Wetsvoorstel
20-12-2004

Sabine de Bethune - Erika Thijs - Luc Van den Brande

Voorstel van resolutie over de Europese ontwikkelingssamenwerking (3-963)

--------------------------------------------------------------------------------

TOELICHTING

--------------------------------------------------------------------------------

1. Wettelijk en historisch kader van de Europese ontwikkelingssamenwerking
Rechtsgrondslag

De bevoegdheden van de Europese Unie inzake de ontwikkelingssamenwerking zijn vastgelegd in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (EG-verdrag) en met name in de artikelen :

— 177-181 (130U-130Y) — algemene bepalingen

— 310 (238) — overeenkomst van Cotonou en een aantal associatie-overeenkomsten

— 133 (113) — stelsel van algemene preferenties en samenwerkingsovereenkomsten

— 308 (235) — financiële en technische bijstand aan ontwikkelingslanden in Azië en Latijns-Amerika

Doelstellingen

Artikel 177 van het EG-verdrag bepaalt :

« Het beleid van de Gemeenschap draagt bij tot de doelstelling van ontwikkeling en consolidatie van de democratie en van de rechtsstaat; het is gericht op de bevordering in de ontwikkelingslanden van :

— duurzame economische en sociale ontwikkeling;

— harmonische en geleidelijke integratie in de wereldeconomie;

— de strijd tegen de armoede. »

Naast het formuleren van algemene beleidsdoelstellingen zijn er drie nieuwe verplichtingen voor de Gemeenschap en haar lidstaten bijgekomen.

— Artikel 178 : de uitvoering van beleid dat gevolgen kan hebben voor de ontwikkelingslanden moet rekening houden met de ontwikkelingsdoelstellingen;

— Artikel 180 : De Europese Unie en de lidstaten dienen voor hun hulpprogramma's te overleggen en hun ontwikkelingsbeleid coördineren;

— Artikel 181 : De Gemeenschap en de lidstaten dienen samen te werken met derde landen en met de bevoegde internationale organisaties;

Door het opnemen van bepalingen inzake ontwikkelingsbeleid in het EG-Verdrag wordt het ontwikkelingsbeleid verheven tot een op zichzelf staand communautair beleidsterrein (Europese Commissie heeft initiatiefrecht, geen unanimiteit vereist in de Europese Raad, ...).

Instrumenten

De Europese Unie beschikt voor haar ontwikkelingsbeleid over de volgende instrumenten.

A. De regionale overeenkomsten

— de Overeenkomst van Cotonou waarbij 77 landen uit Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan zijn aangesloten;

— de akkoorden met de Maghreb (Algerije, Marokko en Tunesië) en de Mashrek-landen (Egypte, Jordanië, Libanon en Syrië);

— + andere.

Deze regionale aanpak wordt gekenmerkt als volgt :

— de overeenkomsten hebben betrekking op alle mogelijke vormen van samenwerking (op commercieel, technisch, financieel en cultureel gebied) terwijl de meest recente overeenkomsten ook voorzien in een politieke dialoog;

— ze zijn ingebed in internationale verdragen die door de betrokken parlementen moeten worden geratificeerd;

— de begunstigde landen kunnen zelf beslissen waarvoor zij de verschillende samenwerkingsmiddelen gebruiken;

— deze vorm van samenwerking staat open voor ontwikkelingslanden van bepaalde geografische regio's.

B. Acties op mondiaal niveau

— de verschillende soorten handels- en samenwerkingsovereenkomsten met landen in Latijns-Amerika en Azië;

— het communautaire stelsel van algemene tariefpreferenties;

— financiële en technische hulpverlening aan ontwikkelingslanden in Latijns-Amerika en Azië;

— humanitaire hulp;

— speciale fondsen;

— de strijd tegen de armoede.

Historiek

Het EU-ontwikkelingsbeleid is geen duidelijk afgebakend geheel. Het omvat een hele reeks programma's en projecten. De bevoegdheden zijn verspreid over vijf EU-commissarissen. Het ontwikkelingsbeleid is een historisch gegroeid proces.

In het Verdrag van Rome (1957), bij de oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, werd in de mogelijkheid voorzien van associaties met landen en gebieden overzee. De associatieakkoorden vormden de basis voor het eerste ontwikkelingsbeleid van Europa. Deze akkoorden waren gericht op landen die behoren tot de koloniale erfenis van de lidstaten van de Gemeenschap. Deze landen hadden speciale relaties met Frankrijk, Nederland, Italië en België. De Gemeenschap was toen een economisch samenwerkingsverband dat de bevoegdheid had over handelszaken. Het eerste ontwikkelingsbeleid was dan ook beperkt tot handelspreferenties en commerciële akkoorden met de landen en gebieden overzee.

De conventies van Yaoundé (1963 en 1969) vormden het vervolg van de associatieakkoorden met de landen en gebieden overzee die in een sneltempo onafhankelijk waren geworden. De akkoorden van Yaoundé bevatten preferentiële toegang voor producten van associatielanden tot de markt van de Gemeenschap. Dit betekent minder handelsbarrières, dus lagere importtarieven of afschaffing van de quotabeperkingen. De handelsrelatie was echter ook wederkerig. Het garandeerde de toegang van de Gemeenschap tot de belangrijke grondstoffenmarkt in de voormalige kolonies.

De uitbreiding van de Gemeenschap in 1973 met het Verenigd Koninkrijk zorgde voor een doorbraak in het ontwikkelingsbeleid. Het geografisch bereik werd sterk uitgebreid met de introductie van het Lomé-akkoord van 1975. Maar liefst 46 landen maakten deel uit van de ACS-groep die staat voor landen uit Afrika, de Caraïben en de Stille Zuidzee. Lomé had eerder een structuur van partnerschap en samenwerking dan van associatie. De handelsrelaties waren niet meer wederkerig. Er kwam een meer asymmetrische relatie in het voordeel van de ontwikkelingslanden.

