart

11. Besluitwet van 11 oktober 1916 betreffende de staat van oorlog en de staat van beleg

12. Wet van 25 oktober 1919 betreffende het in pand geven van een handelszaak, het endossement van de factuur, alsmede de aanvaarding en de keuring van de rechtstreeks voor het verbruik gedane leveringen

13. Wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen

14. Wet van 30 juli 1926 tot instelling van eenen onderzoeksraad voor de scheepvaart

15. Wet van 5 juni 1928 houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en de zeevisserij

16. Wet van 5 juni 1928 houdende regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst

17. Wet van 6 augustus 1931 houdende vaststelling van de onverenigbaarheden en ontzeggingen betreffende de ministers, gewezen ministers en ministers van staat, alsmede de leden en gewezen leden van de wetgevende kamers

18. Koninklijk besluit nº 62 van 13 januari 1935 waarbij toelating wordt verleend tot het oprichten van een economische reglementeering van de voortbrengingen de verdeeling

19. Wet van 16 juni 1937 waarbij de Koning er toe gemachtigd wordt de nodige maatregelen te nemen om 's Lands mobilisatie in geval van oorlog te verzekeren

20. Besluitwet van 14 november 1939 betreffende de beteugeling van de dronkenschap

21. Koninklijk besluit nr. 79 van 28 november 1939 tot wijziging en aanvulling van zekere bepalingen inzake meeteenheden en meettuigen

22. Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten

23. Samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders

24. Wetboek van zegelrechten

25. Wet van 20 augustus 1948 betreffende de verklaringen van overlijden en van vermoedelijk overlijden, alsmede betreffende de overschrijving en de administratieve verbetering van sommige akten van overlijden

26. Wet van 19 december 1950 tot instelling van de Orde der dierenartsen

27. Wet van 5 september 1952 betreffende de vleeskeuring en de vleeshandel

28. Wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte

29. Wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen

30. Wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten

31. Wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming

32. Wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen

33. Wet van 15 april 1965 betreffende de keuring van en de handel in vis, gevogelte, konijnen en wild, en tot wijziging van de wet van 5 september 1952 betreffende de vleeskeuring en de vleeshandel

34. Gerechtelijk Wetboek

35. Koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen

36. Wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over de weg, de spoorweg of de waterweg

37. Wet van 16 juni 1970 betreffende de meeteenheden, de meetstandaarden en de meetwerktuigen

38. Wet van 1 april 1971 houdende oprichting van een Regie der Gebouwen

39. Kaderwet van 1 maart 1976 tot reglementering van de bescherming van de beroepstitel en van de uitoefening van de dienstverlenende intellectuele beroepen

40. Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen

41. Wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers

42. Wet van 28 december 1983 betreffende de vergunning voor het verstrekken van sterke drank

43. Wetboek van de Belgische nationaliteit

44. Wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen

45. Wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid

46. Wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen

47. Wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven

48. Wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privé-detective

49. Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992

50. Wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens

51. Wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen

52. Wet van 16 februari 1994 tot regeling van het contract tot reisorganisatie en reisbemiddeling

53. Wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten

54. Wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor distributie voor omroepuitzendingen en de uitoefening van televisieomroepactiviteiten in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad

55. Wet van 6 april 1995 inzake het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs

56. Wet van 10 april 1995 betreffende de herverdeling van de arbeid in de openbare sector

57. Wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen

58. Wet van 3 april 1997 betreffende het fiscaal stelsel van gefabriceerde tabak

59. Wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst

60. Wetboek van vennootschappen

61. Wet van 9 januari 2000 betreffende grensoverschrijdende geldoverschrijvingen en betalingen

62. Wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten

63. Wet van 4 september 2002 tot wijziging van de faillissementswet van 8 augustus 1997, het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van vennootschappen

64. Wet van 20 december 2002 betreffende de bescherming van de preventieadviseurs

65. Programmawet (I) van 24 december 2002

66. Wet van 19 november 2004 tot invoering van een heffing op omwisselingen van deviezen, bankbiljetten en munten

67. Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden

68. Wet van 7 april 2005 houdende uitvoering van het Protocol betreffende milieubescherming bij het Verdrag inzake Antarctica, het Aanhangsel en de Bijlagen I, II, III en IV, ondertekend te Madrid, op 4 oktober 1991, en Bijlage V, aangenomen te Bonn op 7 tot 18 oktober 1991

69. Wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie

70. Wet van 4 juli 2005 tot wijziging van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten

COMMENTAAR BIJ DE ARTIKELEN
Hoofdstuk 2

Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek

Artikel 2

Artikel 193bis van het Burgerlijk Wetboek verwijst naar « artikel 46 van de wet van 20 april 1810 op de inrichting der rechterlijke orde en het beleid der justitie ». Die wet werd echter opgeheven bij de invoering van het Gerechtelijk Wetboek. Artikel 193bis moet verwijzen naar artikel 138, zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek.

Artikelen 3 en 6

De artikelen 301, § 6, en 307bis van het Burgerlijk Wetboek verwijzen naar artikel 205 van dat Wetboek. Dat artikel werd echter vervangen door de wet van 14 mei 1981. Sindsdien horen de artikelen 301 en 307bis te verwijzen naar artikel 205bis.

Artikelen 4 en 5

In de artikelen 304 en 307 van het Burgerlijk Wetboek is sprake van een echtscheiding die wordt « toegestaan ». Echtscheidingen worden sedert de wet van 30 juni 1994, die de artikelen 1294 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek wijzigde, echter niet langer « toegestaan », maar « uitgesproken ».

Artikel 7

Artikel 531 van het Burgerlijk Wetboek verwijst nog steeds naar het « Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ».

Artikel 8

De Nederlandse tekst van artikel 802, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek luidt als volgt :

« Ingevolge het voorrecht van boedelbeschrijving wordt de vermenging van de boedels verhinderd ten aanzien van de erfgenaam zowel als ten aanzien van de schuldenaars en de legatarissen. »

Het woord « schuldenaars » moet worden vervangen door het woord « schuldeisers ».

