Wetsvoorstel
22-03-2005

Sabine de Bethune

Wetsvoorstel betreffende het beroep op de vrijgevigheid van de bevolking en tot wijziging van de artikelen 104 en 110 van het Wetboek van de inkomstenbelasting 1992 (3-1108)

Ingediend door mevrouw Clotilde Nyssens
 


TOELICHTING

--------------------------------------------------------------------------------

Een project steunen met een gift is een edelmoedige daad, die de maatschappij ook erkent. De mens heeft al altijd projecten gesteund met schenkingen waarvoor niets in ruil werd verwacht, de zogenaamde giften.

Wanneer we in het verleden teruggaan, merken we dat giften altijd hebben bestaan om liefdadigheidsinstelling en, cultuur, medisch onderzoek enzovoort te steunen.

In ieder geval zijn giften onmisbaar in onze samenleving. Dankzij die giften kunnen natuurlijke personen of rechtspersonen projecten ondersteunen die de overheid niet wil of kan opstarten of die een individu niet alleen kan ontwikkelen.

Een deel van het verenigingsleven streeft door fondsenwerving altruïstische of menslievende doelstellingen na in uiteenlopende domeinen als de sociale sector, de gezondheidssector, ontwikkelingssamenwerking of noodhulp, cultuur, milieubescherming, dierenbescherming, erfgoed, mensenrechten, wetenschappelijk onderzoek enzovoort.

De privé-initiatieven die in al deze domeinen worden opgezet met vrijwilligers en professionals, met inzet en ervaring, met doorzetting en vernieuwingsdrang en met vallen en opstaan, zijn allemaal maatschappelijk relevante initiatieven die de bevolking en de overheid moeten aanmoedigen en financieel moeten ondersteunen.

Appelleren aan waarden als solidariteit en nobele of altruïstische gevoelens om de bevolking vrijgevig te maken, houdt niets bedrieglijks in. Fondsenwerving is een soort contract tussen twee partijen dat moet worden nageleefd. Al wie verwijst naar specifieke doelen — meestal om bepaalde faciliteiten te verkrijgen — moet voldoen aan bijzondere voorwaarden, met name inzake transparantie.

Een aantal zaken van verduistering van fondsen afkomstig van giften van het publiek zijn in het nieuws gekomen en hebben vooral het vertrouwen dat de bevolking stelde in het correct gebruik van het gegeven geld geschaad.

Deze schandalen schaden niet alleen de opbrengst van een actie die een beroep doet op de vrijgevigheid. Ze schaden indirect ook de hele filantropische sector aangezien potentiële schenkers niets meer willen geven omdat zij vrezen dat hun geld in verkeerde handen terechtkomt.

Bovendien is het niet meer dan billijk dat schenkers zoveel mogelijk informatie krijgen over de bestemming van hun giften.

Het beroep op de vrijgevigheid van de bevolking wordt momenteel geregeld bij koninklijk besluit van 22 september 1823 houdende bepalingen nopens het doen van collecten in de kerken en aan de huizen (1).

Deze achterhaalde regelgeving bepaalt niet veel meer dan dat de gemeentelijke overheden toestemming kunnen geven om collectes te houden op het grondgebied van één gemeente, dat de provincies toestemming kunnen geven om collectes te houden op het grondgebied van verscheidene gemeentes uit een provincie en dat de regering toestemming kan geven om collectes te houden op het grondgebied van verscheidene provincies.

Het besluit slaat op de « inzamelingen van penningen of waren », maar ook op het vragen van geld door lidkaarten aan te bieden, ... (2). Het slaat echter niet op de meer moderne vormen van liefdadigheidsacties via de media (kranten, telefoon, radio, televisie, internet, ...).

Bovendien slaat het alleen op inzamelingen gehouden « ter leniging van ongelukken of rampen ». Deze formulering heeft wel een uitgebreide interpretatie gekregen (3), maar betreft bijvoorbeeld niet de collecten voor het dierenwelzijn.

Ten slotte betreft het besluit enkel de huis-aan-huis collecten. Inzamelingsacties op de openbare weg vallen dus niet onder een eenvormige regelgeving, aangezien de gemeentebesturen daarvoor hun eigen politiebevoegdheid behouden (4).

Om de tekortkomingen weg te werken van het koninklijk besluit van 22 september 1823 is eerst teruggegrepen naar de bepalingen uit het koninklijk besluit van 28 november 1939 houdende reglementering van den leurhandel, vervolgens naar die uit de wet van 13 augustus 1986 betreffende de uitoefening van de ambulante activiteiten, en ten slotte naar die uit de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten.

In dat verband moet erop worden gewezen dat verkopen zonder winstoogmerk met een louter filantropisch doel, die plaatsvinden via verenigingen zonder winstoogmerk of instellingen van openbaar nut, niet onderworpen zijn aan de bepalingen welke zijn vervat in de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten, wanneer de minister tot wiens bevoegdheid de Middenstand behoort daartoe zijn machtiging heeft verleend (5).