Het Lomé-akkoord werd tot op vandaag al drie maal vernieuwd en in 2000 kwam de opvolger : het Cotonou-akkoord. De eerste Lomé-akkoorden omhelsden samenwerking op handelsgebied en technische en financiële samenwerking. Op handelsgebied genieten de ACS-landen de afschaffing van douanerechten voor de meeste industrie- en landbouwproducten. De laatste mogen producten die bescherming genieten van het Europese landbouwbeleid economisch niet bedreigen. Bovendien is er geen wederkerigheid, dus ACS-landen hoeven hun grenzen niet open te stellen voor Europese producten. Programma's en projecten inzake publieke investeringen (wegen, ziekenhuizen, ...) maken deel uit van de technische en financiële samenwerking.

De niet-wederkerige handelspreferenties, de contractuele verplichtingen van de EU tegenover de ACS-landen, het zelfbeschikkingsrecht van de hulpontvangende landen over de middelen die zij krijgen, ... worden in vraag gesteld. In de vernieuwde Lomé-akkoorden komen er voorwaarden voor hulp. Er komen eisen inzake politieke organisatie zoals democratie, mensenrechten en goed bestuur. Ook bepalingen omtrent cultuur en milieu werden opgenomen in de Lomé-akkoorden.

In 2000 werd het Cotonou-akkoord goedgekeurd. In de toekomst zullen niet enkel overheden van de ACS-landen beslissen over de beschikbare Europese middelen ook de civil society wordt ingeschakeld. Zo wordt er een maatschappelijk draagvlak gecreëerd en is er een vorm van controle. Bijzonder aan het Cotonou-akkoord is dat er een nieuw handelsregime zal ondertekend worden in 2008, met name Economische Partnerschap Akkoorden (EPA). Deze EPA's zijn vrijhandelsakkoorden tussen 6 ACS-regio's en de Europese Unie.

Met de toetreding van Griekenland (1981), Spanje en Portugal (1986) groeide de aandacht voor het Middellandse Zeegebied en de oude kolonies in Latijns-Amerika en Azië. Na de Koude Oorlog in 1989 groeide de interesse voor Oost- en Centraal Europa en landen van de voormalige Sovjet-Unie waarbij de geografische spreiding over de wereld werd voltooid. Voor deze nieuwe gebieden kwamen afzonderlijke geografische programma's tot stand. In tegenstelling tot de Lomé-akkoorden was er geen multilateraal verdrag met de landen van deze regio's. De akkoorden zijn bilateraal, maar zijn veelal opgenomen in geografische programma's en budgetposten.

De Lomé-akkoorden zijn veeleer geïnspireerd door historische banden en het ontwikkelingsdenken in het kader van Noord-Zuid relaties en solidariteit. Terwijl de latere geografische interesse voor het Middellandse Zeegebied en Centraal en Oost-Europa vooral gedreven is door economische en politieke belangen. De toegenomen vrijhandel met deze gebieden stimuleert de economische groei. De export van het politiek-filosofisch model van de Unie (economische integratie en wederzijdse afhankelijkheid leidt tot vrede en veiligheid) moet stabiliteit brengen aan de grenzen van de Unie.

We zien een sterke evolutie van een geconcentreerd ontwikkelingsbeleid op Afrika en later de Caraïben en de Stille Zuidzee naar een uitgebreid geografisch netwerk. Deze expansie vermindert het aandeel van de hulp aan de ACS-landen in het totale ontwikkelingsbeleid. Het zijn met name ook die landen die tot de minst ontwikkelde behoren.

In 2001 nam Europa een nieuw initiatief naar de Minst Ontwikkelde Landen (MOL) toe. « Everything But Arms » laat 49 MOL's waarvan 39 ACS-landen toe om alle goederen tegen nul procent importtarief naar Europa te exporteren. Tot 2009 is er echter een uitzondering voor de producten bananen, rijst en suiker. Voor enkele MOL's is het aandeel van deze producten in hun export juist het grootst. Handel in wapens behoort niet tot het akkoord. Het handelsakkoord is niet wederkerig.

2. 2004 : een nieuw kader voor ontwikkelingssamenwerking voor het komende decennium
Het jaar 2004 betekent een keerpunt voor het Europees ontwikkelingsbeleid. Dit jaar wordt door tal van omstandigheden en beslissingen een nieuw kader geschapen waarin de relatie en samenwerking tussen de Europese Unie en het Zuiden grondig zal wijzigen.

Wijziging van het politiek leiderschap

Het politiek evenwicht en leiderschap in de drie belangrijkste instellingen, zijnde de Europese Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie worden gewijzigd in 2004.

— In de tweede week van juni 2004 hebben in alle lidstaten Europese verkiezingen plaatsgevonden zodat er heel wat nieuwe parlementsleden zullen zetelen. Bovendien wordt het Europees Parlement uitgebreid met de leden van de nieuwe lidstaten. Deze historische verandering kan een belangrijke impact hebben op de wijze waarop de instelling de ontwikkelingssamenwerking benadert.

— In 2004 wordt een nieuw College van Commissarissen aangesteld. Het mandaat van de Europese Commissie start op 1 november 2004. Ten gevolge van de uitbreiding van de Unie zal ook de Commissie meer leden tellen. De tien nieuwe lidstaten zullen ongetwijfeld invloed hebben in het debat omtrent het Europees ontwikkelingsbeleid. Er is een nieuwe Europese Commissaris voor Ontwikkelingssamenwerking aangesteld.

— Sinds de uitbreiding op 1 mei 2004 is ten slotte ook de Europese Raad verruimd. De toetreding van de nieuwe lidstaten zal in dit orgaan de machtsverhoudingen en het politiek leiderschap wijzigen, ook ten aanzien van het ontwikkelingsbeleid.

Uitbreiding

Uit het voorgaande blijkt dat de uitbreiding de Europese Unie voor enorme politieke uitdagingen en institutionele hervormingen plaatst. De uitbreiding heeft een grote impact op de samenstelling, het politieke evenwicht binnen en leiderschap van de drie belangrijkste instellingen, zijnde de Europese Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie.

De nieuwe lidstaten hebben alle communautaire bevoegdheden moeten goedkeuren, dus ook die inzake ontwikkelingssamenwerking als voorwaarde voor de toetreding. Het is te betreuren dat de Europese Commissie, noch de verschillende voorzitterschappen van de Europese Unie, de ontwikkelingssamenwerking ter sprake hebben gebracht tijdens de prétoetredings-onderhandelingen.