Artikel 9

Artikel 953 van het Burgerlijk Wetboek luidt als volgt :

« Een schenking onder de levenden kan niet worden herroepen dan wegens niet-vervulling van de voorwaarden waaronder zij gedaan is, wegens ondankbaarheid en wegens geboorte van kinderen. »

De mogelijkheid om een schenking onder de levenden te herroepen wegens geboorte van kinderen, werd vroeger geregeld door de artikelen 960 tot 966 van het Burgerlijk Wetboek. Die artikelen werden evenwel opgeheven bij de wet van 31 maart 1987. Artikel 953 werd hieraan nog niet aangepast.

Artikel 10

De Franse tekst van artikel 983, eerste zin, van het Burgerlijk Wetboek luidt als volgt :

« Art. 983. — Les dispositions des articles ci-dessus n'auront lieu qu'en faveur de ceux qui seront en expédition militaire, ou en quartier, ou en garnison hors du territoire français ou prisonniers chez l'ennemi; »

In de Nederlandse tekst is sprake van het Belgisch grondgebied. Het wetsvoorstel past de Franse tekst hieraan aan.

Artikel 11

Luidens artikel 1270, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek heeft de gerechtelijke boedelafstand het ontslag van de lijfsdwang ten gevolge. De lijfsdwang werd echter reeds afgeschaft door de wet van 31 januari 1980. Artikel 1270, tweede lid, kan bijgevolg worden opgeheven.

Artikel 12

Artikel 1597 van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing op « rechters, rechters-plaatsvervangers, ambtenaren van het openbaar ministerie, griffiers, gerechtsdeurwaarders, pleitbezorgers, advocaten en notarissen ». De pleitbezorgers mogen uit dit rijtje worden geschrapt, aangezien de functie van pleitbezorger werd afgeschaft bij de invoering van het Gerechtelijk Wetboek.

Artikel 13

Luidens artikel 1688 van hetzelfde wetboek worden de wijze en de vormen van de veiling van onverdeelde goederen bepaald « in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ». Die verwijzing kan worden vervangen door een verwijzing naar het Gerechtelijk Wetboek, dat de veiling van onverdeelde goederen regelt in Hoofdstuk VI van Boek IV.

Artikel 14

Artikel 10, derde lid, van hetzelfde wetboek, Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, luidt als volgt :

« Wanneer de verhuurder in het bezit is van de waarborg en nalaat deze te plaatsen op de wijze bepaald in het tweede lid, is hij de huurder de gemiddelde marktrente op het bedrag van de waarborg vrschuldigd vanaf de overhandiging ervan. »

De huurder is evenwel niet de gemiddelde marktrente verschuldigd, maar intresten berekend aan de gemiddelde marktrente. In de Franse tekst is terecht sprake van « les intérêts au taux moyen du marché financier ».

Artikel 15

In de Franse tekst van artikel 2023 van het Burgerlijk Wetboek is sprake van « hors de l'arrondissement de la cour d'appel » in plaats van « hors du ressort de la cour d'appel »

Hoofdstuk 3

Wijzigingen van de hypotheekwet van 16 december 1851

Artikel 16

Artikel 1, laatste lid, van de hypotheekwet van 16 december 1851 verwijst naar artikel 1429 van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 1429 werd echter vervangen door de wet van 14 juli 1976. Artikel 1, laatste lid, hoort nu te verwijzen naar artikel 595 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 17

Artikel 59 van de hypotheekwet verwijst naar de artikelen 57 en 58 van die wet :

« Art. 59. — Indien de voogd, in de gevallen van de artikelen 57 en 58, naderhand onroerende goederen verkrijgt, wordt gehandeld zoals in de artikelen 49 en volgende bepaald is. »

De verwijzing naar artikel 57 kan worden opgeheven aangezien artikel 57 zelf reeds werd opgeheven bij de wet van 29 april 2001.

Artikel 18

Artikel 117 van de hypotheekwet luidt als volgt :

« Art. 117. — In geval van herverkoop ten gevolge van hoger bod, geschiedt die herverkoop met inachtneming van de vormen die door het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn bepaald. »

Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering werd opgeheven en vervangen door het Gerechtelijk Wetboek.

Hoofdstuk 4

Wijziging van de wet van 31 december 1851 op de loterijen

Artikel 19

Artikel 9 van de wet van 31 december 1851 op de loterijen bepaalt dat de overtreders van die wet worden gestraft « met de straffen bij deze wet bepaald ».

De strafbepalingen van die wet werden echter impliciet opgeheven door het Strafwetboek. Artikel 9 moet verwijzen naar de straffen bepaald in de artikelen 302 en 303 van het Strafwetboek.

Hoofdstuk 5

Wijzigingen van het Strafwetboek

Artikel 20

In artikel 133 van het Strafwetboek bevinden zich twee materiële fouten : de verwijzing naar artikel 128 moet worden vervangen door een verwijzing naar artikel 129 en de verwijzing naar artikel 127 door een verwijzing naar artikel 128 (22) .

Artikel 21

Artikel 135bis, tweede lid, van het Strafwetboek, bepaalt dat artikel 9 van de wet van 31 mei 1888 niet van toepassing is op de verbeurdverklaring bedoeld in artikel 135bis. Artikel 9 van de wet van 31 mei 1888 werd echter opgeheven door de wet van 29 juni 1964, zodat de verwijzing kan vervallen.

Artikel 22

Luidens artikel 135quinquies van het Strafwetboek wordt de poging tot de wanbedrijven bedoeld in de artikelen 135ter en 135quater gestraft met dezelfde straffen. De verwijzing naar artikel 135ter kan vervallen, aangezien dit artikel werd opgeheven bij de wet van 1 augustus 1979.

Artikel 23

In de Franse tekst van artikel 191 van het Strafwetboek moet het woord « apposer » worden vervangen door het woord « apparaître » (23) :

« Quiconque aura, soit apposé, soit fait apposer (apparaître) par addition, retranchement ou par une altération quelconque, sur des objets fabriqués, le nom d'un fabricant autre que celui qui en est l'auteur, ou la raison commerciale d'une fabrique autre que celle de la fabrication, sera puni d'un emprisonnement d'un mois à six mois. »

Artikel 24

Artikel 192 van het Strafwetboek wordt voorafgegaan door het opschrift « Bepaling aan de drie vorige hoofdstukken gemeen ».