Overeenkomstig het koninklijk besluit van 3 april 1995 tot regeling van de inwerkingtreding van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten, moet een dergelijke machtiging met een aangetekend schrijven worden aangevraagd bij de minister tot wiens bevoegdheid de Middenstand behoort, op voorwaarde dat de verenigingen zonder winstoogmerk en de instellingen van openbaar nut aan de volgende voorwaarden voldoen :

— de statuten van de vereniging of de instelling moeten in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt zijn ten minste twee jaar voorafgaand aan de datum van de indiening van de toestemmingsaanvraag;

— de bestuursleden van de vereniging of de instelling moeten zich ertoe verbinden de bewijsstukken voor te leggen waaruit blijkt dat de geldelijke middelen werden gebruikt voor de verwezenlijking van het aangegeven doel;

— voor de tekoopaanbieding en de verkoop mogen de verenigingen en instellingen in geen geval de medewerking inschakelen van een handelaar die hieruit enig financieel voordeel zou halen (6).

Een soortgelijke toestemming mag slechts worden verleend voor een periode van maximum één jaar, voor manifestaties die in totaal dertig dagen per jaar niet mogen overschrijden. Daarenboven moeten in de toestemmingsaanvraag het tijdschema van de manifestaties, de plaats van de verkopen en de lijst van de te koop aangeboden producten worden vermeld. Het tijdschema kan worden opgesplitst in verschillende periodes. Voor elke periode moet, voorafgaand aan de verkoop, een specifieke toestemming worden aangevraagd (7).

Tevens zij opgemerkt dat de verenigingen en de instellingen die door de minister van Financiën erkend zijn met toepassing van artikel 104, eerste lid, 3º, b), d), e) en g), en 4º, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, niet hoeven te bewijzen dat zij voldoen aan de voorwaarden van het koninklijk besluit van 3 april 1995 (8).

De wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument is inderdaad bedoeld om te worden toegepast als een handelaar bedrieglijk een liefdadig doel gebruikt om zijn handelsactiviteiten te bevorderen. Toch vormen de bepalingen van deze wet geenszins een beperking voor niet-handelaars die een beroep doen op de vrijgevigheid van de bevolking.

Overtredingen van de eerlijke handelspraktijken alleen worden overigens niet strafrechtelijk vervolgd.

Wij wijzen hier op een aantal bepalingen van het Strafwetboek (9) over « misbruik van vertrouwen » waarmee bepaalde vormen van misbruik van de menslievendheid van de bevolking gestraft kunnen worden.

Zo bepaalt artikel 491 van het Strafwetboek « Hij die ten nadele van een ander goederen, gelden, koopwaren, biljetten, kwijtingen, geschriften van om het even welke aard, die een verbintenis of een schuldbevrijding inhouden of teweegbrengen en die hem overhandigd zijn onder verplichting om ze terug te geven of ze voor een bepaald doel te gebruiken of aan te wenden, bedrieglijk verduistert of verspilt, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot vijfhonderd euro ».

Artikel 496 van hetzelfde Wetboek bepaalt : « Hij die [...] zich gelden, roerende goederen, verbintenissen, [...] doet afgeven [...], hetzij door het aanwenden van listige kunstgrepen om te doen geloven aan het bestaan van valse ondernemingen, [...] om [...] misbruik te maken van het vertrouwen of van de lichtgelovigheid, wordt gestraft met gevangenisstraf van een maand tot vijf jaar [...]. »

Met deze strafrechtelijke bepalingen wordt uiteindelijk slechts zelden voorkomen dat misbruik wordt gemaakt van de vrijgevigheid van de bevolking. De meest flagrante gevallen van misbruik worden soms wel bestraft (10), maar toch komen er zelden klachten, ook al omdat de benadeelden ieder apart vaak slechts kleine bedragen afhandig zijn gemaakt.

Ten slotte bepaalt artikel 7 van de wet van 31 december 1851 op de loterijen dat loterijen met een menslievend doel van lokale, provinciale of nationale aard respectievelijk aan de toestemming van de gemeenten, de bestendige deputaties of de regering zijn onderworpen.

Deze wet zou in principe de gemeentelijke, provinciale en nationale overheid de mogelijkheid moeten bieden erop toe te zien dat het geld dat ingezameld is via loterijen voor het goede doel ook effectief voor menslievende doeleinden wordt gebruikt. Deze overheden beschikken echter niet over de daartoe noodzakelijke informatie- en controlemiddelen.

De Staat wenst echter het geven van giften te stimuleren door deze voor de schenker fiscaal aftrekbaar te maken, een niet te verwaarlozen stimulans voor het mecenaat en de menslievendheid.

De bedoeling van die fiscale aftrekbaarheid is burgers aan te moedigen om vrijwillig financieel bij te dragen in activiteiten waaraan de overheid prioriteit toekent en om instellingen te steunen die de overheid wenst te betrekken bij het verwezenlijken van bepaalde vooropgestelde doelstellingen.

Op die manier kan de Staat zijn rechtstreekse inbreng in de financiering van de betrokken instellingen in overeenstemming houden met de budgettaire beperkingen.

De aftrekbare giften zijn giften in geld, behalve giften in de vorm van kunstwerken aan rijksmusea en aan bepaalde overheden die deze giften voor hun musea bestemmen.

Voor het aanslagjaar 2004 bedraagt het minimumbedrag voor een aftrekbare gift 30 euro in de personenbelasting of in de belasting van niet-inwoners. Het totaal van de giften mag niet meer bedragen dan 10 % van de netto-inkomsten en niet hoger liggen dan 299 780 euro.

In de vennootschapsbelasting mag het aftrekbare bedrag niet meer bedragen dan 5 % van de belastbare inkomsten en niet hoger liggen dan 500 000 euro.