Een nieuw strategisch plan en budget voor 2007-2013

In januari 2004 heeft de Europese Commissie een strategisch plan en budget voor 2007-2013 voorgesteld aan de Europese Raad en het Europees Parlement. In 2004 wordt de discussie hierover gevoerd. In 2005 zullen de Europese Raad en het Europees Parlement hierin een beslissing moeten nemen.

Institutionele hervormingen

De Europese Unie staat voor belangrijke uitdagingen en institutionele hervormingen met betrekking tot de buitenlandse betrekkingen van de Europese Unie naar aanleiding van de Europese Grondwet die in de Conventie werd voorbereid en goedgekeurd in de Europese Raad van 17-18 juni 2004.

Cotonou-akkoord

Het Cotonou-akkoord is op 1 april 2003 van kracht geworden. Op grond van de Overeenkomst van Cotonou zullen nieuwe met de WTO-regels verenigbare handelsovereenkomsten worden gesloten. Onderhandelingen over nieuwe regionale partnerschapsovereenkomsten zijn in oktober 2003 gestart met de CEMAC (Economische en Monetaire Gemeenschap van Centraal-Afrika) en de UEMOA (Economische en Monetaire Unie van West-Afrika). De onderhandelingen zijn in februari geopend met de ESA-regio (Oost en Zuidelijk Afrika), met de Caraïben in April en met SADC (Zuidelijk Afrika) begin juli 2004. De meest voorbereide regio, die van de Stille Zuidzee, zal de onderhandelingen starten in september.

Doha-ontwikkelingsronde

Er vinden multilaterale handelsbesprekingen plaats in het kader van de Wereldhandelsorganisatie volgens een agenda afgesproken in de Katarese hoofdstad Doha. De onderhandelingsronde loopt stroef. De top in Cancun in 2003 is mislukt. In de zomer van 2004 werd alsnog een doorbraak gerealiseerd om zo tot een definitief akkoord te komen over de Doha-agenda eind 2005 in Hongkong.

Millennium ontwikkelingsdoelstellingen

De Europese Raad heeft de opdracht gegeven aan de Europese Commissie om een stand van zaken op stellen betreffende de bijdrage van de Europese Unie en haar lidstaten tot het behalen van de Millennium ontwikkelingsdoelstellingen.

3. Institutionele hervormingen
— De beleids- en institutionele hervormingen zullen de Europese Unie versterken en verdiepen. Er staan belangrijke hervormingen op stapel inzake het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid. Deze hervormingen kunnen ten goede worden aangewend voor de versterking van de bevoegdheid op het vlak van ontwikkelingssamenwerking.

— Daar staat echter tegenover dat de Raad van Ontwikkelingssamenwerking werd afgeschaft.

— De Europese Conventie heeft een grondwet voorbereid. Deze werd goedgekeurd in de Europese Raad van 17-18 juni. Er is een algemene consensus om te komen tot een meer coherent buitenlands beleid van de Europese Unie. De grondwet voorziet in de aanstelling van een Europese minister voor buitenlandse zaken die tegelijk vice-voorzitter van de Europese Commissie en commissaris van de Europese Raad wordt. Hij zou de Raad voor Externe Betrekkingen voorzitten. Het is onduidelijk wat in de Europese Commissie de macht van de Europese Commissaris voor ontwikkelingssamenwerking zal zijn, vooral ten aanzien van de Europese minister/commissaris voor Externe Betrekkingen. Het is eveneens onduidelijk of de Europese commissaris voor ontwikkelingssamenwerking onder voogdij zal staan van de Europese minister voor Buitenlandse Zaken. Het is onzeker of de Commissaris voor ontwikkelingssamenwerking stemrecht zal hebben en of er a priori een Europese Commissaris voor Ontwikkelingssamenwerking zal blijven bestaan.

— De Grondwet van de Europese Unie die werd goedgekeurd door de Europese Raad van 17-18 juni bepaalt dat een Europese dienst voor Extern optreden wordt opgericht die de Europese minister van Buitenlandse Zaken moet bijstaan. Deze dienst moet nauw samenwerken met de diplomatieke diensten van de lidstaten. Deze bepaling kan de resultaten van de reorganisatie van de dienst externe betrekkingen van de Europese Commissie bedreigen. Binnen deze dienst heeft de afdeling ontwikkelingssamenwerking gedurende jaren grondige hervormingen ten gunste ondergaan.

4. Financiële perspectieven voor ontwikkelingssamenwerking
— De Europese Unie en haar lidstaten besteden jaarlijks meer dan 30 euro miljard aan overheidssteun voor ontwikkelingslanden. Daarvan wordt 6 miljard euro door de Europese Unie voor haar rekening genomen.

— De Europese Unie heeft op de VN-Conferentie van Monterrey in 2002 het engagement aangegaan om tegen 2006 het jaarlijks budget op te voeren van 30 tot 39 miljard ofwel 0,39 % van het BNI.

— De Europese Unie neemt meer dan van 50 % van de ODA (Official Development Assistance, Oeso-normen) voor haar rekening en is daarmee de grootste donor van de wereld.

— Alle lidstaten en de Europese Unie hebben zich ertoe verbonden, elk jaar 0,7 % van het BNI aan ontwikkelingssamenwerking te besteden. De Europese regeringen hebben zich op VN-Conferentie van Monterrey geëngageerd om de financiering van ontwikkeling te versnellen en om tegen 2010 een bijdrage van 0,7 % van het BNI te leveren voor ontwikkelingssamenwerking.

— In januari 2004 heeft de Europese Commissie een strategisch plan en budget voor 2007-2013 voorgesteld aan de Europese Raad en het Europees Parlement. In 2004 wordt het debat hierover gevoerd. In 2005 moet de Europese Raad en het Europees Parlement hierin een beslissing nemen.

— De zes netto betalers hebben er echter op aangedrongen dat het Europees budget beperkt zou worden tot maximaal 1 % van het BNI terwijl de Europese Commissie streeft naar 1,24 %. Een beperking van het globaal budget houdt het gevaar in dat ook de budgetten voor ontwikkelingssamenwerking zullen dalen.