Dat opschrift klopt niet. Oorspronkelijk was artikel 192 van toepassing op de hoofdstukken I, II en III van titel III. Door de wetswijziging van 12 juli 1932 breidde het toepassingsgebied van artikel 192 zich echter uit tot de artikelen 497 en 497bis, die zich bevinden in hoofdstuk II van titel IX. Bovendien voegde de wet van 10 december 2001 een hoofdstuk IIbis in titel III in, waarop artikel 192 geen betrekking mag hebben.

Het opschrift voor artikel 192 verklaart het artikel dus van toepassing op een hoofdstuk waarop het niet van toepassing is (hoofdstuk IIbis van titel III) en vergeet twee hoofdstukken te vermelden waarop het artikel wel van toepassing is (hoofdstuk I van titel III en hoofdstuk II van titel IX).

Dit wetsvoorstel wijzigt het opschrift in « Bijzondere bepaling », een formulering die nog wordt gebruikt in het Strafwetboek om aan te geven dat de betrokken bepalingen een bijzonder toepassingsgebied hebben (zie bijvoorbeeld de opschriften voor de artikelen 171 en 172, voor de artikelen 453 en 453bis en voor artikel 488). Het toepassingsgebied van artikel 192 wordt bovendien afdoende bepaald in dat artikel zelf : het vermeldt uitdrukkelijk dat het van toepassing is « op de misdrijven omschreven in de artikelen 160 tot 168, 169, tweede lid, 171 tot 176, 177, tweede lid, 180, laatste en voorlaatste lid, 185bis, 186, tweede tot vierde lid, 187bis, 497, tweede lid, en 497bis, eerste lid. » Daardoor is het niet nodig dat ook het opschrift het toepassingsgebied nog eens omschrijft.

Artikel 25

De artikelen 213 en 214 worden voorafgegaan door het opschrift « Bepalingen aan de vier vorige hoofdstukken gemeen ».

Dat opschrift klopt niet. Oorspronkelijk waren de artikelen 213 en 214 van toepassing op de hoofdstukken I, II, III en IV van titel III. De wet van 10 december 2001 voegde echter een nieuw hoofdstuk IIbis in titel III in. Bijgevolg zouden, volgens het opschrift, de artikelen 213 en 214 niet meer van toepassing zijn op hoofdstuk I, hetgeen indruist tegen de eigenlijke draagwijdte van die artikelen.

Om die reden wordt voorgesteld dit opschrift te vervangen door het opschrift « Bijzondere bepaling ».

Artikel 26

Artikel 214 van het Strafwetboek luidt als volgt :

« Art. 214. — In de gevallen, bij de vier vorige hoofdstukken omschreven en waarvoor geen geldboete in het bijzonder bepaald is, wordt een geldboete van zesentwintig euro tot tweeduizend euro uitgesproken. »

« De vier vorige hoofdstukken » waren oorspronkelijk de hoofdstukken I, II, III en IV van titel III. De wet van 10 december 2001 voegde echter een nieuw hoofdstuk IIbis in titel III in. De wetgever zag over het hoofd dat zulks gevolgen had voor het toepassingsgebied van artikel 214. Daardoor geldt dit artikel immers niet langer voor hoofdstuk I van titel III, hetgeen niet de bedoeling was.

He wetsvoorstel herstelt dit. Het bepaalt dat artikel 214 geldt voor de gevallen « omschreven in de hoofdstukken I tot IV van deze titel ».

Artikel 27

Artikel 333, tweede lid, van het Strafwetboek bepaalt de straffen voor de ontvluchting van personen die krachtens « de wet van 9 april 1930 tot bescherming van de maatschappij » geïnterneerd waren. De wet van 9 april 1930 werd echter vervangen door de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten.

Artikel 28

De Nederlandse tekst van artikel 386 van het Strafwetboek, luidt als volgt :

« Art. 386. — Indien de misdrijven, omschreven in artikel 383, zijn gepleegd tegenover minderjarigen, is de gevangenisstraf zes maanden tot twee jaar en de geldboete duizend euro tot vijfduizend euro.

In hetzelfde geval kunnen de straffen, bepaald in het eerste lid van dat artikel, worden verdubbeld, onverminderd de toepassing van artikel 385, tweede lid. »

Het tweede lid is fout geformuleerd. Het verwijst naar de straffen bepaald in het eerste lid « van dat artikel ». Dat is, gelet op het eerste lid, artikel 383. Het is echter de bedoeling dat wordt verwezen naar de straffen bedoeld in het eerste lid van artikel 385. Dat blijkt trouwens ook duidelijk uit de Franse versie van dit artikel.

Het wetsvoorstel vervangt de Nederlandse tekst van het tweede lid als volgt :

« In hetzelfde geval kunnen de straffen, bepaald in artikel 385, eerste lid, worden verdubbeld, onverminderd de toepassing van artikel 385, tweede lid. »

Ook de Franse tekst wordt duidelijker geformuleerd.

Artikel 29

De wet van 30 juni 1994 voegde in Boek II, Titel V, van het Strafwetboek een nieuw hoofdstuk VIIbis in, dat bestaat uit het artikel 314bis. Het bestaande artikel 314 maakte echter deel uit van hoofdstuk VIII. Het nieuwe hoofdstuk hoort dus hoofdstuk VIIIbis te zijn en niet hoofdstuk VIIbis.

Artikel 30

Artikel 430 van het Strafwetboek verwijst naar « de gevallen bedoeld in de artikelen 428 en 429, met uitzondering van de gevallen bedoeld in artikel 428, §§ 3 tot 5 ». Aangezien artikel 428, § 3, werd opgeheven door de wet van 14 juni 2002, kan de uitzondering worden beperkt tot de gevallen « bedoeld in artikel 428, §§ 4 en 5 ».