De organisaties die fiscaal aftrekbare giften mogen ontvangen, worden opgesomd in artikel 104, 3º, 4º, 4ºbis, 4ºter en 5º, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

Deze kunnen worden onderverdeeld in twee categorieën : enerzijds de organisaties die vooraf erkend moeten worden en anderzijds de organisaties die niet aan een dergelijke procedure onderworpen zijn omdat zij bij naam worden genoemd in de betreffende wettelijke bepalingen of omdat zij tot een categorie behoren die niet onderworpen is aan deze procedure (11).

De erkenning wordt slechts verleend als de organisatie beantwoordt aan een reeks voorwaarden opgesomd in artikel 57 tot 59quinquies van het koninklijk besluit ter uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

Personen die een gift willen doen kunnen volledig vrij kiezen aan welke organisatie zij geld willen schenken.

Zij kunnen dus ook een gift doen aan een instelling die geen fiscaal attest mag uitreiken als voor hen de fiscale aftrekbaarheid niet zoveel belang heeft. Mensen kunnen dus vrij kiezen aan welke instelling zij een gift willen doen, maar kunnen die gift enkel fiscaal aftrekken als het een instelling betreft die gemachtigd is een kwijtschrift uit te reiken.

In het licht van deze wetgevende context werd in juni 1976 de VZW Vereniging voor ethiek in de fondsenwerving (VEF) opgericht door een vijftiental verenigingen die een beroep doen op de vrijgevigheid van het publiek.

Volgens haar statuten streeft de VEF ernaar een klimaat van vertrouwen en transparantie tot stand te brengen dat bevorderlijk is voor het werven van fondsen ten voordele van een sociaal doel.

De leden hebben ingestemd met een deontologische code en aanvaarden de controles en adviezen van het Comité van toezicht waarbij de schenkers recht hebben op informatie over het gebruik van de fondsen.

Sedertdien groepeert de VEF een honderdtal leden, goed voor 25 tot 30 % van alle vrijgestelde giften ontvangen door ongeveer 1 700 erkende verenigingen.

Er bestaan dus gedragscodes (op vrijwillige basis) zoals die van de VEF. Bovendien hebben volksvertegenwoordiger Denis Grimberghs een wetsvoorstel tot regeling van het beroep op de vrijgevigheid van de bevolking (12) en volksvertegenwoordigers Jean-Pierre Viseur en Jef Tavernier een wetsvoorstel betreffende het beroep op de vrijgevigheid van de bevolking (13) ingediend. Toch bestaat er voor het beroep op de vrijgevigheid van het publiek geen specifieke en geschikte regelgeving die de burger en de overheid maximale waarborgen biedt zonder dat evenwel wordt geraakt aan de vrijheid van vereniging.

Dit wetsvoorstel strekt ertoe deze juridische leemte aan te vullen door een label in het leven te roepen dat waarborgt dat geld ingezameld in het kader van een beroep op de vrijgevigheid wel degelijk wordt gebruikt voor het doel waarvoor het is ingezameld.

Verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen die geldinzamelingen houden of giften in natura ophalen voor acties of activiteiten op het vlak van cultuur, wetenschappelijk onderzoek, bijstand aan bepaalde categorieën personen in de sociale sector, ontwikkelingshulp, humanitaire hulp, verdediging van de mensenrechten, natuurbehoud, milieubescherming, duurzame ontwikkeling, monumenten- en landschapzorg, beheer van dierenasielen, of hulp aan slachtoffers van zeer grote industriële ongevallen, kunnen voortaan een label krijgen dat de schenkers waarborgt dat het ingezamelde geld ook voor die doeleinden wordt gebruikt.

Daartoe wordt een commissie opgericht voor het beroep op de vrijgevigheid van de bevolking. Deze commissie is samengesteld uit leden van organisaties die een beroep doen op de vrijgevigheid van de bevolking en uit een magistraat en zal het label mogen toekennen.

Om dit label te verkrijgen, moeten organisaties die een beroep op de vrijgevigheid van de bevolking doen ten minste voldoen aan de volgende voorwaarden :

— hun statuten moeten sedert ten minste twee volledige jaren zijn verschenen in het Belgisch Staatsblad;

— zij moeten jaarrekeningen van de jongste twee boekjaren hebben opgesteld en ingediend;

— de beheerders van deze organisaties mogen in de jongste tien jaren geen in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke veroordeling hebben opgelopen, wegens een misdrijf als bedoeld in de artikelen 489 tot 490bis van het Stafwetboek of wegens diefstal, valsheid, knevelarij, oplichting of misbruik van vertrouwen;

— zij mogen de wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens niet overtreden hebben;

— zij mogen geen fiscale of sociale schulden hebben;

— de administratieve kosten, de kosten voor reclame en fondsenwerving mogen de jongste twee boekjaren niet onredelijk hoog zijn gelet op het doel van het beroep op de vrijgevigheid;

— het brutobedrag aan lonen, premies en voordelen in natura mag niet onredelijk hoog zijn in verhouding tot de totale inkomsten.

— zij moeten de voorschriften in acht nemen van de Gedragsregels die de Commissie voor het beroep op de vrijgevigheid van de bevolking zal opstellen. Die Gedragsregels liggen in het verlengde van de deontologische code uitgewerkt door de Vereniging voor ethiek in de fondsenwerving (VEF) en verlenen die laatste bindende kracht.

Opdat verenigingen geneigd zouden zijn te trachten dit label te verkrijgen, strekt dit wetsvoorstel er ook toe de bevolking, en met name de schenkers, beter in te lichten over het nut en de aard van het label.