— Er een ligt voorstel ter tafel om de begroting te herstructureren, waardoor de middelen voor ontwikkelingssamenwerking onder één en hetzelfde begrotingsartikel van het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid dreigen te vallen. Dit houdt het gevaar in dat deze middelen oneigenlijk worden gebruikt of naar andere doeleinden zullen worden geheroriënteerd. Het is niet denkbeeldig dat een dergelijke heroriëntatie gaat in de richting van de onmiddellijke buren aan de nieuwe grenzen van de Europese Unie, teneinde de stabiliteit, de vrede en de veiligheid te bevorderen.

5. Millennium ontwikkelingsdoelstellingen
— In het jaar 2000 hebben alle lidstaten van de Verenigde Naties zich formeel verbonden tot het behalen van de Millenium ontwikkelingsdoelstellingen.

— De Europese Raad heeft aan de Europese Commissie de opdracht gegeven om een stand van zaken op stellen betreffende de bijdrage van de Europese Unie en haar lidstaten tot het behalen van de Millennium ontwikkelingsdoelstellingen. Het rapport zal de ODA-hulp, de coherentie inzake meerdere beleidsdomeinen van de Europese Unie met betrekking tot ontwikkelingssamenwerking en de bijdrage van handel en de schuldkwijtschelding ten overstaan van de Millennium ontwikkelingsdoelstellingen meten.

6. Meerwaarde van de Europese Unie inzake ontwikkelingssamenwerking
— Om structurele veranderingsprocessen in het Zuiden te ondersteunen is er een voldoende groot volume aan middelen nodig. De Europese Unie kan wat dit betreft met haar bijdragen het verschil maken door het schaalvoordeel dat zij heeft.

— De Unie vertegenwoordigt de lidstaten in multilaterale organisaties en processen. Het gezamenlijk beleid van de Europese Unie inzake multilaterale processen levert positieve resultaten op (cf. het Kyoto-akkoord, de VN-conferentie in Monterrey, ...) inzake het beheer van mondiale publieke goederen.

— De Europese Unie heeft de mogelijkheid om een geïntegreerd beleid te voeren door de veelheid van bevoegdheden die zij heeft inzake handel, hulp, duurzame ontwikkeling en politieke samenwerking.

— De Europese Grondwet zoals goedgekeurd door de Europese Raad van 17-18 juni 2004 versterkt de communautaire rol van de Europese Unie in het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid. Hierdoor zal een geïntegreerd beleid worden bevorderd. De uitdaging zal er in bestaan dwarsverbanden te creëren tussen ontwikkelingssamenwerking en het veiligheidsvraagstuk. Beiden zijn niet noodzakelijk tegengesteld aan elkaar.

— De Europese Unie heeft de opdracht mee te bouwen aan een nieuwe wereldorde waar vrede, veiligheid, zelfstandigheid, democratie en duurzame ontwikkeling centraal staan. In dat perspectief zijn veiligheid, de strijd tegen terrorisme en ontwikkelingssamenwerking niet tegenstrijdig, maar complementair. Armoedebestrijding is de beste garantie om oorlog en terrorisme te bestrijden en veiligheid te creëren.

— De Europese Unie beschikt over een veelheid van instrumenten die haar de mogelijkheid bieden een strategisch beleid te voeren.

— De Europese Commissie verdedigt geen nationale belangen en kan daardoor een belangrijke rol spelen als politiek neutrale partner in het buitenlands beleid.

7. De relatie tussen de Europese Unie en de ACS-landen
— Het Cotonou-akkoord is op 1 april 2003 van kracht geworden. Op grond van de Overeenkomst van Cotonou zullen nieuwe met de WTO-regels verenigbare handelsovereenkomsten worden gesloten, de Economische Partnerschap Akkoorden.

De Unie combineert handel en hulp op een nieuwe manier in de volgende generatie van partnerschapsovereenkomsten waarover zij met de ACS-landen onderhandelt. Deze zouden tegen 2008 tot stand moeten komen. Het is de bedoeling de ACS-landen te helpen integreren met de andere landen van hun regio als een stap op de weg naar mondiale integratie, en hen te helpen institutionele capaciteit op te bouwen en de beginselen van behoorlijk bestuur toe te passen. De EU zal tegelijkertijd blijven werken aan het verder openstellen van haar markten en het wegwerken van de hindernissen voor de exportproducten uit de ACS-groep.

— In 2008 wordt een nieuw handelsregime ingevoerd, namelijk de Economische Partnerschap Akkoorden (EPA). Deze EPA's zijn vrijhandelsakkoorden tussen 6 ACS-regio's en de Europese Unie die aan de WTO-beginselen zullen voldoen en dus van de ACS-landen vereisen om hun grenzen open te stellen voor Europese goederen tegen 2020. De doelstelling van deze EPA's zou er in bestaan de regionale integratie te bevorderen en duurzame ontwikkeling te stimuleren. Het is echter twijfelachtig dat deze landen in staat zullen zijn de concurrentie aan te gaan. Het risico van budgettaire problemen is groot, gezien het belang van importheffingen als belangrijke bron van inkomsten.

— De ACP-landen kampen met een gebrek op het vlak van « know how », personeel en instituties, wat een gelijkwaardig partnerschap tussen de Europese Unie en ACS-landen verhindert.

— De tendens in de onderhandelingen betreffende de Economisch Partnerschap Akkoorden is die van een vrijhandelszone tussen de ACS-regio's en de Europese Unie. De bedrijven en de landbouwsector in de ACS-regio's zijn echter niet klaar voor een snelle liberalisering zoals die wordt voorgesteld. De jonge industrie in deze landen is broos en volop in ontwikkeling.

— Er ligt een voorstel ter tafel om het Europees Ontwikkelingsfonds — dat het Cotonou-akkoord financiert — in de begroting van de Europese Commissie onder hoofdstuk vier (Externe Betrekkingen) op te nemen, waardoor het een communautaire bevoegdheid wordt.

— Ondanks de speciale relatie is het aandeel van de ACS-landen in de EU-markten blijven dalen en worden zij in de wereldhandel in nog toenemende mate gemarginaliseerd.