Artikel 31

Artikel 562 van het Strafwetboek werd door de wet van 20 juli 2005 hersteld zoals het was opgesteld voor zijn opheffing door de wet van 17 juni 2004. Die laatste wet hief echter ook de artikelen 559 en 560 van het Strafwetboek op, waarnaar artikel 562 verwijst. Alleen artikel 559 werd door de wet van 20 juli 2005 hersteld.

De verwijzing in artikel 562 naar artikel 560 moet bijgevolg worden geschrapt.

Artikelen 32 en 33

De artikelen 565 en 566 van het Strafwetboek hebben beide betrekking op « de gevallen in de vier vorige hoofdstukken omschreven ».

Oorspronkelijk hadden deze artikelen betrekking op de vier hoofdstukken waarin titel X van het Strafwetboek was ingedeeld. De wet van 17 juni 2004 heeft deze hoofdstukken echter opgeheven. De wet van 20 juli 2005 herstelde weliswaar titel X, maar niet de indeling ervan in hoofdstukken.

Het is uiteraard de bedoeling van de wetgever dat de artikelen 565 en 566 zouden betrekking hebben op de overtredingen bedoeld in de artikelen 559, 1º, 561, 1º, 562, 563, 2º en 3º en 564. Die herstelde artikelen maken echter geen deel meer uit van een hoofdstuk.

De tekst van de artikelen 565 en 566 moet bijgevolg worden gewijzigd. Zoniet hebben die artikelen betrekking op de hoofdstukken I, Ibis, II en III van titel IX van het Strafwetboek, die handelen over diefstal en afpersing, externe beveiliging van kernmateriaal, bedrog, vernieling, beschadiging en aanrichting van schade, hetgeen allerminst de bedoeling van de wetgever is.

Hoofdstuk 6

Wijzigingen van de uitleveringswet van 15 maart 1874

Artikel 34

Artikel 5bis, tweede lid, van de uitleveringswet van 15 maart 1874 luidt als volgt :

« Zodra dit bericht ontvangen wordt, zal de opgeeiste persoon aan boord worden gedetineerd, tot de terugkomst van het schip of de ontmoeting van een ander Belgisch vaartuig dat hem onder dezelfde voorwaarden zal overnemen. Onderhavige bepalingen maken geen afbreuk aan de mogelijkheden geboden bij artikel 47 van de wet van 21 juni 1849. »

De wet van 21 juni 1849 werd opgeheven door de wet van 5 juni 1928 houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en de zeevisserij. Artikel 47 van de wet van 21 juni 1849 werd artikel 78 van de wet van 5 juni 1928.

Artikelen 35 en 36

De artikelen 8 en 10 van de uitleveringswet verwijzen naar de wet van 30 december 1836 betreffende de beteugeling van de misdaden en wanbedrijven door Belgen in het buitenland gepleegd.

De strafvordering wegens misdaden of wanbedrijven buiten het grondgebied van het Rijk gepleegd, wordt nu evenwel geregeld door de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering. De verwijzingen naar de wet van 30 december 1836 moeten bijgevolg worden vervangen door verwijzingen naar de wet van 17 april 1878.

Hoofdstuk 7

Wijziging van de wet van 25 augustus 1885 die de wetgeving betreffende de koopvernietigende gebreken herziet

Artikel 37

Artikel 6, eerste lid, van de wet van 25 augustus 1885 die de wetgeving betreffende de koopvernietigende gebreken herziet, luidt als volgt :

« De vreemde eiser is gehouden, op verzoek van de verweerder, de borg te stellen, waarvan melding wordt gemaakt in artikel 16 van het Burgerlijk Wetboek en in de artikelen 851 en 852 van het Gerechtelijk Wetboek, op straffe van in zijn vordering niet te worden toegelaten. »

De verwijzing naar artikel 16 van het Burgerlijk Wetboek mag vervallen, aangezien dat artikel reeds werd opgeheven bij de wet van 10 oktober 1967. Artikel 16 van het Burgerlijk Wetboek werd toen overigens vervangen door de artikelen 851 en 852 van het Gerechtelijk Wetboek.

Hoofdstuk 8

Wijziging van de wet van 11 juni 1889 betreffende de drukwerken en formulieren die het voorkomen van bankbiljetten of andere papieren waarden hebben

Artikel 38

Artikel 4 van de wet van 11 juni 1889 betreffende de drukwerken en formulieren die het voorkomen van bankbiljetten of andere papieren waarden hebben, luidt als volgt :

« Art. 4. — De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, daarin begrepen hoofdstuk VII, §§ 2 en 3 van artikel 72, § 2 van artikel 76 en artikel 85, zijn toepasselijk op de bij deze wet bepaalde inbreuken. »

Artikel 72, §§ 2 en 3, en artikel 76 van het Strafwetboek werden opgeheven bij de wetten van respectievelijk 15 mei 1912 en 9 april 1930.

Hoofdstuk 9

Wijziging van de wet van 25 maart 1891 houdende bestraffing van de aanzetting tot het plegen van misdaden of wanbedrijven

Artikel 39

Artikel 1, tweede lid, van de wet van 25 maart 1891 houdende bestraffing van de aanzetting tot het plegen van misdaden of wanbedrijven, verwijst naar « artikel 557, nr. 6, paragraaf 2 », van het Strafwetboek. Artikel 557 werd echter opgeheven door de wet van 17 juni 2004.

Hoofdstuk 10

Wijziging van de wet van 30 oktober 1903 tot bepaling der elektrische eenheden

Artikel 40

Artikel 34, 8º, van de wet van 16 juni 1970 betreffende de meeteenheden, de meetstandaarden en de meetwerktuigen, heft de wet van 30 oktober 1903 tot bepaling der elektrische eenheden op. Artikel 35 van de wet van 16 juni 1970 bepaalt evenwel dat de Koning de inwerkingtreding van de artikelen van die wet vaststelt.

Bij koninklijk besluit van 14 september 1970 bepaalde de Koning dat artikel 34, 8º, in werking treedt, doch alleen wat betreft de artikelen 1 tot 8 van de wet van 30 oktober 1903. De andere artikelen van die wet zijn bijgevolg nog steeds in werking. Zolang de Koning die artikelen niet opheft, is het de verantwoordelijkheid van de wetgever zorg te dragen voor de kwaliteit van die teksten.