De Commissie zal, samen en met de steun van de FOD Financiën daarom ten minste een keer per jaar een gids voor het beroep op de vrijgevigheid van de bevolking opstellen waarin de verenigingen met een label zullen zijn opgenomen. Deze gids zal zowel op papier als elektronisch ter beschikking zijn.

Om schenkers ertoe aan te sporen verenigingen met een label te steunen, zullen enkel giften aan deze verenigingen nog fiscaal aftrekbaar zijn. Aangezien de Commissie voor het beroep op de vrijgevigheid van de bevolking beter uitgerust zal zijn om na te gaan of een vereniging kwijtschriften mag uitreiken zodat haar schenkers hun gift fiscaal kunnen aftrekken, wordt de bestaande procedure voor voorafgaande erkenning en toelating bij de FOD van Financiën afgeschaft. Dat zal leiden tot administratieve vereenvoudiging.

Er wordt ook bepaald dat personen die het label misbruiken of pogen te misbruiken en die door het gebruik van frauduleuze middelen, met name door verwarring te scheppen, ten onrechte de indruk wekken dat ze over het label beschikken, strafrechtelijk gestraft zullen worden.

COMMENTAAR BIJ DE ARTIKELEN
Artikel 2

Dit artikel definieert een aantal begrippen die het toepassingsgebied van dit wetsvoorstel afbakenen.

Het beroep op de vrijgevigheid wordt gedefinieerd als iedere oproep georganiseerd om giften in geld in te zamelen voor de financiering van acties of activiteiten op het vlak van cultuur, wetenschappelijk onderzoek, bijstand aan bepaalde categorieën personen in de sociale sector, ontwikkelingshulp, humanitaire hulp, verdediging van de mensenrechten, natuurbehoud, milieubescherming, duurzame ontwikkeling, monumenten- en landschapszorg, beheer van dierenasielen, hulp aan slachtoffers van erkende natuurrampen of hulp aan slachtoffers van zeer grote industriële ongevallen, met inbegrip van de verkoop van producten waarvan de winst wordt aangewend voor dezelfde doeleinden.

Dit wetsvoorstel is echter niet van toepassing op inzamelingen die uitsluitend worden gehouden op de plaats van de eredienst aangezien de gelovigen zich vrijwillig naar een plaats hebben begeven waarvan zij geacht worden te weten dat er een inzameling wordt gehouden. Bovendien bestaat er inzake financieel toezicht op de kerken van de erkende erediensten al een specifieke regelgeving waaraan dit wetsvoorstel geen wijzigingen beoogt aan te brengen (14).

Ook geldinzamelingsacties die uitsluitend gericht zijn op de leden van een organisatie vallen niet onder dit wetsvoorstel. Deze uitzondering wordt gemaakt omdat verondersteld mag worden dat leden van een vereniging, precies omdat zij lid zijn en blijven, toch een minimum aan vertrouwen in die vereniging hebben. Bovendien beschikt iedere VZW over statuten waarin de organen en de interne werking worden uiteengezet en waarin de leden een aantal rechten krijgen. De leden kunnen dus via deze organen informatie krijgen over de bestemming van hun geld.

Naar aanleiding van de opmerkingen van de Raad van State over het wetsvoorstel van de heer Denis Grimberghs tot regeling van het beroep op de vrijgevigheid van de bevolking (15), beperkt dit wetsvoorstel het gebruik van het label tot organisaties met rechtspersoonlijkheid, dus verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen bedoeld in de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen.

Artikel 3

Dit artikel strekt ertoe een kwaliteitslabel in te voeren waarmee organisaties die een beroep doen op de vrijgevigheid van de bevolking kunnen aantonen dat zij hun schenkers de zekerheid bieden dat het ingezamelde geld gebruikt wordt voor de aangekondigde doelstellingen.

De Commissie voor het beroep op de vrijgevigheid van de bevolking, die is samengesteld uit drie ambtenaren van de FOD Financiën en een ambtenaar van de FOD Justitie, vier leden van verenigingen die een beroep doen op de vrijgevigheid van de bevolking en een magistraat, zal het label mogen toekennen voor een periode van drie jaar.

Om dit label te kunnen verkrijgen, moeten organisaties die een beroep doen op de vrijgevigheid van de bevolking, beantwoorden aan de door de Koning vastgestelde criteria, die ten minste de volgende voorwaarden omvatten :

— hun statuten moeten sedert ten minste twee volledige jaren zijn verschenen in het Belgisch Staatsblad;

— zij moeten jaarrekeningen van de jongste twee boekjaren hebben opgesteld en ingediend;

— zij mogen de wet tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens niet overtreden hebben;

— de beheerders van deze organisaties mogen in de jongste tien jaren geen in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke veroordeling hebben opgelopen, wegens een misdrijf als bedoeld in de artikelen 489 tot 490bis van het Stafwetboek of wegens diefstal, valsheid, knevelarij, oplichting of misbruik van vertrouwen;

— zij mogen geen fiscale of sociale schulden hebben;

— de administratieve kosten, de kosten voor reclame en fondsenwerving in verhouding tot de uitgaven in de jongste twee boekjaren mogen niet onredelijk hoog zijn gelet op het doel van het beroep op de vrijgevigheid;

— het brutobedrag aan lonen, premies en voordelen in natura mag niet onredelijk hoog zijn in verhouding tot de totale ontvangsten;

— zij moeten de voorschriften in acht nemen van de Gedragsregels die de Commissie voor het beroep op de vrijgevigheid van de bevolking zal opstellen. Die Gedragsregels liggen in het verlengde van de deontologische code uitgewerkt door de Vereniging voor ethiek in de fondsenwerving (VEF) en verlenen die laatste bindende kracht.