8. Internationale handel in het kader van de Doha-onderhandelingen van de WHO
— In 2001 werd op de ministeriële conferentie van de Wereldhandelsorganisatie in Doha beslist nieuwe onderhandelingen te starten inzake de verdere liberalisering van de wereldhandel. De Europese Unie is voortrekker van deze verdere liberalisering van de wereldhandel en -economie. Ze speelt een leidende rol in de multilaterale handelsbesprekingen. De ministeriële conferentie van 2003 in Cancun heeft evenwel niet tot een akkoord geleid.

— In de zomer van 2004 werd in Genève alsnog een raamakkoord afgesloten over de Doha-aganda, wat zou moeten leiden tot een definitief akkoord tegen eind 2005. De kritiek van de NGO-sector blijft echter hard. De ontwikkelingslanden worden niet betrokken in het besluitvormingsproces. Daarbij zouden de voorgestelde maatregelen te eenzijdig voordelen verschaffen aan het Noorden.

— De economische hervormingen in het Zuiden hebben niet het verhoopte resultaat opgeleverd, deels omdat overeenkomstige hervormingen in het handelsbeleid van het Noorden niet of slechts partieel werden uitgevoerd.

— Afgewerkte producten uit het Zuiden worden vaak geconfronteerd met tariefpieken. Hoge importtarieven en andere niet-tarifaire handelsbelemmeringen van de Europese Unie treffen vooral producten die voor het Zuiden van groot belang zijn, zoals landbouwproducten en arbeidsintensieve afgewerkte producten.

— Drie kwart van de uitvoer van Afrika bestaat uit grondstoffen. De lage prijzen worden veroorzaakt door een chronisch overaanbod. Zonder een gecoördineerde internationale actie zal Afrika niet uit het moeras geraken. Er is reeds tientallen jaren sprake van « het verzekeren van grondstoffenprijzen die aanvaardbaar zijn voor de verbruikers, en de producenten een billijk inkomen verzekeren ». Het probleem van de grondstoffenprijzen krijgt in de multilaterale handelsbesprekingen nog maar bitter weinig aandacht.

— Het Zuiden kampt met een gebrek aan financiële middelen, capaciteiten, know how en instituties om zijn eigen belangen en handelsbeleid te formuleren en om WTO-akkoorden toe te passen. De hulp en technische bijstand blijven onvoldoende, inefficiënt en te vaak donorgericht.

— Het akkoord binnen de WTO met betrekking tot de dienstensector houdt het gevaar in dat ook de liberalisering van mondiale publieke goederen zoals energie- en watervoorzieningen en onderwijs op tafel zal worden gelegd.

9. Input Belgische regering
De algemene beleidsnota van de Belgische minister van Ontwikkelingssamenwerking voor het begrotingsjaar 2004 omvat geen visie op de mogelijke houding van België als lid van de Europese Raad ten aanzien van de belangrijke uitdagingen en institutionele hervormingen in de Europese Unie met betrekking tot ontwikkelingssamenwerking.

De beleidsnota omvat evenmin een visie op het beleid dat de Europese Unie zou kunnen uittekenen met betrekking tot het bevorderen van de complementariteit, de coherentie en de consistentie in het ontwikkelingsbeleid. Er wordt geen melding gemaakt van de instrumenten die in dit verband zouden kunnen worden aangewend.

Sabine de BETHUNE.
Erika THIJS.
Luc VAN den BRANDE.

--------------------------------------------------------------------------------

VOORSTEL VAN RESOLUTIE

--------------------------------------------------------------------------------

De Senaat,

A. Gelet op de recente institutionele hervormingen in de Europese Unie en de gevolgen hiervan voor het politiek evenwicht en leiderschap in de drie belangrijkste instellingen, zijnde de Europese Raad, het Europees Parlement en de Europese Commissie;

B. Overwegende dat een decennium terug de drie C's, zijnde coherentie, coördinatie en complementariteit — naar voren zijn geschoven als prioriteiten voor het Europees ontwikkelingsbeleid door de Europese Commissie en dat die vandaag nog steeds actueel zijn;

C. Gelet op de Millennium Ontwikkelingsdoelstellingen van de Verenigde Naties en het engagement van de Europese Unie en al haar lidstaten om deze zowel op beleidsmatig als op financieel vlak te bereiken;

D. Gelet op de onderhandeling van het Cotonou-akkoord annex Economische Partnerschapovereenkomsten tussen de Europese en de ACS-regio's en de discussie binnen de Europese Unie over de communautarisering van het budget van het Europees Ontwikkelingsfonds;

E. Gelet op de multilaterale handelsbesprekingen in het kader van de Wereldhandelsorganisatie volgens een agenda afgesproken in de Katarese hoofdstad Doha en de noodzaak om het principe van een eerlijke internationale handel te hanteren met als perspectief de eliminatie van armoede;

F. Overwegende dat conflictpreventie een belangrijke sleutel is voor veiligheid en vrede;

G. Overtuigd van de noodzaak om nieuwe instrumenten te creëren en bestaande te versterken om de Europese ontwikkelingssamenwerking effectief en efficiënt uit te voeren, alsook het draagvlak voor het Europees ontwikkelingsbeleid te versterken en te verbreden;

H. Overtuigd van de noodzaak van een pro-actief Belgisch beleid inzake de Europese ontwikkelingssamenwerking;

verzoekt de Regering,

1. Wat de versterking van het institutionele en politieke kader voor ontwikkelingssamenwerking betreft :

— Het debat over ontwikkelingssamenwerking in de Europese Raad permanent aan te moedigen en op de agenda te plaatsen.

— Een coherent buitenlands beleid na te streven teneinde te komen tot een « right policy mix » en een evenwichtig, geïntegreerd en totaal buitenlands beleid ten aanzien van elke partner in het Zuiden tot stand te brengen.

— Er hierbij van uit te gaan dat de bestrijding van armoede het meest duurzame middel is voor vrede en veiligheid.

— In het perspectief van een « right policy mix » het principe te onderschrijven dat ontwikkelingssamenwerking en het buitenlands- en veiligheidsbeleid van de Europese Unie geen concurrerende maar complementaire bevoegdheden zijn.

— Erover te waken dat ontwikkelingssamenwerking niet ondergeschikt wordt aan terrorismebestrijding, asiel- en migratiebeleid of militaire ondersteuning.

— De garantie te eisen dat middelen voor ontwikkelingssamenwerking niet voor dergelijke doelstellingen worden aangewend, maar te streven naar een geïntegreerde benadering van voornoemde domeinen.