Artikel 13, eerste lid, 1º, van de wet van 30 oktober 1903 tot bepaling der elektrische eenheden, kan worden opgeheven. De bepaling luidt als volgt :

« Art. 13. — Worden gestraft met eene boete van 26 tot 200 frank :

1º Elke overtreding van artikel 8 dezer wet. Wanneer echter het leveren van electriciteit het voorwerp is der overeenkomsten naar aanleiding van welke de overtreding is begaan, wordt de straf alleen op den leveraar, met uitsluiting van den verbruiker, toegepast; »

Artikel 13, eerste lid, 1º, kan worden opgeheven, aangezien artikel 8 « dezer wet » reeds werd opgeheven bij de wet van 16 juni 1970.

Hoofdstuk 11

Wijziging van de wet van 4 september 1908 op de inbeslagneming en het opbod bij vrijwillige vervreemding van de zee- en de binnenschepen, alsmede op de bevoegdheid in zake van zee- en binnenvaart

Artikel 41

Artikel 33, laatste lid, van de wet van 4 september 1908 op de inbeslagneming en het opbod bij vrijwillige vervreemding van de zee- en de binnenschepen, alsmede op de bevoegdheid in zake van zee- en binnenvaart, luidt als volgt :

« Bovendien zijn van toepassing de artikelen 99 en 100 van de wet van 15 augustus 1854. »

De wet van 15 augustus 1854 werd opgeheven door de wet van 10 oktober 1967. Artikel 33 hoort te verwijzen naar de artikelen 1329 en 1330 van het Gerechtelijk Wetboek.

Hoofdstuk 12

Wijziging van de besluitwet van 11 oktober 1916 betreffende de staat van oorlog en de staat van beleg

Artikel 42

Artikel 7, eerste lid, van de besluitwet van 11 oktober 1916 betreffende de staat van oorlog en de staat van beleg, luidt als volgt :

« Art. 7. — Gedurende den tijd van oorlog, oefent de Koning de bevoegdheden uit, hem opgedragen bij artikel één uit de wet van 4 Augustus 1914 betreffende de spoedeischende maatregelen door de oorlogsverwikkelingen noodig gemaakt. »

Artikel 7, eerste lid, kan worden opgeheven, aangezien de wet van 4 augustus 1914 reeds werd opgeheven bij de wet van 7 september 1939.

Hoofdstuk 13

Wijziging van de wet van 25 oktober 1919 betreffende het in pand geven van een handelszaak, het endossement van de factuur, alsmede de aanvaarding en de keuring van de rechtstreeks voor het verbruik gedane leveringen

Artikel 43

Artikel 9 van de wet betreffende het in pand geven van een handelszaak, het endossement van de factuur, alsmede de aanvaarding en de keuring van de rechtstreeks voor het verbruik gedane leveringen, vermeldt « het verzet dat bij artikel 609 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is voorzien ».

Aan artikel 609 van het Wetboek van Buurgerlijke Rechtsvordering beantwoordt heden artikel 1515 van het Gerechtelijk Wetboek.

Hoofdstuk 14

Wijzigingen van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van v erdovende middelen en psychotrope stoffen

Artikelen 44 en 45

In de artikelen 7 en 7bis van de wet van 24 februari 1921 ontbreken zowel in de Nederlandse als de Franse tekst verschillende woorden en zinsdelen. In de Nederlandse tekst worden bovendien verkeerde bewoordingen gebruikt. In totaal gaat het in deze twee artikelen samen om 13 technische fouten. De vergelijking van de teksten, opgenomen achteraan in dit stuk, maakt duidelijk om welke fouten het gaat.

Artikel 46

In artikel 8, § 2, van dezelfde wet van 24 februari 1921 verschilt de Nederlandse tekst van de Franse tekst :

« § 2. Met gevangenisstraf van drie maanden tot vijf jaar en met geldboete van 1 000 tot 100 000 euro of met één van die straffen alleen, worden gestraft zij die zich niet lenen tot of zich verzetten tegen bezichtiging, inspectie of monsterneming door diezelfde ambtenaren en statutaire of contractuele personeelsleden, wanneer ze betrekking hebben op de in artikel 2bis of in artikel 2quater vermelde stoffen. »

« § 2. Seront punis d'un emprisonnement de trois à cinq ans et d'une amende de 1 000 à 100 000 euros ou de l'une de ces peines seulement, ceux qui se seront refusés ou opposés aux visites, inspections ou à la prise d'échantillons auxquelles il est procédé par les mêmes agents et les membres du personnel contractuel ou statutaire, lorsque celles-ci concernent les substances mentionnées à l'article 2bis ou à l'article 2quater. »

De Nederlandse tekst legt een straf op van drie maanden tot vijf jaar, de Franse van drie jaar tot vijf jaar. Uit de vergelijking met de bestraffing van andere misdrijven door deze wet, blijkt dat de Nederlandse versie correct is. Het wetsvoorstel past de Franse tekst aan.

Artikel 47

De tekst van artikel 12 van dezelfde wet bevat vier materiële fouten. Zo bepaalt de Nederlandse tekst onder meer dat een jaarlijks verslag zal worden « vermeld », in plaats van « opgesteld ».

Hoofdstuk 15

Wijziging van de wet van 30 juli 1926 tot instelling van eenen onderzoeksraad voor de scheepvaart

Artikel 48

Artikel 7 van de wet van 30 juli 1926 tot instelling van eenen onderzoeksraad voor de scheepvaart luidt als volgt :

« Art. 7. — Wanneer eene der tuchtstraffen voorzien bij letter B van artikel 5 van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en de zeevisscherij, door de bevoegde overheden is toegepast geworden, mag de raad bovendien tot een der tuchtmaatregelen besluiten, bij artikel 3 van deze wet voorzien. »

De verwijzing naar artikel 5 moet worden vervangen door een verwijzing naar artikel 6.