De Commissie voor het beroep op de vrijgevigheid van de bevolking moet kunnen nagaan of aan deze voorwaarden wordt voldaan. Daartoe krijgt zij de bevoegdheid om dit na te gaan bij de bevoegde overheidsdiensten.

Artikel 4

Dit artikel strekt ertoe te bepalen welke controles gelden voor de organisaties die een label hebben gekregen van de Commissie voor het beroep op de vrijgevigheid.

Dit programma wordt uitgewerkt samen met de begunstigde en moet de Commissie de mogelijkheid bieden na te gaan of de voorwaarden bedoeld in artikel 4 zijn nageleefd en de middelen te beoordelen die de organisatie gebruikt om de schenkers automatisch te informeren over de besteding van het ingezamelde geld. Het feit dat de schenkers automatisch worden ingelicht, impliceert dat zij de betrokken organisatie niet expliciet om informatie moeten vragen. Deze informatie kan verspreid worden via het Staatsblad, een website, een mailing of een ander middel dat toegankelijk is voor alle betrokkenen en waarover zij worden ingelicht.

Artikel 5

Dit artikel strekt ertoe de voorlichting van de bevolking, meer bepaald van de schenkers, over rol en aard van het label, te stimuleren.

De Commissie, samen en met de steun van de FOD Financiën, zal daarom ten minste een keer per jaar een gids voor het beroep op de vrijgevigheid van de bevolking opstellen waarin de verenigingen met een label zullen zijn opgenomen. Deze gids zal zowel op papier als elektronisch beschikbaar zijn.

Artikel 6

Dit artikel richt een Commissie voor het beroep op de vrijgevigheid van de bevolking op, die is samengesteld uit drie ambtenaren van de FOD Financiën en een ambtenaar van de FOD Justitie, vier leden van verenigingen die een beroep doen op de vrijgevigheid van de bevolking en een door de Koning aangewezen magistraat die de bevoegdheid zal hebben het label toe te kennen.

De Commissie wordt beschouwd als een administratieve overheid als bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Tegen beslissingen over labels zal dus beroep kunnen worden aangetekend bij de Raad van State en de beslissingen zullen moeten worden gemotiveerd overeenkomstig de wet van 29 juli 1999 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.

Artikel 7

Dit artikel geeft de Commissie voor het beroep op de vrijgevigheid van de bevolking de mogelijkheid de machtiging om het label te gebruiken in te trekken indien de voorwaarden vermeld in artikel 3 niet in acht worden genomen.

Elke intrekking van het label moet door de Commissie worden gemotiveerd overeenkomstig de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen aangezien dergelijke beslissing moet worden beschouwd als een bestuurshandeling waartegen bij de Raad van State beroep kan worden ingesteld.

Artikel 8

Dit artikel bepaalt dat de kosten die worden gemaakt voor het beheer van het label, inclusief de begrotingsmiddelen bestemd voor het secretariaatspersoneel van de commissie, de werkingskosten van de commissie en het presentiegeld, worden gedragen door de FOD Financiën.

De daartoe vereiste begrotingsmiddelen worden ter beschikking gesteld van de minister en worden jaarlijks opgevoerd op de algemene uitgavenbegroting.

Artikel 9

Dit artikel strekt ertoe de schenkers aan te moedigen de verenigingen te steunen bedoeld in artikel 104, 3º, e), i), j), k) en 4º, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 die het label bezitten. Voortaan zullen alleen zij fiscaal aftrekbare giften kunnen ontvangen.

Aangezien de Commissie voor het beroep op de vrijgevigheid van de bevolking beter uitgerust zal zijn om na te gaan of een vereniging kwijtschriften mag uitreiken zodat haar schenkers hun gift fiscaal kunnen aftrekken, wordt de bestaande procedure voor voorafgaande erkenning en toelating bij de FOD Financiën afgeschaft. Dat zal leiden tot administratieve vereenvoudiging.

Artikel 10

Dit artikel wijzigt artikel 110 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, op grond waarvan de Koning wordt gemachtigd te bepalen onder welke voorwaarden en op welke wijze de verenigingen en de instellingen die de belastingaftrek genieten worden erkend. Krachten dit artikel 10 vervalt de verwijzing naar artikel 104, 3º, e), i), j), k) en 4º, aangezien de procedure tot erkenning van de verenigingen en instellingen wordt opgeheven en vervangen door de procedure tot erkenning van het label.

Artikel 11

Dit artikel strekt ertoe personen die het label misbruiken of pogen te misbruiken en die door het gebruik van frauduleuze middelen, met name door het scheppen van verwarring, ten onrechte de indruk wekken dat ze over het label beschikken, te ontmoedigen en strafrechtelijk te straffen.

Artikel 12

Dit artikel bepaalt dat deze wet in werking treedt op de eerste dag van de zesde maand volgend op die gedurende welke hij in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.

Clotilde NYSSENS.