— Op Europees vlak de benoeming te verdedigen van een onafhankelijk commissaris voor ontwikkelingssamenwerking in het College van Commissarissen met volwaardig stemrecht — bevoegd voor het uittekenen van het ontwikkelingsbeleid, de programmering van de hulp, het budget en de uitvoering ervan.

— Te streven naar rechtspersoonlijkheid voor de Europese Unie, met een eigen vertegenwoordiging in belangrijke multilaterale, internationale instellingen.

— In belangrijke debatten over buitenlands beleid binnen multilaterale, internationale organisaties, tussen de lidstaten van de Unie vooraf overleg te plegen en met één stem te spreken. Het overleg moet worden gevoerd met de andere bevoegde commissarissen en de lidstaten.

— Te pleiten voor de invoering van een functie van minister van Buitenlandse Zaken, zoals die is voorgesteld in het ontwerp van Europese grondwet.

2. Wat de coördinatie, coherentie en complementariteit van het Europees ontwikkelingsbeleid betreft, binnen de Europese Raad te beklemtonen :

— Dat een coherent ontwikkelingsbeleid noodzakelijk is; dat een « right policy mix » tussen de bevoegdheden van meerdere commissarissen noodzakelijk is; dat de coherentie tussen het handelsbeleid, de hulpverlening en de schuldverlichting van de Europese Unie moet worden bevorderd; dat ook de coherentie tussen het ontwikkelingsbeleid en andere domeinen van het buitenlands beleid van de Europese Unie, inzonderheid de verscheidene aspecten van het veiligheidsbeleid, alsook het asiel- en migratiebeleid moet worden bevorderd; dat alleen op die wijze een coherent optreden van de Europese Unie naar elke partner in het Zuiden mogelijk is.

— Dat, zoals voorgesteld door de Europese Conventie, bij alle beleidsbeslissingen rekening moet worden gehouden met de gevolgen hiervan voor de ontwikkelingslanden (in het kader van de doelstellingen van het Europees ontwikkelingsbeleid). Er is dus nood aan een coherentietoets om de ontwikkelingsrelevantie van beleidsmaatregelen na te gaan en concurrerende beleidsintenties op te sporen.

— Dat, om te komen tot een optimale coördinatie tussen de actoren die een rol spelen in de Europese ontwikkelingssamenwerking, er nood is aan overleg en samenwerking tussen de lidstaten van de Europese Unie, de Europese Commissie, de NGO's, de donoragentschappen, de centrale en lokale overheden, het middenveld, de private sector, de sociale en economische actoren, zowel in het Noorden als het Zuiden. Dergelijke samenwerking is noodzakelijk met betrekking tot het algemene beleid inzake ontwikkelingssamenwerking, de programmering van de hulp, het budget en de uitvoering. Coördinatie is noodzakelijk opdat de partnerlanden de « donoroverload » zouden kunnen verwerken en aldus minder mensen en middelen moeten inzetten om aan de voorwaarden van talrijke donoren te voldoen.

— Dat, om te komen tot een hogere effectieve bestedingsgraad van de begrote middelen voor ontwikkelingssamenwerking, er nood is aan voldoende financiering van Europese coöperanten en gekwalificeerd personeel die Europese projecten en programma's kunnen beheren en uitvoeren. Ook structuren en procedures moeten flexibeler en eenvoudiger worden.

— Dat een optimale complementariteit tot stand dient te worden gebracht tussen de Europese Unie en haar lidstaten. Zowel de lidstaten als de Europese Unie zijn in dezelfde landen actief, maar hun activiteiten zijn amper gecoördineerd. Ze zijn zelfs concurrerend. De Europese Unie en de lidstaten moeten complementair werken; daarom moet de Europese Unie duidelijk haar meerwaarde omschrijven, kwalificeren en meten wanneer zij aan ontwikkelingssamenwerking doet (subsidiariteitsbeginsel).

3. Wat de millennium ontwikkelingsdoelstellingen als ijkpunten voor het Europees ontwikkelingsbeleid betreft, in de Europese Raad :

— Het terugdringen van de armoede als absolute prioriteit te hanteren voor het Europees buitenlands beleid.

— Duurzame ontwikkeling, eerlijke handel, schuldkwijtschelding, vrede en veiligheid en democratisering te formuleren als basisdoelstellingen van het Europees buitenlands beleid.

— De millennium ontwikkelingsdoelstellingen van de VN te honoreren als de doelstellingen van het Europees ontwikkelingsbeleid. Zij vormen de rode draad van het Europees ontwikkelingsbeleid en omvatten met name :

· de grootste armoede en honger uitbannen;

· basisonderwijs wereldwijd toegankelijk maken voor iedereen;

· gelijke behandeling van mannen en vrouwen bevorderen;

· kindersterfte terugdringen;

· de gezondheid van moeders verbeteren;

· strijd leveren tegen hiv/aids, malaria en andere ziekten;

· actief werken aan een duurzaam milieu;

· werken aan een mondiaal partnerschap voor ontwikkeling.

Alle lidstaten van de Verenigde Naties hebben beloofd bovenstaande doelen tegen het jaar 2015 te zullen realiseren.

— Te pleiten voor meer hulp, meer kwantiteit; voor het uittekenen van een Europees groeipad voor het bereiken van de 0,7 % van het BNI; voor het versnellen van de financiering van ontwikkelingssamenwerking teneinde de 0,7 % norm te bereiken in 2010, zoals afgesproken op de VN-conferentie van Monterrey. Een verhoging van de middelen voor ontwikkelingssamenwerking moet bijdragen tot het bereiken van de Millennium ontwikkelingsdoelstellingen van de VN.

— Bij de uitvoering van het ontwikkelingsbeleid de kwaliteit van de samenwerking als prioritair te beschouwen. Indicatoren moeten worden ontwikkeld om de reële impact en meerwaarde van het Europees ontwikkelingsbeleid te meten inzake armoedebestrijding, de Millennium ontwikkelingsdoelstellingen van de VN en de Europese doelstellingen. Een voortgangsrapport kan zowel voor de Europese Unie als haar lidstaten een belangrijk instrument zijn om de effectiviteit van de samenwerking te meten.