Hoofdstuk 16

Wijziging van de wet van 5 juni 1928 houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en de zeevisserij

Artikel 49

Artikel 81, derde lid, van de wet van 5 juni 1928 houdende herziening van het Tucht- en Strafwetboek voor de koopvaardij en de zeevisserij, luidt als volgt :

« Art. 81, derde lid. — Bovendien wordt door de consul een voor eensluidend verklaard afschrift afgegeven aan de kapitein; deze is gehouden het aan de waterschout van de haven van aankomst in België te overhandigen binnen vierentwintig uren. »

De wet van 3 mei 1999 verving in de wet van 5 juni 1928 overal het woord « waterschout » door de woorden « de met de politie te water belaste overheid van de federale politie », maar vergat zulks te doen in artikel 81, derde lid.

Hoofdstuk 17

Wijzigingen van de wet van 5 juni 1928 houdende regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst

Artikel 50

Artikel 23, eerste lid, van de wet van 5 juni 1928 houdende regeling van de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst luidt als volgt :

« Zijn nietig van rechtswege de bepalingen van de bijzondere overeenkomsten, die strijdig zijn met de artikelen 27, 42, 43 en 45, alsmede met de bepalingen van de hoofdstukken IV, V, VI, VII, IX en X van deze titel. »

De betrokken titel telt evenwel slechts 9 hoofdstukken. Er moet worden verwezen naar de hoofdstukken IV, V, VI, VII, VIII en IX.

Artikel 51

Artikel 90 van dezelfde wet verwijst naar « de laatste twee leden van vorenstaand artikel 26 ». De besluitwet van 25 maart 1944 vulde artikel 26 evenwel aan met een lid, zodat de verwijzing in artikel 90 niet langer correct is. Er moet worden verwezen naar artikel 26, zesde en zevende lid.

Hoofdstuk 18

Wijziging van de wet van 6 augustus 1931 houdende vaststelling van de onverenigbaarheden en ontzeggingen betreffende de ministers, gewezen ministers en ministers van staat, alsmede de leden en gewezen leden van de wetgevende kamers

Artikel 52

Artikel 6 van de wet van 6 augustus 1931 luidt als volgt :

« Art. 6. — De voorgaande artikelen zijn toepasselijk op de kolonie. »

Dit artikel kan worden opgeheven.

Hoofdstuk 19

Wijziging van het koninklijk besluit nr. 62 van 13 januari 1935 waarbij toelating wordt verleend tot het oprichten van een economische reglementeering van de voortbrenging en de verdeeling

Artikelen 53 en 54

De wet van 5 augustus 1991 verving in het koninklijk besluit nr. 62 van 13 januari 1935 waarbij toelating wordt verleend tot het oprichten van een economische reglementeering van de voortbrenging en de verdeeling, de woorden « de kamer » door de woorden « de Raad voor de Mededinging », maar vergat zulks te doen in de artikelen 16 en 18.

Hoofdstuk 20

Wijziging van de wet van 16 juni 1937 waarbij de Koning er toe gemachtigd wordt de nodige maatregelen te nemen om 's Lands mobilisatie in geval van oorlog te verzekeren

Artikel 55

Artikel 1 van de wet van 16 juni 1937 waarbij de Koning er toe gemachtigd wordt de nodige maatregelen te nemen om 's Lands mobilisatie in geval van oorlog te verzekeren, luidt als volgt :

« Art. 1. — De Koning mag, zelfs in vredestijd, door in den Ministerraad overlegde besluiten, alle maatregelen nemen om, zoowel in België als in Belgisch-Congo, s'Lands mobilisatie en de bescherming van de bevolking in geval van oorlog te verzekeren. »

De woorden « zoowel in België als in Belgisch-Congo » kunnen worden opgeheven.

Hoofdstuk 21

Wijziging van de besluitwet van 14 november 1939 betreffende de beteugeling van de dronkenschap

Artikel 56

Artikel 16 van de besluitwet van 14 november 1939 betreffende de beteugeling van de dronkenschap luidt als volgt :

« Art. 16. — Onverminderd de toepassing van artikel 155 van de Wet van 18 juni 1869, staan de ambtenaren en andere personen die bij artikel 15 bedoeld zijn, alsmede de ambtenaren van het openbaar ministerie bij de politierechtbanken, wat betreft de vaststelling van de bij deze besluitwet voorziene misdrijven en de vervolging van de daders van die misdrijven, onder de leiding van den procureur des Konings. »

De wet van 18 juni 1869 werd opgeheven door het Gerechtelijk Wetboek. Er moet nu worden verwezen naar artikel 399 van het Gerechtelijk Wetboek.

Hoofdstuk 22

Wijziging van het koninklijk besluit nr. 79 van 28 november 1939 tot wijziging en aanvulling van zekere bepalingen inzake meeteenheden en meettuigen

Artikel 57

Artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 79 van 28 november 1939 tot wijziging en aanvulling van zekere bepalingen inzake meeteenheden en meettuigen luidt als volgt :

« Art. 3. — De Koning wordt gemachtigd de definities gegeven in de artikelen 2, 3 en 4 van de wet dd. 30 October 1903 betreffende de electrische eenheden te wijzigen om ze in overeenstemming te brengen met de beslissingen van de wettelijke erkende internationale organismen. »

Artikel 3 kan worden opgeheven, aangezien de artikelen 2, 3 en 4 van de wet van 30 oktober 1903 reeds werden opgeheven bij de wet van 16 juni 1970.

Hoofdstuk 23

Wijzigingen van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten

Artikel 58

Artikel 8bis van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten verwijst onder meer naar artikel 19, 6º, dat werd opgeheven bij de wet van 10 juni 1997. De verwijzing kan vervallen.

Artikel 59

Artikel 162 van hetzelfde wetboek bevat tweemaal een 46º en tweemaal een 47º. Het voorstel past de nummering van dit artikel aan.

Artikel 60

Artikel 280 van hetzelfde wetboek verwijst naar artikel 162, 27º, dat werd opgeheven bij de wet van 22 december 1989. De verwijzing kan vervallen.