--------------------------------------------------------------------------------

WETSVOORSTEL

--------------------------------------------------------------------------------

Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

Voor de toepassing van deze wet moet worden verstaan onder :

1º Het beroep op de vrijgevigheid : iedere oproep georganiseerd om giften in geld of in natura in te zamelen voor de financiering van acties of activiteiten op het vlak van cultuur, wetenschappelijk onderzoek, bijstand aan bepaalde categorieën personen in de sociale sector, ontwikkelingshulp, humanitaire hulp, verdediging van de mensenrechten, natuurbehoud, milieuberscherming, duurzame ontwikkeling, monumenten- en landschapszorg, beheer van dierenasielen, hulp aan slachtoffers van erkende natuurrampen of hulp aan slachtoffers van zeer grote industriële ongevallen, met inbegrip van de verkoop van producten waarvan de winst wordt aangewend voor dezelfde doeleinden, met uitsluiting evenwel van collectes uitsluitend gehouden op de plaats van een eredienst en acties waarbij rechtspersonen een beroep doen op de vrijgevigheid van hun leden alleen;

2º Commissie : de commissie voor het beroep op de vrijgevigheid die bij deze wet wordt opgericht;

3º Label : het label voor het beroep op de vrijgevigheid dat garandeert dat de ingezamelde giften in geld of in natura worden gebruikt voor de doeleinden waarvoor zij worden ingezameld;

4º Organisatie : verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen bedoeld in de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen;

5º Administratieve kosten : het geheel van uitgaven, zoals bepaald door de Koning, die niet worden aangewend voor de financiering van acties of activiteiten waarvoor een organisatie een beroep heeft gedaan op de vrijgevigheid van de bevolking.

Art. 3

§ 1. Er wordt een label ingesteld dat organisaties kunnen gebruiken als zij een beroep doen op de vrijgevigheid van de bevolking.

Dit label wordt toegekend door de Commissie.

§ 2. Op voorstel van de Commissie stelt de Koning Gedragsregels vast betreffende het beroep op de vrijgevigheid.

§ 3. De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de criteria vast op basis waarvan het label wordt toegekend. Deze criteria omvatten ten minste de volgende voorwaarden :

1º de statuten moeten sedert ten minste twee volledige kalenderjaren voorafgaand aan de in § 4 bedoelde aanvraag zijn bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad;

2º de jaarrekeningen van de twee boekjaren voorafgaand aan de in § 4 bedoelde aanvraag moeten zijn opgesteld en ingediend overeenkomstig de artikelen 17, 37 en 53 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen naargelang de organisatie een vereniging zonder winstoogmerk, een internationale vereniging zonder winstoogmerk of een stichting is;

3º de beheerders van deze organisaties mogen in de jongste tien jaren geen in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke veroordeling hebben opgelopen, wegens een midrijf als bedoeld in de artikelen 489 tot 490bis van het Strafwetboek of wegens diefstel, valsheid, knevelarij, oplichting of misbruik van vertrouwen op de datum waarop de aanvraag tot toekenning van het label bedoeld in § 4 werd ingediend;

4º de Commissie voor de bescherming van de persoonlijk levenssfeer verklaart dat tegen de organisatie, tot op de datum waarop de aanvraag tot toekenning van het label bedoeld in § 4 werd ingediend, geen ontvankelijke en gegronde klacht is ingediend betreffende de verwerking van persoonsgegevens overeenkomstig de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens;

5º de organisatie mag in de jongste vijf jaren geen in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke veroordeling hebben opgelopen als bedoeld in de artikelen 38 en 39 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens;

6º de ontvanger van de directe belastingen en van de BTW in wiens ambtsgebied de zetel van de organisatie gevestigd is, verklaart dat, tot op de datum waarop de aanvraag tot toekenning van het label bedoeld in § 4 werd ingediend, geen belasting of voorheffing verschuldigd is, noch enige taks of boete als hoofdsom of als nalatigheidsintresten en bijkomende kosten die een zekere en vaststaande schuld vormen;

7º de Rijksdienst voor sociale zekerheid verklaart dat de organisatie, tot op de datum waarop de aanvraag bedoeld in § 4 werd ingediend, in orde is met de bijdragen voor de sociale zekerheid en voor de bestaanszekerheid als de Belgische organisatie personeel tewerkstelt dat onderworpen is aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;

8º het percentage administratieve kosten in verhouding tot het totale bedrag aan uitgaven in de jongste twee boekjaren mag niet onredelijk hoog zijn gelet op het doel van het beroep op de vrijgevigheid;

9º het percentage kosten voor reclame en fondsenwerving in verhouding tot het totale bedrag aan giften in de jongste twee boekjaren mag niet onredelijk hoog zijn gelet op het doel van het beroep op de vrijgevigheid;

10º het brutobedrag aan lonen, premies en voordelen in natura mag niet onredelijk hoog zijn in verhouding tot de totale ontvangsten van de organisatie;

11º de organisatie moet voldoen aan de voorschriften van de in § 2 bedoelde Gedragsregels.

§ 4. De aanvraag voor het verkrijgen of het verlengen van een label wordt gericht tot de Commissie. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de procedure die moet worden gevolgd voor het verkrijgen of het verlengen van het label.

Het label wordt toegekend of verlengd voor de termijn bepaald in het in artikel 4 bedoelde controleprogramma. Die termijn mag niet langer zijn dan drie jaar.

§ 5. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden voor het gebruik van het label en de kenmerken van het pictogram dat het label verbeeldt.

§ 6. De Commissie spreekt zich al dan niet op eigen initiatief uit over de klachten die door een natuurlijke persoon of door een rechtspersoon geuit worden betreffende het gebruik van het label.