— Een gezamenlijk nieuw initiatief van de Europese Unie te bepleiten inzake de schuldkwijtschelding van de landen in het Zuiden; te ijveren voor 100 % schuldkwijtschelding op middellange termijn voor de armste landen; erover te waken dat de schuldkwijtschelding effectief is en dat de middelen die vrijkomen door schuldkwijtschelding naar budgetsteun gaan en effectief worden uitgegeven in het kader van armoedebestrijding.

— Ervoor te ijveren dat de criteria die vandaag gehanteerd worden om de betaalbaarheid van de schuld van een land te bepalen, worden verruimd met sociale criteria, teneinde duurzame menselijke ontwikkeling na te streven en de Millennium ontwikkelingsdoelstellingen te bereiken.

— Ernaar te streven dat de schuldkwijtschelding gecoördineerd wordt aangepakt via de instellingen van de Verenigde Naties in dialoog met het IMF en de Wereldbank.

4. Wat de ontwikkeling van een eerlijke relatie tussen de Europese Unie en de ACS-landen betreft, in de Europese Raad :

op het vlak van de handel

— Te pleiten voor voldoende personeel en financiële middelen om de capaciteitsopbouw in de ACS-landen te versterken. Zowel de centrale als lokale overheden hebben nood aan meer « know how », personeel en efficiënt werkende instituties om de Economische partnerschap akkoorden te kunnen implementeren, de voordelen te maximaliseren en de kosten te beperken. Een dergelijke institutionele versterking vergt tijd en middelen en Europa moet hen daarin steunen.

— Het principe van eerlijke handel als grondslag te hanteren voor de onderhandelingen tussen de Europese Unie en ACS-landen.

— In het kader van de liberalisering van de handel rekening te houden met de capaciteiten en mogelijkheden van de regio's van de ACS. De liberalisering moet rekening houden met de prille ontwikkeling van de industrie en de functies van landbouw als belangrijkste bron van zelfvoorziening en inkomen en haar voortgang daaraan aanpassen.

— Rekening te houden met het feit dat het belang van de niet-tarifaire belemmeringen blijft toenemen, wat enorme institutionele en praktische ondersteuning zal vergen in de ontwikkelingslanden, evenals een grote transparantie in het Noorden, zodat producten uit het zuiden aan de standaarden kunnen voldoen.

— Erover te waken dat de ACS-landen de mogelijkheid krijgen om in een overgangsfase beschermende en alternatieve beleidsmaatregelen te nemen ten einde een competitief voordeel te ontwikkelen, zoals benadrukt in de Sao Paolo consensus van UNCTAD XI.

op het vlak van de budgettering

— Voor te stellen dat het Europees Ontwikkelingsfonds in de begroting van de Europese Commissie onder hoofdstuk IV (externe betrekkingen) wordt opgenomen, waardoor het een communautaire bevoegdheid wordt, op voorwaarde echter dat er een nieuw subhoofdstuk wordt ingevoegd onder titel « Buitenlandse hulp aan ontwikkelingslanden ». Een ander subhoofdstuk dient te bestaan uit veiligheids-gerelateerde opdrachten. De voordelen van deze formule zijn :

· Een verhoging van de democratische controle van het Europees Parlement en verantwoordelijkheid van de Europese Commissie.

· Meer transparantie en visibiliteit van Europese ontwikkelingssamenwerking.

· De financiële bijdragen van de lidstaten zijn beter te detecteren.

· Meer zekerheid van financiering — die nog kan versterkt worden — van de hulp aan de ACS-landen.

· Budgettaire beperkingen garanderen dat de middelen uitsluitend voor ontwikkelingsdoeleinden worden aangewend.

· Eenvormigheid, vereenvoudiging en meer flexibiliteit inzake procedures voor alle buitenlandse hulp van de Europese Commissie.

Deze operatie zal echter bijkomende hervormingen vragen. De huidige akkoorden in het kader van het Europees Ontwikkelingsfonds bieden een meerjarenplanning, voorspelbaarheid en dus zekerheid van de nodige fondsen. De begroting van de Europese Commissie hanteert een jaarlijks principe. Een speciale budgettaire procedure zal dus uitgeschreven moeten worden om de principes van meerjarenplanning en voorspelbaarheid te implementeren.

Een communautarisering van het Europees Ontwikkelingsfonds mag onder geen beding gevolgen hebben voor het medebeslissingsrecht van de ACS-landen met betrekking tot de besteding van de middelen. Zowel het Europees Parlement als de parlementen in het Zuiden moeten hun democratische rol ten volle kunnen uitvoeren.

5. Wat de eerlijke internationale handel in het kader van de Doha-onderhandelingen van de WHO betreft, in de Europese Raad :

— Erover te waken dat in het kader van de globalisering diverse samenlevingsmodellen de kans krijgen om zich te handhaven en zich verder te ontwikkelen. Economie en handel mogen geen doel op zich vormen en moeten steeds in dienst staan van de menselijke ontwikkeling (met aandacht voor de mensenrechten) en van de alles overkoepelende doelstelling van de eliminatie van armoede;

— De visie te ondersteunen dat de globalisering enorme kansen biedt om de armoede in de wereld terug te dringen en een meer rechtvaardige wereld op te bouwen. Vrijhandel is een goede basis daartoe, maar mag niet ontaarden in een ongeremde liberalisering. De vrijhandel moet vóór alles een eerlijke handel zijn. Globalisering in economische zin kan niet zonder een werkbaar stelsel van normen en een efficiënt systeem voor het beslechten van geschillen. Daarom is een globale agenda voor de lopende multilaterale handelsbesprekingen verantwoord.

— Te pleiten voor het versterken van het participatie- en gelijkwaardigheidsprincipe. De Europese Unie hanteert het principe van een gelijkwaardig partnerschap en participatie van multi-actoren in relatie tot haar partners in het Zuiden. Hierbij worden zowel centrale als lokale overheden betrokken, alsook « non-state actors » of « civil society ». Al te vaak blijft het bij intenties en verloopt de participatie erg moeizaam. Er is in de eerste plaats nood aan capaciteitsopbouw van alle actoren en in het bijzonder de lokale overheden en « civil society » in het Zuiden om te komen tot reële participatie. Daarbij moet er duidelijkheid komen omtrent de rolverdeling van alle actoren in het ontwikkelingsproces. Capaciteitsopbouw, medebeslissingsrecht, participatie en een duidelijke rolverdeling moeten eveneens de transparantie in het beheer van middelen en projecten verhogen.