Hoofdstuk 24

Wijziging van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders

Artikel 61

Artikel 73quinquies, eerste lid, 1º, van de samengeordende wetten van 19 december 1939 betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders luidt als volgt :

« Art. 73quinquies. — Er wordt een sociaal-pedagogische bijslag toegekend :

1º aan iedere werknemer die valt onder de toepassing van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders of onder de regeling van zeelieden ter koopvaardij. »

De woorden « betreffende de sociale zekerheid » moeten worden ingevoegd tussen de woorden « de regeling » en de woorden « van zeelieden ».

Hoofdstuk 25

Wijzigingen van het Wetboek van zegelrechten

Artikel 62

Artikel 59.1 van het Wetboek van zegelrechten bevat tweemaal een 5ºquater. Het voorstel verbetert de nummering.

Artikel 59.1, 6º, van hetzelfde wetboek voert een vrijstelling van zegelrechten in voor :

« uittreksels uit de registers van de burgerlijke stand of uit de registers gehouden door de ambtenaren van de burgerlijke stand voor de akten betreffende het verkrijgen, het herkrijgen, het behoud en het verlies van nationaliteit, wanneer bedoelde uittreksels afgeleverd worden aan rechterlijke overheden of aan besturen van de Staat, Kolonie, provinciën, gemeenten of openbare instellingen.

Deze bepaling is niet toepasselijk op de uittreksels afgeleverd aan de Spaarkas van de algemene Spaar- en Lijfrentekas »

De verwijzing naar de kolonie en het tweede lid kunnen worden geschrapt.

Artikel 63

Artikel 73 van datzelfde wetboek bepaalt dat, in geval van instelling van de in artikelen 66 en 67 voorziene strafvordering, de invordering van rechten en fiscale boeten aan de voorgeschreven verjaringstermijn blijft onderworpen. De uitoefening van de strafvordering wordt echter niet alleen in die twee artikelen geregeld, maar ook in de artikelen 66bis en 67bis tot 67decies. Om die reden wordt voorgesteld artikel 73 hieraan aan te passen.

Hoofdstuk 26

Wijziging van de wet van 20 augustus 1948 betreffende de verklaringen van overlijden en van vermoedelijk overlijden, alsmede betreffende de overschrijving en de administratieve verbetering van sommige akten van overlijden

Artikel 64

Artikel 7, tweede lid, van de wet van 20 augustus 1948 betreffende de verklaringen van overlijden en van vermoedelijk overlijden, alsmede betreffende de overschrijving en de administratieve verbetering van sommige akten van overlijden, bepaalt dat de akte van de burgerlijke stand kan worden verbeterd « overeenkomstig de artikelen 99 en volgende van het Burgerlijk Wetboek en 855 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ».

De bepalingen van het Burgerlijk Wetboek inzake de verbetering van de akten van de burgerlijke stand werden opgeheven, met uitzondering van artikel 101. Voorts moet de verwijzing naar de artikelen 855 en volgende van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden vervangen door een verwijzing naar de artikelen 1383 tot 1385 van het Gerechtelijk Wetboek.

Hoofdstuk 27

Wijziging van de wet van 19 december 1950 tot instelling van de Orde der dierenartsen

Artikel 65

Artikel 15, tweede lid, van de wet van 19 december 1950 tot instelling van de Orde der dierenartsen verwijst naar « de artikelen 44 tot en met 47 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering ». Deze verwijzing moet worden vervangen door een verwijzing naar de artikelen 828 tot 842 van het Gerechtelijk Wetboek.

Hoofdstuk 28

Wijziging van de wet van 5 september 1952 betreffende de vleeskeuring en de vleeshandel

Artikel 66

Volgens de Franse tekst van artikel 33, § 1, tweede lid, van de wet van 5 september 1952 betreffende de vleeskeuring en de vleeshandel, kan door de Koning worden afgeweken van het eerste lid van dat artikel. Volgens de Nederlandse tekst kan daarentegen worden afgeweken van § 1 van dat artikel.

Paragraaf 1 bevat twee leden. De bevoegdheidstoewijzing aan de Koning is dus ruimer in de Nederlandse versie. Dat lijkt de correcte versie, waarvan de Koning overigens reeds gebruik maakte om af te wijken van artikel 33, § 1, tweede lid (24) .

Hoofdstuk 29

Wijziging van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte

Artikel 67

De Nederlandse tekst van artikel 9 van de wet van 26 juli 1962 betreffende de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden inzake onteigening ten algemenen nutte vermeldt « de rechthebbende derden die als tussenkomende partij zijn aanvaard ». Het gaat echter over de rechthebbenden zonder meer.

Hoofdstuk 30

Wijzigingen van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen

Artikelen 68 en 69

De programmawet van 22 december 2003 wijzigde de artikelen 14 en 14bis van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, maar bracht daarbij 9 fouten aan. De vergelijking van de teksten, opgenomen achteraan in dit stuk, maakt duidelijk om welke fouten het gaat.

Hoofdstuk 31

Wijziging van de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten

Artikel 70

Artikel 5 van de wet van 1 juli 1964 tot bescherming van de maatschappij tegen abnormalen en gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten luidt als volgt :

« Art. 5. — In de gevallen van de voorgaande artikelen wordt uitspraak gedaan in raadkamer.

Indien de verdachte het verzoekt wordt de openbaarheid van de behandeling bevolen, behoudens toepassing van artikel 96 van de Grondwet. »

De verwijzing naar het oude artikel 96 van de Grondwet mag worden vervangen door een verwijzing naar artikel 148 van de Grondwet.

Hoofdstuk 32

Wijzigingen van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming

Artikelen 71 en 72

In de artikelen 62bis en 63bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming kan de verwijzing naar artikel 59bis, §§ 2bis en 4bis, van de Grondwet, telkens worden vervangen door een verwijzing naar de artikelen 128 en 135 van de Grondwet.

Hoofdstuk 33

Wijzigingen van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen

Artikelen 73 en 74

Artikel 15/11 van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige produkten en andere door middel van leidingen werd gewijzigd door de wet van 20 maart 2003. De verwijzingen in de artikelen 4 en 15/4 naar artikel 15/11 werden echter nog niet aangepast.