§ 7. De bestuursdiensten van de Staat, met inbegrip van de parketten en de griffies der hoven en van alle besturen van de gemeenschappen, de gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten en de gemeenten, zomede de openbare instellingen en organen, zijn gehouden, wanneer zij daartoe worden aangezocht door de Commissie, alle in hun bezit zijnde inlichtingen te verstrekken, zonder verplaatsing inzage van alle in hun bezit zijnde akten, stukken, registers en bescheiden te verlenen, en alle inlichtingen, afschriften of uittreksels te laten nemen, die de Commissie nodig acht voor het bestuderen van de aanvraag voor het verkrijgen of verlengen van het label.

Evenwel mogen de akten, stukken, registers, documenten of inlichtingen betreffende gerechtelijke procedures enkel worden meegedeeld met de uitdrukkelijke toelating van de procureur-generaal bij het hof van beroep.

Art. 4

De Commissie bepaalt in samenwerking met de begunstigde op welke wijze de controle verloopt van de organisatie die de toekenning of de verlenging van het label heeft gevraagd en beoordeelt de middelen die de organisatie gebruikt om haar schenkers automatisch in te lichten over de besteding van het ingezamelde geld.

Art. 5

§ 1. In samenwerking met en met de steun van de FOD Financiën ziet de Commissie toe op de voorlichting van de bevolking, meer bepaald van de schenkers, over rol en aard van het label.

§ 2. In samenwerking met en met de steun van de FOD Financiën ziet de Commissie erop toe dat ten minste eenmaal per jaar een gids voor het beroep op de vrijgevigheid van de bevolking wordt opgesteld, waarin de verenigingen met het label zijn opgenomen.

De gids moet draagbaar, compact en toegankelijk zijn via de internetsite van de FOD Financiën. De gids wordt kosteloos ter beschikking gesteld van al wie hem bij de FOD Financiën aanvraagt.

§ 3. In samenwerking met en met de steun van de FOD Financiën publiceert de Commissie jaarlijks een evaluatierapport ten behoeve van de Kamer van volksvertegenwoordigers en van de Senaat en bezorgt ze die assemblees adviezen.

Art. 6

§ 1. Er wordt een Commissie voor het beroep op de vrijgevigheid opgericht.

§ 2. De Koning benoemt de leden van de Commissie op basis van een oproep tot kandidaten die wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De Commissie bestaat uit negen leden, met inbegrip van de voorzitter en de ondervoorzitter.

De Commissie is samengesteld als volgt :

1º een effectief, plaatsvervangend, emeritus- of eremagistraat;

2º drie ambtenaren van de FOD Financiën;

3º een ambtenaar van de FOD Justitie;

4º vier leden van verenigingen die een beroep doen op de vrijgevigheid van de bevolking;

§ 3. De FOD Financiën zorgt voor het secretariaat van de commissie.

§ 4. De Commissie stelt haar huishoudelijk reglement op.

§ 5. De Commissie wordt beschouwd als een administratieve overheid als bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

Art. 7

Indien het label gebruikt wordt zonder dat aan de voorwaarden bepaald in artikel 3 voldaan is of indien de organisatie zich verzet tegen de controle waartoe ze zich overeenkomstig artikel 4 heeft verbonden, kan de Commissie de machtiging om het label te gebruiken, intrekken.

Overeenkomstig de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen motiveert de Commissie elke intrekking van het kabel.

De naam van de organisatie die het label ten onrechte gebruikt, wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en op de internetsite van de FOD Financiën.

Vanaf de dertigste dag na de bekendmaking van de beslissing in het Belgisch Staatsblad mag de houder van het label er geen gebruik meer van maken.

Art. 8

De kosten die worden gemaakt voor het beheer van het label, met inbegrip van de begrotingsmiddelen bestemd voor het personeel van het secretariaat van de Commissie, de werkingskosten van de Commissie en het presentiegeld worden gedragen door de FOD Financiën.

De daartoe vereiste begrotingsmiddelen worden ter beschikking gesteld van de minister en worden jaarlijks opgevoerd op de algemene uitgavenbegroting.

Art. 9

In artikel 104, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º in het eerste lid, 3º, e), worden de woorden « door de minister van Financiën » vervangen door de woorden « het label bezitten toegekend door de Commissie voor het beroep op de vrijgevigheid van de bevolking, ingesteld bij de wet van ... betreffende het beroep op de vrijgevigheid van de bevolking; ».

2º in het eerste lid, 3º, i), worden de woorden « door de minister van Financiën en door de minister tot wiens bevoegdheid het leefmilieu behoort » vervangen door de woorden « door de minister tot wiens bevoegdheid het leefmilieu behoort en die voor de toepassing van de belastingwet, het label bezitten toegekend door de Commissie voor het beroep op de vrijgevigheid van de bevolking, ingesteld bij de wet van ... betreffende het beroep op de vrijgevigheid van de bevolking en tot wijziging van de artikelen 104 en 110 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992; ».

3º in het eerste lid, 3º, j), worden de woorden « die door de Koning erkend zijn » vervangen door de woorden « die, voor de toepassing van de belastingwet, het label bezitten toegekend door de Commissie voor het beroep op de vrijgevigheid van de bevolking, ingesteld bij de wet van ... betreffende het beroep op de vrijgevigheid van de bevolking en tot wijziging van de artikelen 104 en 110 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992; ».