— Te pleiten voor voldoende personeel en financiële middelen om de capaciteitsopbouw in het Zuiden te versterken. Zowel de centrale als lokale overheden hebben nood aan meer « know how », personeel en efficiënt werkende instituties om regels van de Wereldhandelsorganisatie te kunnen implementeren.

— Erover te waken dat de hervormingen in het handelsbeleid zoals afgesproken binnen de Wereldhandelsorganisatie worden uitgevoerd teneinde te komen tot een reductie van tarifaire en niet-tarifaire belemmeringen en tot een eerlijke handelsrelaties waarbij producten die van groot belang zijn voor het Zuiden toegang hebben op onze markten.

— De Europese Unie ertoe te bewegen het voortouw te nemen in een internationale gecoördineerde actie die grondstofprijzen verzekert tot op een aanvaardbaar niveau voor de gebruikers en de producenten.

— De EU ertoe aan te zetten in de WTO het voortouw te nemen om meer en concrete inhoud te geven aan « special en differential treatment ».

— Erover te waken dat mondiale publieke goederen zoals water en lucht, maar ook basisrechten zoals onderwijs, niet aan de vrije markt worden overgelaten.

6. Wat de uitbouw van conflictpreventie betreft :

— Conflictpreventie als een belangrijke sleutel voor veiligheid en vrede in de wereld te honoreren.

— Te streven naar de oprichting van een Europees Vredesinstituut voor conflictpreventie en vredesopbouw. Het vredesinstituut moet instaan voor het creëren van een maatschappelijk draagvlak voor een gemeenschappelijk beleid inzake conflictpreventie en vredesopbouw, bijdragen tot de voorbereiding van dit beleid en ontwikkelen van beleidsinstrumenten. Daarbij dient een systeem van « early warning » uit te worden gebouwd om conflicten in kaart te brengen en vroegtijdig aanbevelingen te doen. De betrokkenheid van lokale organisaties en expertise in de conflictgebieden alsook van nationale organisaties voor conflictpreventie van de lidstaten van de Europese Unie is daarbij noodzakelijk.

— Als lidstaat van de Europese Unie het Wapenverdrag naar aanleiding van de VN evaluatieconferentie over kleine en lichte wapens in 2006 te aanvaarden en ook verdere regionale wapenbeheersingsmaatregelen in het kader van de Europese Unie te nemen en te versterken.

— Mensenrechtenschendingen te monitoren en aan te kaarten met specifieke aandacht voor regio's in conflict. De straffeloosheid van oorlogsmisdaden en schendingen van de mensenrechten moet worden bestreden. Dit vereist investeringen in de infrastructuur en organisatie van rechtssystemen, opleiding en technische bijstand.

7. Wat de versterking van de instrumenten en het draagvlak van ontwikkelingssamenwerking betreft :

— In het kader van eerlijke handel en markttoegang tot de Europese Unie voor ontwikkelingslanden, de sinds kort gelanceerde on-line helpdesk van het Directoraat-generaal voor Handel van de Europese Commissie te optimaliseren en om te vormen tot een volwaardige agentschap/helpdesk voor import in de Europese Unie die steun geeft bij opleidingen, marktinformatie verstrekt, informatie geeft over EU-reglementering, deelneemt aan beurzen, contacten legt met het Europese bedrijfsleven, ...

— Naar analogie van het Europees Erasmusprogramma middelen beschikbaar te stellen om internationale uitwisselingsprogramma's voor studenten tussen Noord en Zuid te financieren.

— Erover te waken dat de hervormingen van dienst Externe Hulp van de Europese Commissie die werd omgevormd tot « Europ Aid » niet worden tenietgedaan. De Europese Grondwet zoals goedgekeurd in de Europese Raad van 17 en 18 juni 2004 voorziet immers in de oprichting van een nieuwe dienst Extern Optreden. De hervorming tot « Europ Aid » wordt immers als positief ervaren. De dienst heeft institutionele rust nodig en moet versterkt worden, zowel inzake personeel als qua middelen.

— De coördinatie en complementariteit te bevorderen en hierin concrete stappen te ondernemen. Zo dient er één centrale Europese databank/website te worden ontwikkeld die informatie centraliseert inzake beleidsplannen, projecten en programma's van zowel de Europese Unie als haar lidstaten, alsook alle indirecte actoren. Een centrale databank/website zal eveneens tegemoetkomen aan de vraag voor meer informatie-uitwisseling. Het kan de samenwerking bevorderen tussen overheden en actoren die met dezelfde thema's bezig zijn in dezelfde partnerlanden.

— Tegelijk andere stimulerende maatregelen te nemen, zoals een samenwerkingssubsidie, die de samenwerking tussen de verschillende overheden en actoren bevorderen.

— Het draagvlak voor een sterk ontwikkelingsbeleid te verbreden door het debat over ontwikkelingssamenwerking in de Europese Unie permanent te voeren en op de agenda te plaatsen. De civil society in de Europese Unie moet worden betrokken in het besluitvormingsproces inzake ontwikkelingssamenwerking en de bevolking gesensibiliseerd omtrent de thema's solidariteit en ontwikkelingssamenwerking.

8. Wat een pro-actief Belgisch beleid betreft :

— De Belgische ontwikkelingssamenwerking te coördineren met die van de Europese Unie en de andere lidstaten. Daarbij moet België streven naar gemeenschappelijke doelstellingen met de Europese Unie en de andere lidstaten in het kader van Millennium Ontwikkelingsdoelstellingen van de VN.

— Als lid van de Europese Raad het voortouw te nemen en steun te verwerven bij andere lidstaten voor een versterking van het Europees ontwikkelingsbeleid in de lijn van de aanbevelingen van deze resolutie.

— Op structurele wijze rekening af te leggen in het Belgisch Parlement over het Europees ontwikkelingsbeleid en het standpunt van de Belgische regering ter zake.

3 augustus 2004.



Terug naar het overzicht