Hoofdstuk 34

Wijzigingen van de wet van 15 april 1965 betreffende de keuring van en de handel in vis, gevogelte, konijnen en wild, en tot wijziging van de wet van 5 september 1952 betreffende de vleeskeuring en de vleeshandel

Artikel 75

De Nederlandse tekst van artikel 8, § 1, van de wet van 15 april 1965 bevat een onduidelijke formulering. Volgens deze tekst worden dieren die « behorende tot een van de krachtens artikel 4, § 2, bepaalde gevallen ongeschikt worden verklaard », bij ordemaatregel in beslag genomen. De Franse tekst maakt duidelijk wat de eigenlijke bedoeling van de wetgever is : het gaat om de dieren die « ongeschikt voor consumptie door de mens worden verklaard in een van de gevallen bepaald krachtens artikel 4, § 2 ».

Artikel 76

In de Franse tekst van artikel 11, 1º, van dezelfde wet ontbreken de woorden « ou tirés ».

Hoofdstuk 35

Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek

Artikel 77

In de Nederlandse tekst van artikel 695, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, wordt gewag gemaakt van de erelonen van de « bewindvoerders » van een faillissement. Het moet echter over de « curatoren » gaan.

Artikel 78

De Franse tekst van artikel 713 van het Gerechtelijk Wetboek luidt als volgt :

« Le rôle général est coté par première et dernière et paraphé sur chaque feuille ... »

Het woord « page » is weggevallen na het woord « dernière ».

Artikel 79

Artikel 721, eerste lid, 8º, van het Gerechtelijk Wetboek verwijst naar het tweede en het derde lid van artikel 728. Artikel 728 werd door de wet van 24 december 1980 echter ingedeeld in paragrafen.

Artikel 80

Artikel 1139, eerste lid, van hetzelfde wetboek luidt als volgt :

« Art. 1139. — De rechter bij wie het verzoek tot herroeping van het gewijsde aanhangig is gemaakt, beveelt, zo daartoe grond bestaat, aan de partijen alle rechtsmiddelen tegelijk voor te dragen. »

Het woord « rechtsmiddelen » moet in de Nederlandse tekst van deze bepaling worden vervangen door het woord « middelen ».

Artikel 81

Het loopt enigszins fout met de Nederlandse tekst van artikel 1233, § 1, 5º, van hetzelfde wetboek :

« 5º een uittreksel uit de beslissing houdende benoeming van de voogd wordt binnen acht dagen te rekenen van de uitspraak geeft kennis aan de burgemeester van de gemeente waar de minderjarige zijn woonplaats heeft. »

Het wetsvoorstel herformuleert deze tekst.

Artikel 82

De Nederlandse tekst van artikel 1355 van het Gerechtelijk Wetboek vermeldt « de oorspronkelijke vorderingen ». De correcte term is echter « de hoofdvorderingen ». In de Franse tekst is terecht sprake van « les demandes principales ».

Artikel 83

Artikel 1563, derde lid, eerste zin, van hetzelfde wetboek luidt als volgt :

« De schuldeiser die gebruik wil maken van dit recht, dient daartoe een getuigschrift in bij de rechter. »

Het gaat hier echter niet om een getuigschrift, maar om een verzoekschrift (vgl. « requête »).

Artikel 84

In de Franse tekst van artikel 1703 van het Gerechtelijk Wetboek wordt een redactionele verbetering aangebracht. Volgens de huidige Franse tekst heeft een arbitrale uitspraak gezag van gewijsde, tenzij het geschil vatbaar was voor beslechting door arbitrage. Dit moet uiteraard zijn : « tenzij het geschil niet vatbaar was voor beslechting door arbitrage ».

In de Nederlandse tekst van dat artikel worden de woorden « scheidsrechterlijke uitspraak » vervangen door de woorden « arbitrale uitspraak ». De wet van 19 mei 1998 verving in het zesde deel van het Gerechtelijk Wetboek de woorden « scheidsrechterlijke uitspraak » telkens door de woorden « arbitrale uitspraak », maar voegde zelf het begrip « scheidsrechterlijke uitspraak » in in artikel 1703.

Hoofdstuk 36

Wijzigingen van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen

Artikel 85

Artikel 21septiesdecies van het koninklijk besluit nr. 78 verwijst naar het onbestaande artikel 21quindecies. Dat moet het artikel 21quinquiesdecies zijn.

Artikel 86

Artikel 39, 1º, tweede lid, van datzelfde koninklijk besluit nr. 78, luidt als volgt :

« Die bepaling is niet van toepassing op de student die de voormelde werkzaamheden verricht in het raam van de wettelijke en reglementsbepalingen betreffende het opleidingsprogramma dat het mogelijk maakt één van de in artikel 21quater of in artikel 23, § 1, bepaalde titels te verwerven, noch op de student in de geneeskunde of de artsenijbereidkunde in het raam van zijn opleiding. »

De Nederlandse tekst van het artikel vermeldt niet dat de bepaling evenmin van toepassing is op de student in de tandheelkunde.

Hoofdstuk 37

Wijziging van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over de weg, de spoorweg of de waterweg

Artikel 87

Artikel 2bis, § 6, van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over de weg, de spoorweg of de waterweg, verwijst naar artikel 166 van het Wetboek van strafvordering.

Artikel 166 werd echter opgeheven door de wet van 28 juni 1984. Er moet nu worden verwezen naar artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering.

Hoofdstuk 38

Wijziging van de wet van 16 juni 1970 betreffende de meeteenheden, de meetstandaarden en de meetwerktuigen

Artikel 88

Artikel 24 van de wet van 16 juni 1970 betreffende de meeteenheden, de meetstandaarden en de meetwerktuigen verwijst naar « de beschikkingen van artikel 561, 4º, van het Strafwetboek ». De verwijzing kan vervallen, aangezien artikel 561 van het Strafwetboek werd opgeheven door de wet van 17 juni 2004.

Hoofdstu



Terug naar het overzicht