4º in het eerste lid, 3º, k), worden de woorden « die voldoen aan de voorwaarden door de Koning vastgesteld op voorstel van de minister van Financiën » vervangen door de woorden « die het label bezitten toegekend door de Commissie voor het beroep op de vrijgevigheid van de bevolking, ingesteld bij de wet van ... betreffende het beroep op de vrijgevigheid van de bevolking en tot wijziging van de artikelen 104 en 110 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992; ».

5º in het eerste lid, 4º, worden de woorden « van Financiën en door de minister tot wiens bevoegdheid de ontwikkelingssamenwerking behoort » vervangen door de woorden « tot wiens bevoegdheid de ontwikkelingssamenwerking behoort en die het label bezitten toegekend door de Commissie voor het beroep op de vrijgevigheid van de bevolking, ingesteld bij de wet van ... betreffende het beroep op de vrijgevigheid van de bevolking en tot wijziging van de artikelen 104 en 110 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992; ».

Art. 10

In artikel 110 van hetzelfde Wetboek worden de woorden « in artikel 104, 3º, b), d), e), g), i), j), 4º en 4ºbis » vervangen door de woorden « in artikel 104, 3º, b), d), g) en 4ºbis ».

Art. 11

§ 1. Met gevangenisstraf van acht dagen tot vijf jaar en met geldboete van 12,40 euro tot 12 400 euro of met een van die straffen alleen wordt gestraft, hij die :

1º met overtreding van de bepalingen van deze wet, het label gebruikt of poogt te gebruiken;

2º door listige kunstgrepen, inzonderheid door handelingen die tot verwarring aanleiding kunnen geven, ten onrechte de indruk wekt te beschikken over het label.

In geval van herhaling binnen drie jaar na een veroordeling wegens een overtreding bedoeld in deze wet, kan de straf worden verdubbeld.

De bepalingen van boek I van het Strafwetboek zijn van toepassing op de overtredingen van deze wet.

§ 2. Onverminderd de plichten van de officieren van gerechtelijke politie zijn de daartoe door de minister aangestelde ambtenaren bevoegd om de overtredingen van deze wet op te sporen en vast te stellen. De door deze ambtenaren opgemaakte processen-verbaal hebben bewijskracht tot het tegendeel bewezen is.

§ 3. De daartoe door de minister aangestelde ambtenaren kunnen, na inzage van de processen-verbaal die een overtreding van de bepalingen van deze wet vaststellen en opgemaakt zijn door de in § 2 bedoelde ambtenaren, aan de overtreders een som voorstellen waarvan de betaling de strafvordering doet vervallen. Op voorstel van de minister stelt de Koning het tarief vast alsook de wijze van betaling en inning.

Art. 12

Deze wet treedt in werking de eerste dag van de zesde maand volgend op die gedurende welke hij in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.

2 februari 2005.

Clotilde NYSSENS.
Sabine de BETHUNE.
Jean CORNIL.
Isabelle DURANT.

--------------------------------------------------------------------------------

(1) Gepubliceerd in het Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden nr. 41.

(2) Zie ministeriële omzendbrief van 3 juni 1991, Belgisch Staatsblad van 9 augustus 1991; ministeriële omzendbrief van 9 augustus 1955.

(3) Zie ministeriële omzendbrief van 9 augustus 1955; zie ook X., Les appels à la générosité de la population in Dossier de l'aide sociale, 1981/29, blz. 3.

(4) Cass. 21 december 1953, Pas., 1954, I, blz. 342; zie ook ministeriële omzendbrief van 12 februari 1970.

(5) Zie artikel 5, 1º, van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten, Belgisch Staatsblad van 30 september 1993.

(6) Artikel 4 van het koninklijk besluit van 3 april 1995 tot uitvoering van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten, Belgisch Staatsblad van 8 juni 1995.

(7) Artikel 3 van het koninklijk besluit van 3 april 1995 tot uitvoering van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten, Belgisch Staatsblad van 8 juni 1995.

(8) Artikel 6 van het koninklijk besluit van 3 april 1995 tot uitvoering van de wet van 25 juni 1993 betreffende de uitoefening van ambulante activiteiten en de organisatie van openbare markten, Belgisch Staatsblad van 8 juni 1995.

(9) Zie Boek II, Titel IX, Hoofdstuk II, Afdeling II van het Strafwetboek.

(10) Zie bijvoorbeeld Antwerpen, 11 mei 1984, Rechtskundig Weekblad 1984/85, kol. 2258 en volgenden.

(11) Zie www.fiscus.fgov.be.

(12) Wetsvoorstel tot regeling van het beroep op de vrijgevigheid van de bevolking, stuk Kamer, nr. 548/1, 91/92.

(13) Wetsvoortsel betreffende het beroep op de vrijgevigheid van de bevolking, stuk Kamer, nr. 912/1, 96/97.

(14) Zie de wet van 18 germinal jaar X inzake de inrichting der erediensten, wet van 4 maart 1870 op de temporaliën der erediensten, zie ook het koninklijk besluit van 16 augustus 1877 inzake de begroting van de protestants-evangelische kerken en de israëlitische synagogen, het koninklijk besluit van 3 mei 1978 tot inrichting van de comités belast met het beheer van de temporaliën van de erkende islamitische gemeenschappen en het koninklijk besluit van 12 juli 1989 inzake de kerkfabriekraden van de orthodoxe eredienst.

(15) Zie advies van de Raad van State betreffende het wetsvoorstel van de heer Denis Grimberghs tot regeling van het beroep op de vrijgevigheid van de bevolking, stuk Kamer, nr. 548/2, 91/92.



Terug naar het overzicht